Goed bedoeld beleid bant ongezonde praktijk niet uit; Verzuim in bouw blijft hoog

ROTTERDAM, 17 AUG. "Een bouwvakker is niet van steen'. Onder dat motto begonnen bouwwerkgevers en -werknemers en overheid anderhalf jaar geleden een langlopende campagne om het belang van goede arbeidsomstandigheden te onderstrepen. De actie is geen luxe; de kans dat een metselaar of betonvlechter zijn pensioen haalt in actieve dienst is minimaal.

De bouw kent een hoog ziekteverzuim en bouwvakkers maken een meer dan proportioneel deel uit van het leger Nederlandse arbeidsongeschikten. Veel en vroeg ingezette pogingen die situatie te verbeteren ten spijt.

Van de circa vier miljoen volledige banen in Nederland (bezet door zo'n 6 miljoen mensen) neemt de bouwnijverheid er 279.000 voor haar rekening. Dat is zo'n 7 procent. Van de 880.000 mensen met een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO) waren er vorig jaar 94.000 uit de bouw afkomstig, ruim 10 procent dus. Ook het aantal ziektegevallen ligt in de bouw hoger. Waar het landelijke verzuimpercentage vorig jaar uitkwam op 9,1 procent, lag het in de bouw op 10,5.

Het hoge verzuim- en arbeidsongeschiktheidspercentage is, zo constateren werkgevers en werknemers mismoedig, inherent aan de bouw. Een bouwvakker loopt nu eenmaal meer kans van een steiger te vallen, een steen op zijn hoofd te krijgen of zijn rug te forceren dan de gemiddelde bankemployé. Maar, daarover geen twijfel, de percentages zijn hoog, te hoog.

De bouw was zo'n vijftien jaar geleden dan ook de eerste bedrijfstak, aldus de werkgeversorganisatie AVBB, die overging tot een gestructureerde aanpak van de arbeidsomstandigheden. Ruim voordat andere sectoren van het bedrijfsleven het nut daarvan onderkenden, en zeker ruim voordat de mening opgeld deed dat de WAO op termijn onbetaalbaar zou worden.

Een scala aan maatregelen is inmiddels genomen, waarvan de lopende campagne slechts een onderdeel is. In de jaren zeventig voerde de zojuist door bouwbonden en werkgevers opgerichte stichting Bedrijfsgezondheidsdienst Bouw al de actie "Gebruik je rug goed'. De stichting concentreerde zich aanvankelijk op (preventieve) gezondheidszorg, maar gaandeweg verplaatste zij - omgedoopt tot stichting Arbouw - haar aandacht naar het bredere terrein van arbeidsomstandigheden.

Inmiddels geeft Arbouw zo'n 30 miljoen gulden per jaar uit aan haar activiteiten. Die lopen uiteen van keurings- en advieswerk voor bouwvakkers en hun werkgevers tot de bevordering van de ontwikkeling van "arbeidsvriendelijker' bouwmaterialen (lichter) en -methoden (prefab).

Pag.15:

Werksituatie in de bouw verbeteren blijft moeilijk

CAO'en voor de bouwnijverheid bevatten steeds meer gedetailleerde bepalingen over veiligheid en arbeidsomstandigheden. Die variëren van het gebod een helm te dragen op werken waar een bouwkraan of hijsstelling staat, via de verplichting metselblokken van 18 kilo of zwaarder slechts mechanisch te verwerken, tot een verbod op het gebruik van asbest. Sinds 1988 biedt de CAO bouwvakkers de mogelijkheid tot her- en bijscholing op het gebied van nieuwe materialen, machines, werkmethoden enzovoorts. Binnen de bedrijfsvereniging voor de bouwnijverheid zijn afspraken gemaakt over vroegtijdige reïntegratie van zieke bouwvakkers die in de WAO verzeild dreigen te raken.

Twee jaar geleden tekenden rijk, bonden en -werkgevers een convenant dat voorzag in extra inspanningen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouw. Werkgevers en werknemers zouden bestaande afspraken beter nakomen, de overheid zou optreden als voorbeeld-bouwheer door bij bouwopdrachten structureel te letten op "vriendelijke' werkmethoden en een minimaal gebruik van zware materialen en gevaarlijke chemicaliën. Een en ander zou leiden tot vermindering van ziekteverzuim en langdurige arbeidsongeschiktheid, zonder dat daarbij overigens streefcijfers zijn genoemd.

Mr. P.W.G.M. van Rooij, secretaris arbeidsverhoudingen van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), ziet de tripartiete overeenkomst als een herhaalde bevestiging van de voorlijkheid waarmee de bouw aan terugdringing van het verzuim werkt. De jarenlange strijd tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsomstandigheden onmiskenbaar verbeterd, meent hij. Cijfers kan hij niet geven: “De registratie in de bouw laat te wensen over.”

