Vintimille

Elke ochtend om een uur of elf kwam in ons flatgebouw in Parijs een merkwaardige processie de trap af: eerst een hond, dan een klein jongetje, dan onze benedenbuurvrouw, Madame Brelugat, met een baby genaamd Céline. Pas veel later ontdekten wij dat zij niet de moeder, maar de grootmoeder van de kinderen was; de moeder scheen wel in dezelfde flat te wonen maar we zagen haar nooit.

Die afdaling ging niet geruisloos: het jongetje liep stampend de trap af, je hoorde de nagels van de hond schuren op de treden, Céline brulde en de grootmoeder vermaande alle drie: Dépêche-toi! Pas si vite! On n'entend que toi ici! Tiens bien la rampe!

Beneden in de hal werd Céline in de daar geparkeerde kinderwagen gegespt, en daar gingen ze, de deur uit en de heuvel op, de gehele breedte van het trottoir in beslag nemend. Pas 's avonds tegen zessen kwamen ze terug. Waar hadden ze de hele dag gezeten? De familie exploiteerde een groot café-restaurant in de buurt en aangezien ze er allemaal wat bleek en papperig uitzagen, vermoed ik dat ze daar de dag doorbrachten, de kinderen in een of ander achterkamertje en de hond schooierend langs de tafels om klontjes suiker.

Het contact met Mme Brelugat was beperkt tot een vluchtige groet in het voorbijgaan, tot mijn dochtertje werd geboren. Daarna, als we elkaar met onze bepakking op de trap tegenkwamen, gaf ze me advies (kindermeel in de zuigfles), het adres van haar pédiatre - om gewoon naar de huisarts te gaan zoals wij deden zou haar niet invallen - en huiselijke nieuwsbulletins (Céline heeft weer overgegeven in bed - dat staat u ook nog te wachten). Eens vroeg ik haar of zij nooit naar ons plaatselijke parkje ging, bekend als le square Vintimille. ""Gaat U daarheen?'' vroeg zij afkeurend, en voegde er veelbetekenend aan toe: ""Daar kom ik nooit.''

Ik kwam er geregeld, vaak uit gemakzucht: het was de dichtst bij ons huis gelegen kinderspeelplaats. Er stonden wat bomen, een paar banken en een borstbeeld van Berlioz. In de negentiende eeuw was het een kunstenaarsbuurt: Vuillard woonde in een van de huizen uitziend op het pleintje, dat hij meermalen schilderde vanuit zijn raam (de illustratie bij deze serie); er is sindsdien (1908) niet veel veranderd, behalve dat er een zandbak in de plaats is gekomen van het centrale grasperk.

Soms gingen we er twee keer per dag heen; het was er bijna nooit leeg en om half vijf, als de naburige school uitging, was het spitsuur. Dan stormden de kinderen naar de zandbak, pain au chocolat in de hand, de moeders er hijgend achteraan met de zware schooltas (sommige kroostrijke moeders torsten er meer tegelijk). Op die momenten vervulde het parkje zijn werkelijke bestemming, die van praatplek. De kinderen kolkten om onze voeten, roepend, duwend, vallend, huilend - terwijl de moeders praatten. Het had iets van een enorme cocktailparty in de open lucht, alleen zonder alcohol en mannen.

Geen mensen zonder kinderen waagden zich naar binnen wanneer het er zo druk was; soms kon je een paar vermoeide touristen verlangend over het hek zien kijken om dan weer verder te sloffen, op zoek naar rustiger oorden. Daar zaten we, dit onderonsje van vrouwen, ons stilzwijgend bewust van het feit dat onze vruchtbaarheid ons bij elkaar had gebracht; het gaf het gevoel weer op school terug te zijn. De verschijning van een man veroorzaakte dezelfde opwinding als destijds op mijn (meisjes-)school; ik herinner me hoe iemands echtgenoot eens de speelruimte overstak met alle ogen op hem gericht, als een wind die iets van de buitenwereld met zich meebracht, en van het werkelijke leven: er moest iets belangrijks aan de hand zijn, voelde je, dat hij zich hier vertoonde.

Het onderwerp van gesprek was, uiteraard, wat we allemaal gemeen hadden: kinderen. De schooltassen gingen open en de moeders bestudeerden het huiswerk van hun kinderen; er waren verhitte discussies, over de merites van verschillende antibiotica, van diverse merken luiers, over de leesmethoden. De méthode globale werd alom veroordeeld, soms aan de hand van demonstraties (Tu vois! Tu vois! Il n'arrive pas à lire!). Er was veel wedijver onder de moeders over de leeftijd waarop hun kinderen zindelijk waren; ook de onderwijzeressen werden verguisd en geprezen; ik herinner me de algemene verontwaardiging over een onverwachte vrije zaterdag, omdat een onderwijzeres haar vader had verloren: ""Had ze ons niet eerder kunnen waarschuwen?'' Geliefde onderwerpen waren ook de staat van het parkje (je had onverlaten die 's avonds hun hond uitlieten in de zandbak) en de moeilijkheden om een goede nourrice te vinden.

