Sociaal rechercheur nu een keurig beroep

De gehate "tandenborstelteller' is verdwenen, maar in Nederland zoeken meer sociale rechercheurs dan ooit naar fraude met uitkeringen. De opvatting van de sociale diensten is ingrijpend gewijzigd: sociaal rechercheur is een geaccepteerd beroep geworden. Er wordt zelfs gewerkt aan waterdichte frauderegistratie.

De ambtenaar loopt even binnen bij de sociale recherche en reikt groepsleider J. Jacobs een papiertje aan met het kenteken van een auto. “Een gouden tip”, zegt hij voorbarig. “Een nieuwe Jaguar”. Jacobs legt uit dat deze ambtenaar in hetzelfde gebouw van de sociale dienst Nijmegen werkt op een kamer met uitzicht op het parkeerterrein. “Als hij toevallig een cliënt ziet die met zo'n dure auto langskomt om zijn bijstandsformulier in te vullen, geeft hij ons dat even door.”

Het is een kenmerkend voorbeeld van de veranderde mentaliteit in de benadering van uitkeringsgerechtigden. Tot voor kort was het beroep van sociaal rechercheur omstreden, niet zelden tot binnen de eigen sociale dienst. “Tandenborsteltellers”, werden ze genoemd. Naar aanleiding van de methoden om uitkeringstrekkers te betrappen op samenwonen, wat een reden kon zijn de uitkering te korten of stop te zetten.

Maar sinds de wetgeving is veranderd, is die impopulaire wijze van controleren nagenoeg nutteloos geworden. Daaraan verspillen de sociale rechercheurs hun energie niet meer. Hun belangstelling richt zich nu vooral op het voor de sociale dienst verzwegen werken door uitkeringstrekkers. Dat blijkt de laatste tijd een maatschappelijk volledig geaccepteerde controlevorm te zijn geworden.

Directeur S. van Driel van de Haagse sociale dienst schildert emotioneel de veranderde opvattingen. “Nog geen drie jaar geleden was de privacy van de cliënten het hoogste goed”, zegt hij. “Als je probeerde dat te relativeren, was je een gepatenteerde schoft. In een half jaar tijd is dat omgeslagen.”

Vergelijkbare geluiden zijn binnen vele gemeentelijke sociale diensten in heel Nederland te beluisteren. “Sociaal rechercheur is nu een keurig beroep”, zegt op het Ministerie van sociale zaken C. van der Laan van het directoraat-generaal sociale zekerheid, ontwikkeling fraudebestrijdingsbeleid. “We houden de controleurs voor dat ze hun bestaansrecht moeten bewijzen. We adviseren bijvoorbeeld jaarverslagen te maken die meer vertellen dan het aantal onderzoeken dat ze hebben gedaan. Ze moeten ook laten weten dat ze vaak stuiten op hele listige constructies, waarvan je zegt: dat is echt geen arm bijstandsmoedertje dat we te pakken hebben, dit is doortrapte criminaliteit.”

Begin 1987 introduceerde Sociale Zaken een financiële bijdrageregeling voor het aanstellen van sociale rechercheurs. Gemeenten kregen per duizend uitkeringsgerechtigden 80.000 gulden voor het aanstellen van een rechercheur. Samen met verbeterde wet- en regelgeving dient de controle volgens de financiële nota "sociale zekerheid 1990' eind van dit jaar een netto besparing te hebben opgeleverd van 2,3 miljard gulden.

Die bijdrageregeling gold tot januari 1991, maar ze is inmiddels verlengd met drie jaar omdat bij het ministerie de vrees bestond dat in vele gemeenten de ontwikkeling anders tot stilstand zou komen. Volgens Van der Laan wordt het nagestreefde aantal van één rechercheur per duizend uitkeringsgerechtigden landelijk inmiddels redelijk benaderd. Het aantal uitkeringstrekkers is de laatste jaren teruggelopen van 700.000 naar 600.000. Tegelijkertijd is het aantal rechercheurs de afgelopen vier jaar verdubbeld. Volgens het ministerie functioneren er op dit moment ongeveer 600 sociale rechercheurs, van wie een aantal in deeltijd.

