Liri Belishova, terug in Tirana na dertig jaar deportatie; "In Albanie hebben we de chef altijd vertrouwd'

Heilig geloofde ze als elf-jarig meisje in de glorieuze wereld uit de romans van Maksim Gorki. Op haar zeventiende werd ze lid van de communistische partij, die haar al snel naar de top van de Albanese hiërarchie bracht: "Vrijheid en onafhankelijkheid waren de aspiraties van ons volk, van onze schrijvers en dichters, en de enige partij die daarvoor opkwam was de communistische.' Maar haar persoonlijke vrijheid werd haar juist door de partij ontnomen. Dertig jaar geleden verdween Liri Belishova en pas dit voorjaar keerde ze uit haar deportatieoord terug naar Tirana.

Ze is een heel kleine vrouw, onopvallend, krom van de ouderdom, altijd in het zwart gekleed, met grijs haar en een bril en één onwillig oog. In de altijd overvolle straten van Tirana, waar de helft van de bevolking flaneert en de andere helft langs de kant van de straat in de schaduw van de hoge pijnbomen zit, pratend over de misère van alledag, loop je haar makkelijk voorbij: een oude vrouw in het zwart, er lopen er zoveel.

Dertig jaar lang hebben Albanië-deskundigen gedacht dat ze dood was: Liri Belishova, in de jaren vijftig lid van het politburo van Enver Hoxha's stalinistische Partij van de Arbeid van Albanië, was in ongenade gevallen en volgens geruchten door wurging geëxecuteerd: van Liri Belishova heeft sinds 1961 niemand meer gehoord.

Maar ze was niet dood: ze leeft, 65 jaar oud, met haar man - haar tweede man -, met haar broers en met haar nichtjes in een flatje in het centrum van Tirana. Haar lijdensweg, begonnen met haar val in 1961, is voorbij, sinds ze in maart terug is uit haar ballingschap, haar deportatie. Bitter is ze, zegt ze, bitter om de afgelopen dertig jaar, en bitter omdat de dromen van haar jeugd nooit zijn uitgekomen.

Die dromen hebben haar bezield sinds ze als kind romans van Maksim Gorki las en weliswaar niet wist wat het socialisme precies voorstelde, maar wel dat de glorieuze wereld in de boeken van Gorki de wereld was waar ze naar verlangde. Elf jaar oud was ze toen. Toen ze vijftien was, in 1941, sloot ze zich aan bij de communistische jeugdbeweging, twee jaar later, op 23 februari 1943, werd ze lid van de partij. Een kleine partij, twee jaar oud pas, een partij van niets, maar wel een met een grote uitstraling, vooral op de jeugd van het bezette Albanië. ""Twee keer ben ik van school getrapt. Ik organiseerde demonstraties tegen het fascisme in een tijd waarin met scherp op betogers werd geschoten, ik heb er een oog mee verspeeld, ik kan je tachtig littekens laten zien, van granaatscherven.'' De partij was onze droom, zegt ze, Albanië was tijdens zijn hele geschiedenis onderdrukt, maar geen enkele onderdrukker had Albanië kunnen vernietigen, vrijheid en onafhankelijkheid waren de aspiraties van ons volk, van onze schrijvers en dichters, en de enige partij die daarvoor opkwam was de communistische.

De jeugd stond toen massaal achter de communistische partij, zegt ze. ""Albanië was de dode vijver van Europa, Albanezen schaamden zich om zich als Albanezen bekend te maken als ze in het buitenland waren. Dit was een land van analfabeten en malaria, een land zonder universiteit, zonder gezondheidsdienst, zonder industrie. We waren een vroegrijpe generatie, we hadden idealen, en als die idealen ergens terug te vinden waren, dan in de leuzen van de partij. Voor die idealen waren in de oorlog onze vrienden gesneuveld, de beste Albanezen. Socialisme zei ons niets. Maar onze denkbeelden waren glashelder, we geloofden met heel ons hart in zelfopoffering voor ons land.''

