Memoires (21)

Mijn eigen naam! Hoe had ik die over het hoofd kunnen zien? Op zoek naar mezelf, was ik mezelf opnieuw vergeten.

Tussen alle namen die ik had opgeschreven als geheugensteun, straalde de mijne plotseling als een lichtreclame, groot en onvermijdelijk. Ik kon er niet meer omheen. Ik wist wat ik me moest herinneren.

In mijn gedachten ging ik terug naar 10 maart 1966. Ik zag mezelf staan temidden van enorme lampen en kabels en flitsinstallaties. Ik droeg een te nauw kostuum, geleend voor de gelegenheid, en voelde zweetdruppels langzaam over mijn voorhoofd lopen. De mannen om mij heen waren net zo nerveus als ik, maar om een andere reden. We stonden in de grote zaal van het paleis op de Dam en wachtten op de koninklijke familie en haar gevolg. Buiten waren de rellen begonnen.

Ik was fotograaf en ze hadden mij gevraagd om adviezen te geven bij de officiële huwelijksfoto's van Beatrix en Claus. Veel tijd om erover na te denken had ik niet gehad en ik had snel ja gezegd. De opdracht interesseerde me en bovendien kon ik het geld gebruiken; ik was gescheiden en had twee kinderen. Voor een man van mijn leeftijd (ik was 29) stond een dergelijke beslissing ongeveer gelijk aan collaboratie. Het waren de jaren dat iedereen zich over alles wat hij deed tegenover anderen moest verantwoorden, en ik had eenvoudig geen excuus. Daarom was ik zenuwachtig, niet uit ontzag voor de Koningin.

Achteraf heeft het allemaal geen betekenis meer, maar in die tijd werd de lijn tussen goed en kwaad met vaste hand getrokken. Het waren de jaren van de persoonlijke mythen, die tot op de dag van vandaag voortleven. De student die een onterechte klap met een gummiknuppel kreeg, stond van het ene moment op het andere te boek als een onvervalste martelaar, leerling-acteurs die oudere collega's met tomaten bekogelden vormden de stoottroepen van een culturele avantgarde, jonge kunstenaars die burgerlijke manifestaties en concerten verstoorden, vertegenwoordigden de complete romantische traditie van het rebelse genie, mannen die drie vrouwen tegelijk neukten, maakten op deze manier korte metten met oude machtstructuren. Niemand was zichzelf in die jaren, iedereen was groter dan hij was; alles wat je deed, stond eigenlijk ergens anders voor. De eenvoudigste persoonlijke handeling was een universele daad van verzet en verraad.

Nu ik eraan terugdenk, merk ik dat er onwillekeurig verbittering doorklinkt in mijn woorden. Schuldgevoel, nog steeds. Terwijl mijn vrienden nog geen honderd meter verderop vanaf daken en balkons de opstandige meute fotografeerden en het traangas in hun ogen voelden, adviseerde ik Max Koot over de sluitertijd van de officiële staatsieportretten. In de jaren daarvoor had ik veelbesproken reportages in Afrika en, natuurlijk, op Cuba gemaakt, maar op 10 maart '66 verspeelde ik achteloos alle krediet dat ze me hadden bezorgd.

In oktober van dat jaar zou Tien over rood verschijnen, waarin aanstormende politici eisten dat de monarchie na de dood van Juliana zou worden afgeschaft (naast een volledige studiekostenvergoeding door de staat en erkenning van de DDR). Mijn aanwezigheid in het paleis die ochtend was onverenigbaar met de heersende linkse moraal, die keer op keer verward werd met ideologie. Vanaf die dag was ik fout door associatie met de vijand, vooral voor mezelf, ik beschouwde mezelf bijna net zo fout als De Telegraaf. Ik had natuurlijk wel een excuus: ik was fotograaf, verslaggever in beelden. Ik registreerde, net als mijn vrienden op de daken was ik niet persoonlijk betrokken. (Natuurlijk is het allemaal een kwestie van context gebleken; vandaag zijn het de voormalige Nieuw Linksers die hun ongelijk en hun politieke absurdismen in hun gezicht geduwd krijgen. Niemand roept meer om de afschaffing van het koningshuis. En toch voel ik me nog steeds schuldig.)

Beatrix en Claus werden binnengeleid, samen met de Koningin en prins Bernhard. De mannen om mij heen legden de handenwrijvende nervositeit aan de dag die de aanwezigheid van het koninklijk huis altijd lijkt op te roepen. Een van hen zwaaide onthutst met zijn armen en riep, majesteit, past u op voor die kabels! Ik heb twee ogen, meneer, bitste Juliana en nam een enorme stap.

Door mijn gebrek aan ontzag kreeg ik iedereen snel op de juiste plaats en de foto's waren snel genomen. (Later volgde nog een sessie met alle genodigden; ik sprak lang over fotografie met een vriendelijke man die later Boudewijn van België bleek te zijn; ik herkende hem niet omdat hij voor het eerst contactlenzen droeg). Beatrix in haar witte jurk was kribbig en een beetje nuffig; allemaal nervositeit, riepen de mannen om mij heen, ze is echt heel zenuwachtig.

Toen mijn werk gedaan was, liep ik terug naar mijn huis op de Keizersgracht door de schreeuwende menigte. Er werd met straatklinkers gegooid. Politiemannen te paard reden hysterisch op grote groepen mannen en vrouwen in. Ik werd opzij geduwd en kreeg een klap met een knuppel. Op de straten lag gebroken glas. Terwijl het in mijn hoofd nog nasuisde, overviel me een gevoel dat ik in mijn leven al zo vaak gehad heb: ik maakte geen deel uit van wat er om mij heen gebeurde. Niet dat ik me bewust afzijdig hield, het was eerder iets dat van buitenaf bepaald leek. Het was mijn omgeving die me niet toeliet, die me de werkelijke ervaring onthield.

In de buurt van het Spui schoot ik een café binnen. Het zat er vol mensen die het straatrumoer waren ontvlucht. Ik stond met een pilsje in een hoek en keek naar een gezin aan tafel. Toe, zei de jonge moeder tegen een klein jongetje met een rond, meisjesachtig gezicht, doe Beatrix nog een keer. Het jongetje hield zijn gezicht scheef, zijn ogen schoten vol gespeelde tranen van geluk en zijn lippen begonnen te trillen; hij lachte en huilde tegelijk. Het gezin aan tafel lachte hard. Ik keek naar het kind. Ik was verbijsterd. Ik herkende het jongetje zonder het te kennen.