Sterke troef?

De voetnoten in het laatste, afsluitende deel van dr. L. de Jongs geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog (waaraan de auteur zelf niet meer te pas is gekomen) winnen het op menige bladzijde in belangwekkendheid van het lopende verhaal.

Dat geldt vooral voor de (in kleine druk weergegeven) correspondentie uit 1987 tussen dr. De Jong en de minister-president, drs. Lubbers over de behandeling van de gratieverzoeken van een aantal, aan het eind van de jaren veertig in Nederland ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers.

De voetnoten daarover vermelden onbekende feiten waaraan de pers tot nog toe geen aandacht heeft geschonken. Ze werpen niet alleen meer licht op de grondslagen van het destijds gevoerde gratiebeleid, maar ontbloten (zoals Belgen zo fraai zeggen) ook het altijd angstvallig beschermde kroongeheim. Het is nog nooit voorgekomen dat een briefwisseling tussen het staatshoofd en de minister-president en de minister van justitie respectievelijk de ministerraad, in druk is geopenbaard (samengevat, met cruciale citaten) en nog wel over één van de heetste hangijzers van de naoorlogse politiek.

Uit één van die voetnoten (op blz. 897 van deel 14) blijkt de persoonlijke invloed van de koningin op het gratiebeleid in die jaren, maar de mededelingen daarover geven geen uitsluitsel over de vraag of koningin Juliana in 1949 wel of niet een afwijzingsbeschikking op een gratieverzoek met de hand in een toewijzing veranderde. De Jong heeft de gronden waarop het gratiebeleid van de eerste vier naoorlogse kabinetten berustte in deel 12 (Epiloog) uitvoerig behandeld, maar de nadere bijzonderheden die onderaan de pagina's van het (door anderen geredigeerde) laatste deel van Het Koninkrijk zijn opgenomen, hebben de toegevoegde waarde van een bronnenbeschrijving en geven een kijkje in de keuken van de historicus.

Zo is de volgende volzin afgedrukt over een bron waarop De Jong zich in zijn Epiloog had gebaseerd: “Le Poole was er daags voor Kerstmis 1949 getuige van geweest, zo schreef hij De Jong, dat het departement van Justitie telefonisch bericht van het Kabinet van de Koningin ontving dat een Koninklijk Besluit met een negatieve beschikking op een gratieverzoek van de ter dood veroordeelde politieke delinquent B. was afgedaan en dat de betrokkene onmiddellijk moest worden ingelicht. Nu behoorde in zo'n geval binnen 24 uur het vonnis te worden voltrokken, dus nota bene op eerste Kerstdag. De Koningin had echter, aldus Le Poole, de afwijzing met de pen veranderd in een toewijzing (brief mr. J. le Poole te Deventer aan De Jong, 29 december 1987)”.

Nader onderzoek van het departement van algemene zaken (dat in opdracht van Lubbers de archieven van de minister-president en van Justitie openstelde) leverde geen spoor van een zodanige, met de hand geschreven koninklijke aantekening, zelfs geen krabbel op. “Uit het dossier terzake (was) gebleken dat de koningin geen aantekening op het bewuste stuk had geplaatst.” De briefschrijver (de toenmalige departementsambtenaar Le Poole) had zich dus vergist, maar ook weer niet helemaal. Want “uit het dossier en uit de daaruit blijkende gang van zaken (moest) worden geconcludeerd dat de koningin persoonlijk de omzetting van de doodstraf in levenslang had bevorderd”.

