HET ONUITROEIBARE, ONMISBARE NATIONALISME

National identity door Anthony D. Smith 227 blz., Penguin 1991, f 25,60 ISBN 0 14 012565 5

Toen Anthony D. Smith zijn jongste boek schreef, kon hij niet bevroeden hoe goed de akker geploegd is waarin zijn boek valt. De "negentiende-eeuwse sentimenten' - dixit minister Van den Broek - blijken een onlosmakelijk deel te zijn van de realiteit van de twintigste eeuw en het ziet er - ook volgens Smith - niet naar uit dat de situatie weldra anders zal zijn. Het beroep op de nationale identiteit is de belangrijkste legitimatie geworden voor sociale ordening en solidariteit. Vandaag de dag is de nationale identiteit de belangrijkste vorm van collectieve identificatie: zo ik iets ben, ben ik een Nederlander, of een Vlaming (c.q. Sloveen, Kroaat en Bosniër).

Geroemd of verguisd, zo concludeert Smith, de "natie' vertoont geen tekenen te zijn overtroffen door wat ook, het zal onze wereld in de afzienbare toekomst gestalte geven. Het is bijgevolg raadzaam meer over deze drijvende kracht te weten te komen, en het onderhavige boek is een soort theoretische basis. Het wil een inleiding zijn op de aard, oorzaken en gevolgen van nationale identiteit als collectief fenomeen, een achtergrond schetsen bij deze politieke kracht en de continuïteit aangeven van de pre-moderne etnie en de moderne naties.

OUDE DEMONEN

Smith, hoogleraar aan de Universiteit van Londen met een fraaie staat van dienst als het om publikaties over nationalisme gaat, mag rekenen op een illuster publiek, dat tenminste zijn begripsoriëntatie en definities best zou kennen. Menige politicus kan leren van dit boek. Ook bondskanselier Kohl, die onlangs het nationalisme één van de oude demonen noemde, en zelfs de Heilige Vader, die tijdens zijn laatste reis in Polen waarschuwde voor "achterhaald nationalisme', geven er blijk van het nationalisme niet uit de ogenschijnlijk ontwarbare kluwen te kunnen halen.

Het nationalisme - tot voor kort ook in Nederland nog een ernstig taboe - wordt maar al te gemakkelijk op één hoop geveegd met het afval van de geschiedenis: nationaal-socialisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme. Hoe het op die vuilnisbelt is beland, mag Joost weten, dat het echter tijd is het eraf te halen en schoon te maken blijkt wel uit de sympathie waarop Slovenen en Kroaten van de Westerse opinieleiders mogen rekenen. Nationalisme is een gezonde kracht, die aan vrijwel elke staatsvorming ten grondslag ligt, ook aan de onze, al zijn wij het martelarenbloed van Willem van Oranje vergeten en al ontgaat ons de betekenis van de Acte van Verlatinge voor de Franse Revolutie en voor de Declaration of Independence.

Ook Smith weet met Nederland niet zo goed raad: hij wijt onze staatsvorming - evenals de Engelse, Boheemse en Poolse - aan een krachtige beweging van Messiaans-religieus nationalisme. Eind zeventiende, begin achttiende eeuw ziet Smith de eerste nationalistische idealen, motieven en symbolen opduiken, maar hij houdt vast aan zijn overtuiging dat het idee van de nationale identiteit afkomstig is van Montesquieu en Rousseau. In zowel diens Projet Corse als zijn Gouvernement de la Pologne onderstreept hij het belang van nationale individualiteit en de handhaving van de eigenheden: ""Ce ne sont ni les murs, ni les hommes qui font la patrie; ce sont les lois, les moeurs, les coutumes, le gouvernement, la constitution, la manière d'être qui résulte de tout cela. La patrie est dans les relations de l'état à ses membres: quant les relations changent ou s'anéantissent, la patrie s'évanouit.''

BREDERO

Doorgaans wordt het begin van het ideologisch nationalisme op het eind van de achttiende eeuw gedateerd, met als gevolg dat er vóór die tijd geen naties of nationalisme zouden kunnen hebben bestaan. Een even arbitrair uitgangspunt als de stelling dat Bredero geen romanticus kan zijn geweest omdat de romantiek nog moest worden uitgevonden. Oudere entiteiten, zoals Egypte, noemt Smith dan maar etnische staten in plaats van naties. Hier luisteren de definities zeer nauw. In het eerste van de zeven hoofdstukken van ongeveer vijfentwintig bladzijden elk omschrijft hij de natie als ""a named human population sharing an historic territory, common myths and historical memories, a mass, public culture, a common economy and common legal rights and duties for all members''.

