"Kapitein Dragan' op weg Servische legende te worden

ZAGREB, 17 AUG. “De ridder met het treurige gezicht” noemt men hem wel, en naar verluidt is hij eerder dit jaar van verre op een wit jacht aangekomen in de haven van het Montenegrijnse Bar om het Servische volk in Kroatië te helpen tegen de erfvijand, de herleving van het "bloeddorstige bewind-Ustasha' in Zagreb.

"Kapitein Dragan' is, zeker na de successen van zijn elite-eenheid bij de verovering van de Banija, een stukje Kroatië even ten zuiden van Zagreb, hard op weg een moderne Servische volkslegende te worden. Hij is ook nagel aan de doodskist van de Servische politici in Knin, hoofdstad van de opstand in Kroatië, sinds hij dezen van lafheid en wanbestuur heeft beschuldigd.

Waar kapitein Dragan vandaan komt, en wie hij is, blijft inmiddels in nevelen gehuld. “Daarmee zou ik mijn vrouw en twee kinderen in gevaar brengen”, verklaarde hij eerder deze maand op een persconferentie de geheimzinnigheid rond zijn persoon. Sommigen zeggen dat hij als huurling heeft gewerkt in Israël, op de Falkland-eilanden, in Afrika en zelfs in het Franse vreemdelingenlegioen. De afgelopen jaren zou hij als een eerzaam zakenman hebben vertoefd in Australië, totdat hij de stem van zijn met genocide bedreigde volksgenoten in Kroatië hoorde en zijn krijgskunde in hun dienst stelde.

Dragan zou 37 jaar zijn. Hij leidde in de Banija een elite-eenheid van twintig, door hemzelf getrainde vechters, die kortgeleden nog als schapenfokkers of kantoorbedienden werkzaam waren. De verovering van Glina en omgeving schrijft Dragan grotendeels op zijn eigen conto. De bij de strijd in de Banija begane wreedheden tegen de Kroatische bevolking zijn, meent hij, niet het werk van zijn eigen eenheid maar een gevolg van de verkeerde politiek wapens te geven aan de Servische bevolking.

Thans richt kapitein Dragan zijn belangstelling op Slavonië, een van de andere fronten in het Servisch-Kroatisch conflict. Dat het hem om een politieke positie in het door hem nagestreefde Groot-Servië te doen zou zijn, ontkent kapitein Dragan in alle toonaarden. Na de redding van het Servische volk zal Dragan, naar eigen zeggen, weer in de anonimiteit terugkeren.

De "Kninja' is hij wel genoemd, in een verwijzing naar Knin, het centrum van de Servische opstand. Maar de liefde tussen Dragan en de leiders in die stad lijkt voorbij, sinds Dragan op zijn persconferentie met hen de vloer heeft aangeveegd.

Milan Babic, de burgemeester van Knin en "minister-president' van de Krajina, zoals de Serviërs hun autonoom verklaarde gebied noemen, is in Dragans ogen een lafaard, die zijn eigen familie in Belgrado in veiligheid heeft gebracht, geen aandacht heeft voor de doden en gewonden bij de strijd, en tot overmaat van ramp de soldij voor Dragans elite-eenheid in zijn zak heeft gestoken.

Dragan beschuldigde Babic er ook van het leiderschap over heel Groot-Servië na te streven en niet tijdig genoeg het belang van Dragans elite-eenheid te hebben ingezien. “Drie maanden lang heb ik in Knin moeten zeuren, en dan nog noemt Babic ons achteraf huurlingen', aldus kapitein Dragan verontwaardigd. Behalve zijn eigen eenheid zou hij ook 1200 vechters in Benkovac, Golbic en Obrovac hebben getraind.

Begrijpelijk genoeg zijn deze opmerkingen de leiders in Knin, die door Dragans spectaculaire optreden de inspanningen van hun eigen legertje ("de militie van Krajina') grotendeels in de schaduw zagen gesteld, in het verkeerde keelgat geschoten. “Kapitein Dragan dient zich niet te bemoeien met de politiek”, liet de Servische partij SDS deze week zuinig weten.