Uit de voetnoten in deel 14 blijkt ook dat dr. De Jong in het najaar van 1987 met prinses Juliana over het destijds gevoerde gratiebeleid heeft gecorrespondeerd. De toenmalige koningin maakte, aldus een voetnoot op blz. 896, "niet nader omschreven' bezwaren tegen de eerste versie van De Jongs concept-tekst over haar rol in het gratiebeleid, maar uiteindelijk liet minister-president Lubbers (die op grond van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Koninklijk Huis in de correspondentie gekend was) de auteur via de ambtelijke kanalen weten dat hij tegen de definitieve versie van de tekst (voorzover die op het staatshoofd betrekking had) geen bezwaren meer had. Die mededeling is hoogst relevant: ze betekent dat alles wat De Jong over de invloed van de koningin op het gratiebeleid - en in het bijzonder over de gratiëring van de ter dood veroordeelde Duitser Willy Lages heeft geschreven - op officiële feiten steunt en dat ook zijn interpretatie van de motieven van de koningin met die feiten overeenstemt.

De feiten die De Jong over de gratiëring van Lages heeft gegeven komen in hoofdzaak hierop neer: Lages' doodvonnis was in mei 1950 in kracht van gewijsde gegaan, maar de koningin weigerde haar medewerking aan de tenuitvoerlegging. Nieuw onderzoek, op haar verzoek ingesteld, leverde voor Lages geen verzachting op. De Bijzondere Raad van Cassatie adviseerde tot afwijzing van zijn gratieverzoek. Maar in plaats van haar handtekening onder de afwijzingsbeschikking te plaatsen, legde zij het advies van de Bijzondere Raad voor nader advies voor aan de directeur van haar kabinet, mr. Marie-Anne Tellegen, een vooraanstaande figuur uit de voormalige illegaliteit, aan wier oordeel zij grote waarde hechtte. Deze adviseerde in januari 1952 (bijna twee jaar na de uitspraak van het Bijzondere Gerechtshof) tot gratiëring, onder meer op gronden van niet betrachte evenredigheid. Tegen de directie van de Nederlandse Spoorwegen die treinen voor de deportatie van de Amsterdamse joden aan Lages ter beschikking had gesteld, waren immers, zo voerde zij aan, niet eens zuiveringsmaatregelen getroffen. Nu de zaak zo lang had gesleept vond zij executie “in strijd met de gerechtigheid”.

Maar wie had de zaak zo lang laten slepen? Haar eigen superieur, de koningin. Koningin Juliana had niet alleen de voltrekking van het doodvonnis na een tweevoudige rechterlijke uitspraak getraineerd, maar ook haar constitutionele bevoegdheden geforceerd door de directeur van haar kabinet (die generlei constitutionele bevoegdheden bezat en zeker geen rechter was) daarna nog in het spel te betrekken. Het kabinet-Drees (waarin de juridische zwaargewicht L.A. Donker minister van justitie was) liet zich evenwel intimideren en wijdde twee vergaderingen van de ministerraad aan het advies van Tellegen (die slechts een ondergeschikte ambtenaar was, hoe formidabel zij verder ook mocht zijn) voordat het besloot aan het inzicht vast te houden dat de doodstraf in dit geval ten uitvoer moest worden gelegd.

De brief waarin dit standpunt werd meegedeeld, bracht, zo schrijft De Jong, geen wijziging in het standpunt van de koningin; daaraan toevoegend dat zij bij volharding van het kabinetsstandpunt, afstand zou doen van de troon. De Jong vindt dat laatste “een sterke troef!”. Kroonprinses Beatrix, schrijft hij, was pas veertien jaar en er zou dus, zo de koningin de daad bij het woord zou voegen, een regent(es) moeten worden benoemd. En het kabinet kon tegenover parlement en publieke opinie moeilijk rechtvaardigen dat het troonsafstand van Juliana had aanvaard louter terwille van de executie van een, zij het zeer beruchte, Duitse oorlogsmisdadiger.

Maar was het wel een sterke troef? Bestudering van de nu bekende documenten wettigt evengoed een tegengestelde conclusie: dat Juliana met haar constitutionele power play - waarover een volgende keer meer - onverantwoorde risico's nam, die haar dynastie in normale omstandigheden duur te staan hadden kunnen komen.