De opleiding tot sociaal opsporingsambtenaar duurt een jaar, kost zo'n 6000 gulden en is georganiseerd door de bedrijfsverenigingen en door de vereniging van Directeuren van Overheidsorganen voor Sociale Arbeid (Divosa). Vooral politiemensen laten zich omscholen tot sociaal rechercheur. Maar ook uit de gemeentelijke sociale diensten zelf stromen nogal wat ambtenaren door naar de opsporingsfuncties.

Pag.15:

Fraudegevallen zijn nooit behoorlijk geregistreerd

Niet minder dan zestig procent van de tips waarop de sociale recherche onderzoek baseert, zijn afkomstig van de burgerij. De helft hiervan is anoniem. De rest komt uit de dienst zelf en van de politie. De regering zal nog voor Prinsjesdag beslissen of controle van werklozen binnenkort ook zal gebeuren aan de hand van hun sofi-nummer.

De taken van de sociale rechercheur laten zich globaal onderverdelen in administratief onderzoek, verhoren en observaties. Die laatste activiteit speelt zich nogal eens af op ongebruikelijke werktijden: vroeg in de ochtend en laat op de avond, afhankelijk van de bedrijfstak waarin de verdachte zich beweegt. Zo is het nog voor half acht 's ochtends als we met groepsleider J. Jacobs van de sociale recherche in Nijmegen en één van zijn rechercheurs een bestelbus volgen. De eigenaar van de bus heeft al negen jaar een bijstandsuitkering en wordt er sinds een paar maanden van verdacht als aannemer aan de slag te zijn. Vrijwel dagelijks worden zijn gangen nagegaan. Vandaag is het de volgers al na twee minuten duidelijk dat de man op weg is naar de plek waar hij zijn materiaal ophaalt en vaak een of twee maats oppikt. Via een andere route rijden we naar dat punt en parkeren strategisch: verscholen met zicht op de bus.

“Er vallen wel mensen door de mand die ons achteraf bedanken”, doodt Jacobs de wachttijd. “Na maanden of zelfs jaren knoeien valt er een last van ze af. We stellen dan de omvang van de fraude vast, er volgt een terugvordering en soms strafrechtelijke vervolging. Maar daarna voelen ze zich bevrijd.” Dan start hij de motor want het bestelbusje zet zich weer in beweging. In strijd met de verwachting rijdt de verdachte vlak voor ons langs. Zijn we gesignaleerd? Of gaat de verdachte alleen maar naar een nog niet eerder gekozen bestemming?

,Heb je je paspoort bij je?” duidt de rechercheur de ongelimiteerde mogelijkheden aan. Maar de bus stopt nog binnen Nijmegen bij een villa die in de steigers staat en waar al druk wordt gewerkt. Het ritueel van verdekt parkeren en wachten, herhaalt zich. De rechercheur gaat lopend polshoogte nemen. Zijn bevindingen worden later ingesproken op een casetterecorder. Als de activiteiten van de uitkeringstrekker straks voldoende duidelijk zijn, wordt hij opgeroepen voor een verhoor en geconfronteerd met de waarnemingen. “Het mooiste is dan als hij onze constateringen bevestigt en het liefst ook toegeeft als er nog meer aan de hand is.” Arrestaties zijn vrijwel nooit nodig.

De sociale recherche pakt jaarlijks ongeveer 25.000 zaken aan. Nadere cijfers ontbreken. Nooit is er tot nog toe sprake geweest van behoorlijke frauderegistratie. Volgens C. van der Laan van Sociale Zaken is er vier jaar “aangemodderd” op basis van vrijwillige inbreng van gegevens door de gemeenten. “Maar zoals de gemeentebesturen tot voor kort moeite hadden met het fenomeen sociale recherche, hadden ze ook moeite met frauderegistratie.”