Het is die cultuur die het belangrijkste gegeven is, en die blijkbaar ook telkens als bedreigend werd ervaren. Na veroveringen in de oudheid was het niet zozeer een taak de bewoners van het gebied over de kling te jagen alswel hun de eigen cultuur te ontnemen en deze liefst te vervangen door die van de veroveraar. Voor een natie hoeft het territorium echter niet essentieel te zijn: Armeniërs en joden hebben het lang zonder kunnen stellen terwijl de band bleef bestaan. Etnocide komt in de geschiedenis vaker voor dan genocide, maar de meeste volkeren zijn niet kapot te krijgen, al was het maar door "zelfvernieuwing' die is gebaseerd op religieuze hervormingen, cultureel leentjebuur spelen en de mythe van uitverkiezing.

De origine van de etnische gemeenschap of etnie kan tweeërlei zijn: "civic and territorial', ook wel lateraal genoemd, en "ethnic and genealogical', ook verticaal betiteld. In het eerste geval ligt het initiatief bij de aristocratie en de hogere geestelijkheid, die een bureaucratische staat scheppen, zoals Frankrijk, Engeland en Spanje, aan de andere kant blijft het initiatief "demotic', dat met het woord "volks' niet correct is vertaald, met "volksgemeenschap' misschien iets beter, en dat is aan te treffen onder Druzen, Basken, Sikhs, Ieren, Zwitsers en Catalanen.

Waar aristocratie en geestelijkheid een rol bleven spelen, heeft de onderliggende laag zich vaak via de zestiende- en zeventiende-eeuwse administratieve, economische en culturele "revoluties' opgewerkt en geïntegreerd in de eerste laag. Het zijn vaak deze "demotic ethnies' die het in Europa de bestaande staten zo moeilijk maken, juist waar ze er niet in geslaagd zijn een eigen territorium ook tot staat om te vormen. ""Oorlog maakt de staat (en de staat maakt oorlog),'' zo merkte de Engelse historicus Charles Tilly al op, en wie niet bijtijds tot militaire mobilisatie is overgegaan, heeft de boot gemist.

Nationalisme valt aan te treffen bij elke natie, ongeacht of deze staat is of niet. Nationalisme is een verzamelnaam, die kan duiden op het hele proces van vorming en handhaving van naties of natie-staten, het bewustzijn te behoren tot een natie. Ten slotte kan nationalisme ook een sociale en politieke beweging zijn om de doelen van de natie te bereiken en de nationale wil te verwezenlijken.

LOYALITEIT

Waar nationalisme een doctrine is, is het vooral een culturele doctrine, of meer nog: een politieke ideologie met een culturele doctrine als kern. Die "leer' heeft vier stellingen die ons dichter bij de praktijk in Europa van vandaag brengen. Ten eerste: de wereld is verdeeld in naties, elk met haar eigen individualiteit, geschiedenis en bestemming. Ten tweede: de natie is de bron van elke politieke en sociale macht; loyaliteit aan de natie gaat boven alles. Ten derde: mensen moeten zich identificeren met een natie, willen ze vrij zijn en tot ontplooiing komen. Ten vierde, en dat kan niet voldoende worden onderstreept: naties moeten vrij en veilig zijn, willen vrede en veiligheid in de wereld zegevieren.

Het is bijgevolg vanzelfsprekend dat autonomie het doel is van elke nationalist. Daarnaast, en dat vermeldt Smith niet eens, is het nationalisme ook maar al te vaak een emancipatiebeweging. De autonomie kan bestaan uit culturele zeggenschap, zoals Nederland aan Friesland toestaat, uit federalisme, zoals men in België probeert, of tot separatisme, dat min of meer luidkeels wordt geëist van Catalonië tot Estland en van Kroatië tot Baskenland en hoog genoteerd staat op de agenda van de Lega Nord in Noord-Italië. Aan menige autonomievraag of -eis is een langdurige culturele renaissance voorafgegaan, en waar de staat die niet heeft onderkend of zelfs heeft onderdrukt (Vlaanderen, Baskenland), moet die centrale staat niet vreemd opkijken als het volk mort.

