MANNEN ZEGGEN ANDERS ”MHM' DAN VROUWEN

Vrouwentaal, feiten en verzinsels door Dédé Brouwer 118 blz., Aramith 1991, f 19,90 ISBN 90 683 4087 5

Het gewicht van de directrice. Taal over, tegen en door vrouwen door Agnes Verbiest 134 blz., Contact 1991, f 17,90 ISBN 90 254 6908 6

Het is een heel wonderlijk gegeven: tussen ongeveer hun vijfde en vijftiende jaar praten jongens en meisjes bijzonder weinig met elkaar. Ze trekken in die periode vooral met hun seksegenootjes op. Ondertussen staat hun ontwikkeling natuurlijk bepaald niet stil, alleen gaan jongens-onder-elkaar een andere kant op dan meisjes-onder-elkaar. Het verschil zit hem vooral in de dingen die ze doen en in de manier waarop ze met elkaar omgaan. Iedereen kent het clichébeeld van aan de ene kant herrieschoppende, over-actieve jongetjes die elkaar aan één stuk door lopen af te troeven bij hun wilde spelletjes, en aan de andere kant bedaarde meisjes die samen in een hoekje heel serieus zitten te spelen of alleen maar te kletsen. Laat de uitzonderingen even buiten beschouwing, en je ziet duidelijk twee verschillende culturen. Gevolg: wanneer de twee geslachten elkaar in hun puberteit weer interessant gaan vinden, krijg je een heuse culture clash.

Een razend interessant onderzoeksterrein voor socio-biologen of antropologen, zou je zeggen, maar in de praktijk is het vaak de vrouwentaal-tak van de sociolinguïstiek die zich ermee bezig blijkt te houden. Taal is dan de invalshoek en dat leidt al gauw tot een soort omkering van zaken. Twee boekjes die onlangs vlak na elkaar verschenen, Vrouwentaal van Dédé Brouwer en Het gewicht van directrice door Agnes Verbiest, laten dat weer zien. Beide auteurs hebben het woordenboek uitgespit op woorden met ”man' en woorden met ”vrouw' erin. En ja hoor, wat komt daaruit: er zijn verschillen. Je hebt wel ”manloos', maar niet ”vrouwloos' bijvoorbeeld, en wel ”vrouwenlichaam' maar niet ”mannenlichaam'.

Dit wordt breeduit en op hoge toon uitgemeten. Zie-je-wel-zie-je-wel, lees ik voortdurend tussen de regels door. Brouwers klinkt bozer en rancuneuzer dan Verbiest, die over alles een jolig sausje heeft gegoten, maar de schrijfsters zijn duidelijk alletwee van mening dat ze iets bewijzen. Maar wat bewijzen ze nou? Dat mannen en vrouwen in de maatschappij niet dezelfde plaats innemen, mag zo langzamerhand toch wel een open deur heten, en dat je de verschillen teruggvindt in de woordenschat, is op zijn zachtst gezegd nogal wiedes. Het zou ook ronduit dom zijn te verwachten dat je de heersende verhoudingen niet in de voorbeeldzinnen van woordenboeken tegenkomt. Zo is inderdaad - Brouwer merkt het zelf op - in de Dikke Van Dale ”de meid is aan de afwas' een druk later ”zij is aan de afwas' geworden, en nog een druk verder ”hij heeft de afwas weer laten staan'. Een volgende druk zal ongetwijfeld opnieuw de maatschappelijke ontwikkelingen volgen.

Andere woorden maken geen andere wereld, het is juist omgekeerd: verandert er iets in de wereld, dan komt daar altijd een woord voor. Sterft iets uit, dan sterft het woord ook uit, of het krijgt een andere betekenis. Dat gebeurt vanzelf, of je er nou voor bent of juist tegen. Taal laat zich slecht sturen. En het woordenboek hobbelt automatisch altijd achter de feiten aan. Brouwer en Verbiest weten dat natuurlijk eigenlijk allemaal best. Ze zijn ook geen van tweeën fervent voorstander van het invoeren van de timmervrouw en de dokteres, al was het alleen al, zoals Brouwer terecht opmerkt, omdat je vaak niet weet welk achtervoegsel je moet kiezen: ”hoofdes' (zoals in voogdes), ”hoofdin' (zoals in waardin)? En: ””Precies het feit dat er over vervrouwelijking wordt geredetwist en bewuste keuzen moeten worden gemaakt, wijst erop dat dit niet meer als vanzelfsprekend tot ons taalgevoel behoort.'' Zulke taalveranderingen maken er weinig kans op in het taalgebruik door te dringen: het eeuwen geleden bedachte onderscheid tussen ”hun' en ”hen' doet nog altijd bedacht aan, en vereist bij bijna iedereen nadenken of opzoeken voordat ze het kunnen gebruiken.

Beide schrijfsters vermelden nog een ander nadeel van exclusief vrouwelijke termen: ze leveren dikwijls een ”lagere gevoelswaarde' op. Secretaris-secretaresse is daar een bekend voorbeeld van, maar volgens Verbiest legt een directrice ook minder gewicht in de schaal dan een directeur (vandaar de titel van haar boek). Dit punt bewijst alleen maar eens te meer dat het geen enkele zin heeft je met benamingen bezig te houden: zolang de maatschappij mannen en vrouwen verschillend bekijkt, zal ze ze verschillend benoemen. Wat Brouwer en Verbiest met hun verongelijkte boosheid over woorden denken te bereiken, is dan ook een raadsel, net zoals het nergens duidelijk wordt op wie ze nu toch zo boos zijn. Wie is toch die opperseksist die het allemaal bedacht heeft? Let wel: in een maatschappij die voor iets meer dan de helft uit vrouwen bestaat. Een interessant punt, waaraan consequent voorbij wordt gegaan.