Vanaf het begin van dit jaar heeft Sociale Zaken de opgave van de door de gemeenten onderzochte fraudes verplicht gesteld. Van der Laan: “Hopelijk komt er nu in 1991 voor het eerst een fraudestatistiek.”

In Groningen is H.S. de Jong als chef juridische zaken verantwoordelijk voor de sociale recherche. Hij voert in de stad op dit moment een steekproef uit om een inzicht te krijgen in het fraudepercentage. Die behoefte is ingegeven door de sensationele fraudecijfers waarmee hier en daar wordt geschermd. Het voorbarig interpreteren van een vergelijking van belastinggegevens met cijfers van de sociale dienst in Amsterdam begin dit jaar, leidde bijvoorbeeld tot de suggestie dat in die stad 80 procent van de uitkeringstrekkers zou frauderen. De sociale dienst in de hoofdstad heeft zich van dit cijfer inmiddels gedistantieerd en heeft twee jaar uitgetrokken om te achterhalen op welk percentage men uiteindelijk zal uitkomen.

“Alle cliënten die rechtmatig een uitkering krijgen, hebben eigenlijk recht op zo'n onderzoek”, zegt De Jong in Groningen. “Anders blijven ook zij verdacht.” Zijn vrees voor een hoog fraudepercentage in zijn stad berust op het feit dat Groningen niet de landelijke norm van één rechercheur per duizend uitkeringstrekkers volgt. In dat geval zou De Jong beschikken over zeventien sociale rechercheurs. Nu heeft hij er zeven en daarbij zal het wel blijven. De gemeenten hebben de vrijheid om een deel van de subsidie van Sociale Zaken te besteden voor andere doeleinden binnen de sociale controle.

De Jong baseert zijn vrees ook op ervaring. De sociale recherche in Groningen heeft bijvoorbeeld ieder telefoonnummer in advertenties met aanbiedingen van sexuele diensten nagetrokken. Met als spectaculaire uitkomst dat zich achter ieder nummer een uitkeringsgerechtigde bleek te bevinden.

“De bijstandswet is prachtig”, reageert De Jong. “Internationaal gezien is het een juweeltje. Maar voor een toenemend aantal burgers is de verleiding er misbruik van te maken kennelijk te groot. Heb je hart voor het sociale zekerheidsstelsel en wil je dat betaalbaar houden, dan moet je ook op de bres staan voor de fraudebestrijding. Hier in de stad is een café met daarboven drie slaapkamers. Op een bepaald moment bleken op dat adres zeventien uitkeringen binnen te komen. Er is ook een tijdlang een uitkering verstrekt op het adres van een gezonken woonboot. Met het thuis bezoeken van cliënten kun je dergelijke toestanden voorkomen. Daarvan gaat ook een enorme preventieve werking uit. Maar daarvoor moet je dan wel de mankracht hebben. Ik denk dat met preventie de grootste winst is te halen. Daarmee voorkom je ook situaties dat fraudes jaren lopen, wat na ontdekking weer leidt tot eindeloze periodes van terugbetaling. Theoretisch kan je dat dertig jaar volhouden, maar de praktijk is dat er weinig valt te halen.”

Dat sociale fraude in het verleden heel lang kon worden volgehouden, wordt in Groningen ook duidelijk. Een echtpaar kreeg tot 1980 een gezinsuitkering en besloot toen tot een scheiding. In april 1991 bekeurde een agent van de gemeentepolitie de man voor een verkeersovertreding. Toen werd duidelijk dat hij een sloop en bouwbedrijf runde. Omdat er nog steeds sprake was van een uitkering begon de sociale recherche een onderzoek.

Sind 1985 bleek de man bij de Kamer van Koophandel geregistreerd te staan als eigenaar van een sloopbedrijf. Toen de sociale recherche hem opzocht bleek dat op zijn adres twee studentes woonden, huur 750 gulden per maand. De meisjes verklaarden dat een van de huurcondities was, dat zij zich niet zouden inschrijven bij de afdeling bevolking teeinde de uitkering van hun huisbaas niet in gevaar te brengen. Die bleek sinds 1 oktober 1987 bij zijn ex te wonen. De vrouw genoot ook een uitkering, ondanks dat ze meewerkte in het bedrijf van haar voormalige man.