Nako Spiro

In augustus 1944 werd Liri Belishova secretaris van de jeugdorganisatie van de partij. Ze trok op en trouwde met Nako Spiro, een van de kopstukken van de partij die toen al werd geleid door Enver Hoxha. Nako Spiro, zegt ze, was een reus in een klein land, een grote persoonlijkheid, hij had zelfs nog de bewondering gewekt van Ismail Qemal, de man die in 1912 de Albanese onafhankelijkheid uitriep. In het politburo was Spiro verantwoordelijk voor de economie. Zij zelf werd, hoewel ze geen lid was, vaak bij discussies in het politburo geroepen.

De partij stond in die eerste jaren na de oorlog volledig onder Joegoslavische controle. In 1947 kwam de eerste grote tegenslag in het leven van Liri Belishova. ""In de herfst eiste Tito in twee brieven het aftreden van Spiro. De eerste brief was nog gematigd. De tweede was heel hard. Volgens Tito was Spiro een vijand van het volk, een handlanger van het imperialisme, een tegenstander van de Joegoslavisch-Albanese vriendschap.''

En Hoxha, zegt Liri Belishova, liet Spiro vallen. ""Het was de eerste keer dat Hoxha aantoonde geen principes te hebben. Het was de eerste keer dat hij bewees een politiek avonturier te zijn, wiens stoel belangrijker was dan zijn principes.''. Op 12 november 1947, om vijf minuten voor acht, pleegde Spiro zelfmoord, vijf minuten voordat het politburo Tito's brief zou bespreken. Hij was nog naar Hoxha gegaan om de zaak te bespreken, maar Hoxha wierp de deur dicht en weigerde hem de drie dagen te geven die hij vroeg om zijn verdediging voor te bereiden. ""Hij ging naar zijn kantoor in het staatsplanbureau en pleegde zelfmoord. Zijn laatste woorden waren: ik wil niet belachelijk worden gemaakt in de ogen van het volk.''

De val van Spiro werd de val van Liri Belishova. ""Na een week riep Hoxha me bij zich. Samen met Koçi Xoxe, de tweede man van de partij, maakte hij Spiro uit voor vijand van het volk, ik moest vertellen van de samenzweringen die Spiro had geleid. Maar ik wist van niets.'' Ik werd vanaf die dag niet meer bij de discussies van het politburo genodigd, zegt ze, ze stuurden me naar een instituut voor wezenhulp, daar moest ik voortaan werken. ""In februari 1948 werd Spiro op het achtste plenum van het Centraal Comité postuum uit de partij gezet. Ik volgde. Ik verloor al mijn functies.''

Lang duurde die situatie niet: 1948 was het jaar waarin Stalin met Tito brak, en Albanië koos de kant van Stalin. ""In september werd ik uitgenodigd het elfde plenum bij te wonen. Het elfde plenum veroordeelde het achtste plenum, dat was Tito's werk geweest. Xoxe werd gearresteerd en geëxecuteerd en Spiro was opeens geen schurk meer maar een eerlijke communist. Xoxe, zei Hoxha, had het achtste plenum gebruikt om van Albanië een Joegoslavische kolonie te maken.''

Naieve illusies

Liri Belishova keerde terug in de partij en werd lid van het politburo. Geloofde ze ook in Hoxha, de leider die haar man de deur in het gezicht had dichtgegooid en die verantwoordelijk was voor zijn zelfmoord? ""Ik vertrouwde hem. Ik vond dat Hoxha ons van Joegoslavië redde. Er bleef een schaduw in mijn hart, maar het elfde plenum nam veel van die schaduw weg. Hij redde Albanië. Hij rehabiliteerde Spiro. Hij redde mij.''

Liri Belishova bleef, met een korte onderbreking tussen 1951 en 1954, toen ze samen met de huidige president Ramiz Alia in Moskou studeerde, tot 1961 lid van het politburo. De jaren vijftig waren in Albanië de tijd van de massazuiveringen, de processen, de stalinistische doodvonnissen, de tijd van de terreur en van lange reeksen van zuiveringen in de leiding: bijna elk jaar verdwenen er collega's van Liri Belishova uit de partijtop, leiders van het volk werden plotseling verraders en in veel gevallen werden ze geëxecuteerd.