Benamingen zijn maar één gebiedje dat in het vrouwentaalonderzoek telkens terugkomt. In welke opzichten vrouwen anders praten dan mannen, is een ander. Vroeger, ook in deze eeuw nog, zijn daar al mooie seksistische dingen over gezegd. In beide boekjes wordt de taalkundige Jacques Van Ginneken aangehaald. De vrouwtjes zijn babbelziek, kuis (ze gebruiken geen krachttermen) en gevoelig (ze zeggen ”honnig' en ”vreselijk mooi') volgens Van Ginneken in 1915. En leeghoofdjes natuurlijk: ze kennen minder woorden, kunnen geen moeilijke zinnen bouwen en logica of het vermogen onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken ontbreekt. Ik moet daar vooral van grinneken. Maar nog steeds komt uit opgenomen en vervolgens uitgeschreven gesprekken naar voren dat mannen zich stelliger uitdrukken, en dat vrouwen meer verkleinwoordjes gebruiken, minder aan het woord zijn dan mannen, (dus) minder interrumperen, en meer vragen stellen. Ook moedigen ze degene met wie ze praten vaker aan met uitingen als ”mhm” en ”ja' en dergelijke.

Dat vrouwen er een rudimentaire grammatica op nahouden, mag een idee zijn dat alleen nog op de lachspieren werkt, maar hoe zit het met die andere dingen? Wat zeggen die nu precies? Anders dan in het geval van de grammatica hebben ze met taal niet zoveel te maken. Het gaat veeleer om gedrag. Is dat aangeboren? Of aangeleerd in die jaren tussen je vijfde en je vijftiende, wanneer je aldoor met seksegenootjes praat? Of is dat tijdelijke ”terugtrekken' ook weer aangeboren? Volgens mij zitten de crux en de interessante vragen hier niet in de taal zelf. Mannen en vrouwen (in één taalgemeenschap tenminste) spreken wel degelijk dezelfde taal. De systemen die ze gebruiken, zijn exact gelijk: mannen kunnen ook heus wel verkleinen en vragen stellen, en ”mhm' zeggen tijdens een gesprek. (Wat dat laatste betreft: het schijnt dat mannen werkelijk willen instemmen met wat iemand zegt als ze instemmend hummen, terwijl vrouwen niet meer hoeven te bedoelen dan ”ja, ik luister nog, ga door'.) Mannen hebben dus een andere houding. Ze praten ook met andere doelen voor ogen: ze willen scoren, winnen, terwijl vrouwen het graag gezellig houden en liever overleggen om het uiteindelijk eens te worden. Karikaturaal? Ja, dat vind ik ook, en ik ken ook heel wat mensen die niet direct voldoen aan dit beeld. Maar in een karikatuur herken je ook het origineel, en er zal dus zeker iets inzitten. Dat de verschillen altijd en overal opgaan, is natuurlijk ook nooit vast te stellen. Onderzoek naar gesprekken is lastig. Als iets niet op een bandje staat, betekent dat nog niet dat het ook echt niet voorkomt. Je kunt niet alle soorten gesprekken met alle soorten gezelschappen opnemen. Vloekt en scheldt u nog lekker tegen uw partner als er een bandje meeloopt? En wie weet hoeveel lieve verkleinwoordjes mannen in bed fluisteren. Veel van de gegevens tot dusver komen bovendien uit Amerika, uit een andere cultuur dus.

Problemen waar Verbiest in haar opgewekte stijltje vrolijk overheen fietst. De lezer krijgt alles als zonder meer waar voorgeschoteld. Verbiest laat trouwens op de tweede bladzijde van haar boek al zien totaal geen kaas van taalkunde te hebben gegeten. Daar meldt ze namelijk dat alle onderzoek naar taal tot dusver altijd door, over en voor mannen was. Haar groteske conclusie verdient het geciteerd te worden: ””Dat weten we dus allemaal al min of meer.'' Wat doet iemand die er zo weinig benul van heeft, op dit terrein, vraag je je af. Toen ik verderop nog las dat de grammatica de vorm ”loodgieter' voor een loodgieter voorschrijft, heb ik maar eens hartelijk gelachen.

Brouwer heeft gelukkig wel een wetenschappelijk geweten dat af en toe een woordje meespreekt. Na de ellenlange uitweiding over het woordenboek, waar de onverzoenlijkheid vanaf spat, verandert haar boek ineens volkomen van toon en inhoud. Op de laatste tientallen bladzijden volgt een keurige, van kanttekeningen voorziene samenvatting van het vrouwentaalonderzoek tot dusver. Alles op een rijtje: de vrouwelijke neiging ”netter' te praten dan mannen (dat wil zeggen: ze gaan met hun uitspraak dichter tegen de standaardtaal aanzitten), het rare feit dat mannen makkelijk hoger en vrouwen makkelijk lager zouden kunnen spreken dan ze doen, de onderzoekjes waaruit blijkt dat vrouwen negatiever tegen ruwe taal aankijken dan mannen. Bij alles vertelt Brouwer waar en hoe het onderzoek is gedaan, hoeveel mensen eraan meededen etcetera. Zo kun je de conclusies tenminste naar waarde schatten. Aardig is dat ze ook Je begrijpt me gewoon niet, de tophit van Deborah Tannen, in een paar bladzijden navertelt. Dat scheelt honderden pagina's op elkaar lijkende anekdotes en uit de literatuur geplukte dialogen. Als het onderwerp u interesseert dan kunt u het beste het laatste deel van Brouwers Vrouwentaal lezen. Verbiest en Tannen kunt u gevoeglijk laten zitten.