Over een boekhouding bleek het sloopbedrijf niet te beschikken. Wel legde de sociale recherche beslag op een groot aantal facturen, waaruit duidelijk werd dat het bedrijf al functioneerde sinds 1982. BTW was al die tijd wel in rekening gebracht bij de klanten, maar nooit afgedragen. Dat laatste gold ook voor belasting en premies. Het was volstrekt duidelijk dat er geen sprake kon zijn van enig recht op bijstand. De zaak is in mei van dit jaar in handen gegeven van de strafrechter en loopt nog. Daarnaast heeft de afdeling terugvordering van de sociale dienst in Groningen een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter om de bijstand van de vrouw terug te vorderen, een bedrag van 61.000 gulden. Omdat zij samenwoonde had zij recht op de helft van de "gehuwdennorm'. Het terugvorderen van meer geld wordt nog bestudeerd, maar “dat is vrijwel ondoenlijk”. Vooral door het ontbreken van een boekhouding binnen het sloopbedrijf.

Op het Ministerie van sociale zaken stelt Van der Laan tevreden vast dat het imago van "tandenborsteltellers' volledig is verdwenen. Maar die onder de sociale recherchers tot frustraties leidende betiteling is vooral niet meer van toepassing door veranderde wetgeving (per 1 januari 1987). Rechercheurs in vele gemeenten zeggen dat de nieuwe wetgeving het aantonen van verzwegen samenwonen nagenoeg onmogelijk maakt. “Van een gezamenlijke huishouding (...) kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaar verzorging voorzien”, luidt het wetsartikel 5a2 dat volgens de rechercheurs het leveren van bewijs nagenoeg onmogelijk zou maken.

Als drie uitkeringstrekkers in hetzelfde huis wonen, kan er voor ieder van hen sprake zijn van vijf verschillende situaties die allemaal zijn gekoppeld aan een ander uitkeringspercentage. Twee kunnen er met elkaar getrouwd zijn of een gezamenlijke huishouding onderhouden volgens 5a2. De andere mogelijkheden zijn: woningdeler, kostganger, onderhuurder of zelfstandig bewoner. Vanaf 1 juli kan het uitkeringsverschil tussen de 5a2-status en een zelfstandig bewoner oplopen tot ƒ332,10 per maand.

“Stiekum te werk gaan is bij de controles een must”, zegt sociale rechercheur M. Duijzings als we in zijn dienstauto door Valkenburg rijden. “Je kunt de verdachten zeer intensief controleren zonder dat ze het merken. Maar soms als ik het bewijs niet hard krijgt, ga ik ze heel opvallend controleren. Dan is er een kans dat ze bang worden en stoppen met frauderen. Daar gaat het tenslotte om.” Soms rijdt hij 120 kilometer diep België in, achter bouwvakkers met een uitkering aan om ze te betrappen bij het "voegen' van een muurtje.“De klandestiene voeger is hier klassiek”, zegt de coördinator van het regionaal bureau sociale recherche in Maastricht, A. van Rassel. “In de bouw wordt a-priori wat vaker gefraudeerd.” Zijn dienst heeft veelvuldig te maken met het werken in Duitsland en België. “Vorig jaar zijn we 's ochtends op een onchristelijk tijdstip aan de grens gaan staan om de nummers van passerende auto's te registreren. We noteerden 2.100 kentekens en dat leidde tot 80 connecties met uitkeringen. Dat is niet zo veel, ook al omdat met die registratie nog geen fraude is vastgesteld. Die cijfers hebben ons wel gesterkt in de mening dat de meeste werkers worden opgehaald met Duitse busjes.”