Daar waar natie en staat samenvallen, en de elite de band met het volk heeft bewaard, is de situatie ideaal, en dus maar zeldzaam. In de loop van eeuwen zijn de staten gegroeid ten koste van de naties en-of verloor het volk zijn representanten. Door het uitsterven van de Catalaanse grafelijke familie in 1410, door de verfransing van de Vlaamse elite aan het Bourgondische Hof omtrent 1500, door centralisme van de adel aan één hof, waardoor Lodewijk XIV het volk in grote delen van Frankrijk van zich vervreemdde, of door te grote afstand tussen Hof en volk in ons eigen geval (1581). Het is jammer dat dit verschijnsel Smith niet is opgevallen: het komt blijkbaar niet in zijn louter Engelstalige boekenlijst voor, en van leerzame reizen door Europa geeft hij geen blijk.

COMPLOTTEN

Het gebrek aan fiducie in de machthebbers valt ook op in de Oostzeestaten en in de Joegoslavische deelrepublieken: in het eerste geval wil men naast de eigen cultuur, educatie en welzijn óók de militaire, economische en politieke zeggenschap (terug) van Moskou, in het andere breekt een compleet verschillende (bezettings)geschiedenis, een ander geloof, een andere taal en zelfs een ander schrift op. De Westerse complotten die verstokte communisten in Servië en zelfs binnen de KGB zien geven wel aan hoezeer de machthebbers de voeling met het volk en de werkelijkheid hebben verloren.

Een hogere levensstandaard ziet Smith wel als overeenkomst tussen alle Europese gebieden waar het nationalisme actueel is, maar hij ontkent dit als bron voor separatisme. De straatinterviews waarmee de televisie ons verblijdt, laten echter duidelijk horen dat het gebrek aan perspectief voor economische expansie en het behoud van de hogere economische situatie nu juist wel een belangrijke reden is voor afscheiding. In Barcelona, in Milaan, in Antwerpen, in Zagreb, overal gaan de beschuldigende vingers naar de hoofdsteden: ""Dáár maken ze ons geld op!''

De Brit Smith onderkent het belang van de taal evenmin voldoende, al wijst hij op de culturele renaissance. ""We hebben geen leger nodig, we hebben een taal,'' verzekerde mij een woordvoerder van de Catalaanse regering, om venijnig uit te halen naar het Spaans als wereldtaal: ""Een Derde Wereldtaal zult u bedoelen.'' De taal is het meest kenmerkende van de nationale identiteit, die overal in Europa tenminste zo alomtegenwoordig, diepgeworteld en complex is. In zijn slothoofdstuk, getiteld "Voorbij nationale identiteit?' moet Smith als antwoord op de hier opgeworpen vraag tot de conclusie komen dat het uitgesloten is. Hij haalt de mislukte voorbeelden annex proeftuinen aan: Joegoslavië en de Sovjet-Unie.

Ondanks de erosie van familialisme, lokalisme en religie heeft zelfs zoiets als het socialistisch internationalisme niet gewerkt; Europa zal de nationale identiteit evenmin wegnemen, eerder beklemtonen. Dat zal ook voor Smith een geruststellende gedachte zijn: pagina's lang gruwt hij van een "global culture', die niet anders dan eclectisch kan zijn, kunstmatig, ongeacht plaats of datum. Het kosmopolitanisme gaat niet gepaard met de ondergang van de naties, want niets geeft zo'n gevoel van uitverkiezing, zo'n unieke geschiedenis en zo'n speciale lotsbestemming.

LEEUWEVLAG

Hoewel Smith wel erg ver gaat met zijn mening dat de nationale identiteit haarfuncties in de moderne wereld dankt aan ""personal oblivion, personal renewal and dignity and collective faith'', breekt hij in zijn jongste boek geen lans voor het nationalisme: hij verklaart het enkel, op nogal theoretische gronden. Er had van mij wel iets meer geschiedenis in gemogen of ronduit een pleidooi om in Brussel maar vast stoelen te gaan bijschroeven voor Catalonië, Baskenland, Vlaanderen, Slovenië, Kroatië, Estland, Letland, Litouwen en de Oekraïne. Maar goed, ik slaap onder het portret van Willem van Oranje, bij mij hangt op 11 juli de Leeuwevlag uit en ik ben de enige Nederlander die de driedeling van de Nederlanden nog wel eens hardop betreurt.