Liri Belishova: ""We hadden veel naieve illusies. We dachten werkelijk dat we een democratisch systeem opbouwden, dat we arbeiders het recht gaven zich uit te spreken, dat we de mensenrechten respecteerden. We lieten toch gevangenen vrij? Die waren door Xoxe in de gevangenis gekomen, dachten we. We dachten werkelijk dat de geheime politie, de Sigurimi, in dienst stond van de partij. Het was een tijd van vervolgingen, maar het was ook een tijd van mooie resoluties, en in die resoluties geloofden we.''

Het vertrouwen in Hoxha en de zaak van het socialisme bleef. ""Achteraf gezien was het politburo geen college. De belangrijkste kwesties werden er niet besproken. Militaire en defensiezaken niet, de veroordelingen van politieke tegenstanders niet, de banden met andere landen niet. Zaken als de spionage van Kim Philby, waarmee we de Britse en Amerikaanse spionnen onschadelijk maakten, of de beruchte mijnen van Korfoe, waarover we ruzie kregen met de Britten, kwamen in het politburo niet aan de orde. Wat voor gewone Albanezen geheim was was voor leden van het politburo ook geheim.''

De sfeer was er ook niet een van een collectief bestuur. ""Hoxha was de onaantastbare leider. Hij was de baas. Misschien ligt het in onze aard: in Albanië hebben we de chef altijd vertrouwd, het familiehoofd, het dorpshoofd, het staatshoofd. Elke beslissing werd door Hoxha genomen. Hij nodigde de anderen uit hun mening te geven en nam dan uiteindelijk de beslissing. Dan zei hij: kameraden, we moeten al onze krachten bundelen en dit of dat doen. En wij, we hadden geen twijfels, dàt was pas eenheid, dàt was het socialisme, dàt was het belang van het volk. Hoxha, het volk, de partij, het socialisme, het waren allemaal delen van één geheel, onze eenheid. Als je daar tegen in ging, als je tegen Hoxha opstond, tekende je je eigen doodvonnis, en terecht. Nu kun je zeggen: er is veel bloed vergoten, veel meer dan in de andere socialistische landen. Maar het ging om de zaak. Het waren absurditeiten, het was extremisme. Maar zo waren de tijden.''

Zelfs toen dierbare vrienden in het politburo werden weggezuiverd, zoals Tuk Jakova en Bedri Spahiu, twijfelde Liri Belishova niet. ""Tuk Jakova was een eerlijk man, een harde werker. Maar je moet weten hoe Hoxha optrad. Hij beschuldigde mensen pas na hun val, en niet in het politburo maar in het openbaar. Eerst verdween iemand. Pas later werd hij een verrader genoemd. Ik bleef het goedkeuren. Ik bleef rechtvaardigingen zoeken en ik vond ze. Mijn vertrouwen in de partij bleef onaangetast. Alles was goed als het het belang van de partij diende.''

De kop gekost

In 1954 werd Liri Belishova na haar terugkeer uit Moskou binnen het politburo verantwoordelijk voor propaganda en voor de relaties met het buitenland - sleutelgebieden. Was ze zelf bang? ""Er was angst. Maar we schaamden ons voor die angst. We wisten: de partij kan mijn hoofd eisen, maar dat recht heeft de partij, het socialisme eist offers, de klassevijand lag op de loer, elke vorm van twijfel was koren op de molen van die vijand. Ik voelde pijn voor mensen als Jakova en Spahiu, maar ik wist ook dat elke discussie over zulke zaken uitgesloten was. Spahiu kwam ten val nadat hij in een privégesprek met een collega had gezegd dat het politburo maar één arbeider telde. Dat heeft hem de kop gekost. Dat was al genoeg. Maar zo waren we opgevoed: kritiek op de leider is er niet bij. Hoxha wist alles het beste.''

Hoxha, zegt Liri Belishova, was een vriend. ""Dat vonden we toen, allemaal: hij was de leraar, de leider, de patriarch. De enige die in zijn schaduw kon staan was Mehmet Shehu, de premier. Shehu stond boven ons, hij had in Spanje gevochten, hij had in de oorlog veldslagen gewonnen. Hoxha heeft nooit in zijn leven een wapen afgevuurd. Shehu wel. Hij was kundig en capabel. Hoxha bewaarde afstand tot hem, hij respecteerde hem. Tegenover ons was Hoxha altijd vriendelijk, hij zorgde ervoor menselijk over te komen, vroeg altijd hoe het ging, hij gaf kleine cadeautjes. Een lieve man.'' Dan, fel opeens: ""In werkelijkheid was hij een bloeddorstige moordenaar. Hoxha was erger dan Stalin. Hoxha was Stalins leerling, maar leerlingen overtreffen soms hun leraren.''