Langzaam rijdt rechercheur Duijzings langs een zijstraat en we zien een gloednieuwe terreinauto geparkeerd staan. “Dat is een wagen van zeker 40.000 gulden en die staat iedere dag voor de deur van een bijstandstrekker”, zegt Duijzings nadat hij de informatie heeft toevertrouwd aan zijn cassetterecorder. “We proberen nu hard te maken dat de uitkeringsgerechtigde de feitelijke eigenaar is. Maar de fraudeurs worden steeds listiger. In een verhoor hebben ze hun antwoord altijd klaar, dan gaat het er weleens stevig aan toe. Mannen zijn het hardst, vrouwen gaan sneller overstag.”

Met negen collega's functioneert Duijzings onder supervisie van Van Rassel in het "samenwerkingsverband Heuvelland gemeenten', waarbinnen zeven kleine gemeenten samen met Maastricht een afdeling sociale recherche onderhouden. Het is een constructie die ook op een aantal andere plaatsen in het land wordt gehanteerd. Hier gaat het om een ingewikkeld samenwerkingsverband omdat ieder van de betrokken gemeenten recht nu eenmaal heeft op de werkkracht van één sociale rechercheur per duizend uitkeringsgerechtigden. Zo kan de gemeente Gulpen met zijn 130 uitkeringstrekkers, op ruim 7000 inwoners, rechten doen gelden op een kwart rechercheur.

De opvattingen over de positie en functies van sociale recherche verschillen van gemeente tot gemeente. Den Haag bedient zich uitsluitend van “bijzondere controleurs”, ambtenaren zonder opsporingsbevoegdheid. In Utrecht houdt sinds 1 januari van dit jaar de gemeentepolitie zich rechtstreeks bezig met uitkeringsfraude. De voorkeur bij het Ministerie van sociale zaken gaat uit naar de situatie van een sociale recherche die verbonden is aan de sociale dienst. In tachtig procent van de gemeenten is dat de situatie.

Van der Laan: “Als de sociale recherche stuit op andere criminaliteit naast uitkeringsfraude is het vroeg genoeg voor samenwerking met de Fiod, de bedrijfsverenigingen en de reguliere politie. Maar ook de aanpak van Utrecht is aanvaardbaar, wij schrijven dat niet voor.”

Het ministerie adviseert ook anonieme tips die “objectief te controleren feiten bevatten” te benutten bij de opsporing. In Groningen gebeurt dat alleen als het gaat om zaken waarin al een onderzoek loopt. Nijmegen bedient zich helemaal niet van deze methode. En in bijvoorbeeld Maastricht en Den Haag is de anonieme tip een volledig geaccepteerd hulpmiddel. “Stel nou dat het gaat over een zaak waar een hele straat van op de hoogte is”, zegt de directeur van de sociale dienst in Den Haag, S. van Driel. “Als je er dan niks aan doet, krijg je twijfels aan de wortels van de samenleving.”

“Politici hebben geen geheugen”, berijdt Van Driel een stokpaardje. “Jaren hebben we geprobeerd gegevens over cliënten in handen te krijgen via de belastdingdienst. Nou dat was me wat. Nu worden we aan de schandpaal genageld als we geen twintig man vrijmaken om belastinggegevens te vergelijken.”

Op zijn kamer hoog in het gebouw van de sociale dienst in Maastricht kan coördinator Van Rassel die mening bevestigen. Zijn team maakt al enkele jaren gebruik van belastinggegevens voor vergelijkend onderzoek. “Maar toen we dat project startten, moest dat wel stilletjes”, aldus Van Rassel. “Want maatschappelijk was die methode niet te verkopen. Het systeem bleek succesvol, maar je vangt natuurlijk alleen de wit-werkers.”

Het is een van de redenen waarom directeur Van Driel in Den Haag meer verwacht van een koppeling van gegevens van zijn dienst aan die van de ziekenfondsen. “Dan kan je de uitkeringen vergelijken met de perioden waarin mensen hebben gewerkt. Dat is veel meer up-to-date, je werkt nu nog met de belastinggegevens van 1989.”