De grond in het square Vintimille was zanderig en oneffen. Mijn dochtertje leerde er lopen. ""Ze moet hoge schoenen dragen!'' riepen steevast de moeders als zij wankelend en zwaaiend langskwam op haar blote voeten; lage schoenen, laat staan blote voeten, verzwakken de enkels: ""C'est mon pédiatre qui l'a dit!'' Geen van die kinderen bezocht een gewone huisarts, allemaal gingen ze naar zo'n formidabele (en dure) specialist, tronend in een groot appartement vol echo's in het 17e, ware halfgoden met wie niet viel te spotten. ""Faites taire votre enfant'', breng uw kind tot zwijgen, zei een van hen tegen een Nederlandse vriendin, toen zij met haar huilende dochtertje de spreekkamer binnenkwam.

Een andere eigenschap van de conversaties in het parkje was dat zij altijd voortijdig werden afgebroken - doordat een kind van de glijbaan tuimelde, een ander kind er vanaf duwde, diens zandkasteel in elkaar trapte, een hem niet toebehorend schopje inpikte. Er was le petit Michaël, behept met de gewoonte andere kinderen van achteren te benaderen en ze een mep op hun kop te geven; zijn moeder zag het met een vertederde glimlach aan. Hij werd ook vaak vergezeld door zijn tante en zijn grootmoeder. Deze laatste was zo'n enorme vrouw waarvan je haast niet kan zien of ze staan of zitten; ze kwam altijd vroeg, om de beste bank in te pikken; niemand behalve een onervaren beginner haalde het in zijn hoofd om naast haar te gaan zitten. Soms viel mij de tegelijk boeiende en deprimerende gedachte in dat zij daar misschien ook zo had gezeten, wie weet op dezelfde bank, toen haar eigen kinderen klein waren. Ze sprak mij vaak vermanend toe over mijn dochters enkels en klaagde over het toenemende aantal buitenlanders in het plantsoen.Nu waren er inderdaad heel wat nationaliteiten, dat is waar. Onze kinderen, voor zover ze tot praten in staat waren, konden elkaar vaak niet verstaan: de kinderen waar mijn dochter mee speelde spraken Engels, Nederlands, Duits, Spaans en Russisch. Met uitzondering van een Poolse die Frans tegen haar kinderen sprak (""Pools, dat is waardeloos'') waren we allemaal hevig gepreoccupeerd met onze moedertalen, inderdaad vaak (in gemengde huwelijken) de taal van de moeder, de uitwendige manifestatie van onze pogingen onze eigen kindertijd terug te roepen in een vreemde omgeving. Het gebeurde vaak dat een kind naar zijn moeder kwam en iets onverstaanbaars zei; de moeder antwoordde dan iets even onverstaanbaars en daarna ging het kind weer tevreden zijns weegs; het had iets verwarrends iemand vrij goed te kennen en geen idee te hebben van de manier waarop zij met haar kinderen sprak.

Maar de grootmoeder van le petit Michaël bedoelde niet ons soort buitenlanders, ze bedoelde de Noordafrikaanse vrouwen die aan de andere kant van het plantsoen bij elkaar hokten, eerst een paar, en daarna steeds meer. In plaats van me gevleid te voelen zelf niet als buitenlandse te worden beschouwd gaf het mij eerder een impuls om te laten zien hoeveel beter dan die Fransen ik wel was. Maar deze hovaardij werd snel bestraft; pogingen die Arabische vrouwen vriendelijk te benaderen bleven volstrekt onbeantwoord, en nadere observatie van de manier waarop ze hun kinderen behandelden, en het parkje zelf, was niet bemoedigend.

Hoe pijnlijk ook, je kon er niet omheen: de Noordafrikaanse moeders sloegen hun kinderen hard en vaak voor de geringste overtredingen, maar een jongetje dat rustig midden in de zandbak een plas deed oogstte alleen vrolijk gelach. Bij pogingen van hun kinderen om anderen weg te duwen van de glijbaan of de zandbak keken de moeders onverschillig toe, zonder tussenbeide te komen. Het kwam daarentegen wel voor dat ze andere dan hun eigen kinderen sloegen - d.w.z de onze - en dat alles maakte dat ik op den duur liever ergens anders heenging. Dus toch net als Mme Brelugat, want dat was uiteraard de reden dat zij daar niet kwam.

Het begon bergafwaarts te gaan met het square Vintimille. Er waren gevallen van vandalisme, er werden banken vernield en het glijbaantje werd in elkaar getrapt. Maandenlang bleef alles zo liggen, het parkje zag er meer en meer verwaarloosd uit. Steeds minder Fransen gingen er met hun kinderen heen. Het was een onstuitbaar proces en het ging onbegrijpelijk snel. In zekere zin heb ik er dus ook toe bijgedragen, maar ook de beste intenties zijn op den duur niet opgewassen tegen het gevoel onwelkom te zijn.

Onlangs sprak ik over de telefoon met een vriendin die daar nog in de buurt woont en met wie ik vele gelukkige uren in het square Vintimille heb doorgebracht. Zij vertelde dat het plantsoen kortgeleden is opgeknapt. ""Het ziet er nu weer prachtig uit'', zei ze, ""maar we komen er niet meer.''