Chef-propaganda

In 1956 veroordeelde Chroesjtsjov Stalin. De Albanese partij wijdde er een congres aan, het derde. Op die bijeenkomst werden alle stellingen van het Twintigste partijcongres in Moskou onderschreven. Maar, zegt Liri Belishova, dat was alleen verbaal: in werkelijkheid bleven de Albanezen Stalin vereren en in het beleid veranderde niets. ""Hoxha sprak, en zei: we veroordelen elke vorm van persoonsverheerlijking. Maar hij zei dat met een groot borstbeeld van zichzelf achter zich.'' De stellingen van het Moskouse congres waren in het Albanese politburo ook in het geheel niet aan de orde gekomen.

Vier jaar later viel Liri Belishova zelf. In 1960 brak China met de Sovjet-Unie. ""In april publiceerden de Chinezen artikelen tegen het Twintigste Sovjetcongres. Ze wilden dat we die artikelen overnamen, maar ik - als chef-propaganda verantwoordelijk - wilde daar niets van weten. We hadden toch zelf op ons derde congres de lijn van het Twintigste congres gevolgd? Hoxha riep me bij zich. Hij zei: je moet die artikelen publiceren. Ik zei: ze zijn verkeerd, ze zijn sectarisch en dogmatisch, ze zijn tegen onze eigen beslissingen. Hij liet zich overtuigen. Hoxha hield niet van theoretische discussies, hij hield alleen van dictatuur en klassenstrijd. De volgende dag herhaalde zich dat gesprek, weer wilde hij dat ik die Chinese artikelen publiceerde en weer weigerde ik. Weer een dag later riep hij me weer bij zich. Ik moest er toen wel mee instemmen.''

""Ik toog naar Ramiz Alia, in het Centraal Comité verantwoordelijk voor propaganda, we zijn oude vrienden, nog uit de oorlog, en samen trachtten we de Chinese verhalen te redigeren. Het lukte niet. Ik zei: ik kan ze niet inkorten, ik moet terug naar Hoxha. Hij zei me: dat kun je niet doen, doe wat Hoxha zegt. Ik heb toen geantwoord: luister, Ramiz, ik ben in Moskou geweest, ik heb dit gestudeerd. En ik ben naar Hoxha gelopen. Uiteindelijk hebben we die artikelen niet gepubliceerd, de Chinezen hebben ze zelf gepubliceerd en wij hebben ze alleen verspreid.''

Het werd het begin van het einde voor Liri Belishova: ze was de leider afgevallen. Korte tijd later leidde ze een delegatie naar China, die via Moskou terugreisde. Een delegatie met een spion, zegt Liri Belishova, elk woord dat ik in Peking en Moskou sprak kwam verdraaid en uit de context gelicht bij Hoxha terug. Begin 1961 kwam het eind. ""Op de dag waarop we naar Durrës zouden gaan om er de Franse communistenleider Maurice Thorez te verwelkomen - ik had dat bezoek voorbereid - kwam Hysni Kapo, collega in het politburo, naar me toe. Hij zei: jij gaat niet mee naar Durrës, daar praten we in het politburo nog over. Ik ben naar Hoxha gegaan. Ik heb gevraagd: waarom? Hij zei me toen dat ik op mijn reis in Moskou de partij niet had verdedigd tegen een aanval van Brezjnev. Maar Brezjnev heeft de partij niet aangevallen, zei ik. Hij wilde er niets van weten. Hij noemde me de advocate van Chroesjtsjov. Dat was mijn einde. Ik ben naar huis gegaan. Waarom deed Hoxha dat? Hoxha was een man zonder principes. Hij misbruikte situaties. Hij misbruikte ons gebrek aan democratische tradities. Hoxha was een vos onder kippen.''

Acht bewakers

Liri Belishova werd niet, zoals zoveel anderen, doodgeschoten. Ze werd zelfs niet berecht. Haar man wel, die verdween - zijn lidmaatschap van het Centraal Comité ten spijt - voor twintig jaar in de meest beruchte gevangenis van het land. Liri Belishova werd verbannen. ""Ze kwamen me halen en brachten me naar een dorp in de bergen bij Vlorë. Een dorp op een bergtop, dicht bij God. Daar mocht ik de eerste maanden nog als onderwijzeres werken. Toen Hoxha me in het openbaar had aangevallen, werd ik ontslagen. Ik heb tien jaar in dat dorp gezeten. Er was geen inkomen, geen pensioen, niets. Ik werd dag en nacht bewaakt door acht militairen. Ik mocht geen bezoek ontvangen. Mijn kinderen werden me afgenomen. Als ik de straat opging, wandelde een soldaat met me mee.'' Ze wijst op haar man, die het gesprek volgt: ""Ik heb hem twaalf jaar niet gezien, en de daaropvolgende vijftien jaar maar vier of vijf keer per jaar, steeds in aanwezigheid van zeven of acht bewakers. Met hem, mijn kinderen en mijn twee broers - vijf mensen - hebben we er 104 jaar gevangenisstraf en verbanning opzitten. Toen mijn dochter stierf, mocht ik er niet bij zijn. Er mocht niemand bij haar begrafenis zijn. Toen mijn moeder stierf: hetzelfde. Er mocht niemand bij zijn.'' Mijn nichtjes, zegt ze, en ze knuffelt een beeldschoon meisje, mochten niet studeren, mijn nichtjes zijn tien jaar na mijn val geboren maar ze waren al bij hun geboorte verdoemd.

Geld, zegt Liri Belishova, was er niet. Ze kreeg soms wat toegestuurd van verre familieleden. Maar het was niet genoeg. ""Uiteindelijk was ik wanhopig. Ik heb Hoxha een brief gestuurd: zo kan ik niet leven, ik ga dood van de honger.'' Het antwoord was een nieuwe deportatie, naar een dorp nabij Elbasan, waar ze in een groentenwinkel mocht helpen, daar kreeg ze wat geld voor. De pensioenen waar ze recht op had - het invaliditeitspensioen wegens het oog dat ze in de oorlog kwijtraakte, en het partizanenpensioen - heeft ze nooit gehad, krijgt ze zelfs nu niet.

Dertig jaar heeft ze in de bergen en het dorp van Elbasan in deportatie gezeten, geïsoleerd van alles en iedereen, ook nog na Hoxha's dood in 1985. Pas op 12 mei 1990, zegt ze, werd de deportatie opgeheven. ""Perez de Cuellar heeft me gered. De dag voor zijn komst kregen alle gedeporteerden - duizenden en duizenden - te horen dat hun straf voorbij was. De Sigurimi kwam het me vertellen. Maar ze zeiden erbij: je mag niet naar Tirana terug. Ik heb me daar niet aan gestoord. Ik ben teruggegaan, op 21 maart van dit jaar.'' Ze staat officieel nog altijd te boek als een vijand van het volk, er is nog geen rehabilitatiewet, ""Alia en de conservatieven blokkeren die''.

Het is heel moeilijk, zegt ze, antwoord te geven op de vraag of ik nog communiste ben. ""Ik heb veel geleden. Dertig jaar lang kon niemand mijn huis betreden. Ik heb veel desillusies. Maar de wereld zal zich Marx en Engels herinneren als mensen die hebben bijgedragen aan de wereldcultuur. Wat we hier opbouwden was geen socialisme, het was stalinisme en enverisme, en daar moeten we oorlog tegen voeren. Maar onze idealen waren goed. Marx heeft gezegd dat de revolutie alleen mogelijk zou zijn in een ontwikkeld land. Spartacus kwam te vroeg in opstand, in zijn tijd konden de slaven niet vrij zijn. Misschien waren ook wij te vroeg.''

Ze legt een arm rond de schouder van haar nichtje. ""Onze dromen zijn geen werkelijkheid geworden. Maar onze idealen waren nobel. Ze zijn het nog steeds. En de misdaden van Enver Hoxha zullen nog over generaties worden veroordeeld.''