Opeenvolgende jaarverslagen van de Bedrijfsvereniging Bouw, belast met de uitvoering van Ziektewet en WAO, schetsen nochtans een somber beeld. De arbeidsomstandigheden mogen verbeterd zijn, de gezondheid van de bouwvakker is dat kennelijk niet. Sinds 1980 steeg het aantal arbeidsongeschikte bouwvakkers met 32 procent. Weliswaar daalde het aantal dat voor het eerst een WAO-uitkering kreeg in de periode 1981-1988 van 10.800 per jaar tot 7510, maar sindsdien is weer sprake van een stijgende "instroom' (1990: 8410). Het ziekteverzuim, in 1985 teruggedrongen tot 9,1 procent, is het voorbije decennium niet zo hoog geweest.

Hoe kan dat? Van Rooij zal de laatste zijn te ontkennen dat werknemers en werkgevers, broederlijk begeleid door keuringsartsen, begin jaren '80 de recessie in de bouw opvingen door uit te wijken naar de WAO. Dat het verzuim en het beroep op de WAO nu nog niet willen dalen, is vooral een mentaliteitskwestie, meent hij.

“Als je alle voorschriften op het gebied van arbeidsomstandigheden naleeft, dan kan je het verzuim aardig terugbrengen”, bevestigt mr. M. van der Ent, beleidsmedewerker sociale zaken bij het AVBB. Maar werkgevers en werknemers interpreteren veel voorschriften met grote ruimhartigheid - als ze de regels al kennen. Van Rooij: “Zo'n bepaling over die verplichte helm is een papieren letter. Veel bouwvakkers dragen 'm gewoon niet. En wat heb je eraan cementzakken van 50 kilo uit te bannen als een metselaar vervolgens twee zakken van 25 kilo op zijn rug neemt?” Ook de waarde van het convenant is relatief. “Architekt Herzberger heeft voor de nieuwbouw van Sociale Zaken blokken ontworpen die alleen hij schijnt te kunnen oppakken.”

Drs. W. Eshuis, beleidsmedewerker arbeidsomstandigheden bij de Bouw- en Houtbond FNV, deelt de kritiek van het AVBB gedeeltelijk. Ook hij ziet de discrepantie tussen goede bedoelingen en weerbarstige praktijk. Dat ziekte en arbeidsongeschiktheid niet sterk dalen, wijt hij aan “onwil en onvermogen van werkgevers” om de fraaie, op centraal niveau geformuleerde intenties vorm te geven. “Bij hen ligt immers de verantwoordelijkheid.” Toegenomen werkdruk en stress als gevolg daarvan zouden verder ook hun tol in de bouw eisen.

Niettemin is Eshuis geneigd de cijfers van de Bedrijfsvereniging Bouw met enige welwillendheid te bekijken: “Je mag je afvragen wat er gebeurd zou zijn als je niets gedaan had.” De ongevallenstatistiek van de stichting Arbouw wijst bijvoorbeeld op een gestage daling van letsel door stoten - wellicht doordat vaker helmen en veiligheidsschoeisel wordt gedragen.

Het grote probleem bij een daadwerkelijke aanpak en verbetering van arbeidsomstandigheden (arbo), zegt Eshuis, is dat de bouw een duiventil is. Onderaannemers komen en gaan op bouwprojecten, verantwoordelijkheden en organisatie zijn zelden duidelijk. “Niemand spreekt een bouwvakker aan op zijn gedrag, omgekeerd grijpt een bouwvakker zelden in als hem iets niet zint. Ze zijn niet gewend hun rechten te bevechten. Eerder zoeken ze een andere baas.”

De Bouw- en Houtbond heeft de voorbije jaren veel moeite gedaan om bepalingen over arbeidsomstandigheden op te nemen in CAO's en andere regelingen. Op naleving ervan zou beter moeten worden toegezien, maar werkgevers weigeren nadere afspraken daarover, aldus Eshuis. Meermalen is al aangedrongen op grotere inzet van de Arbeidsinspectie. Eshuis vindt daarnaast dat de overheid kwaliteitseisen aan bouwbedrijven moet koppelen aan de vergunningverlening. Registratie per bouwbedrijf of -object zou verder gerichte bestrijding van verzuim en arbeidsongeschiktheid vergemakkelijken; waar de uitval bovengemiddeld blijkt, moet een verplicht plan tot vermindering worden gemaakt.

Een nauwkeuriger gerichte bestrijding, dat vindt het AVBB ook gewenst. Van Rooij: “We barsten van de voorschriften en de folders. We lopen zo hard dat de basis het niet kan oppakken.” En dáár moet de knop om, vindt hij. Maar geregeld bezoek van de tien Arbouw-adviseurs aan 20.000 Nederlandse bouwbedrijven en vooral -bedrijfjes om inhoud en belang van al die voorschriften duidelijk te maken is moeilijk, en zonder uitbreiding van het budget ondoenlijk.

Het AVBB verwacht wel veel van het project Verzuimbeheersing dat de Bedrijfsvereniging Bouw sinds enige tijd in enkele regio's uitvoert. Die organisatie beschikt over het fijnvertakte netwerk dat het mogelijk maakt individuele bouwvakkers aan te spreken. Doel van het project is tijdig langdurige ziekte te signaleren en ruim voordat de WAO in zicht komt de betrokken bouwvakker weer aan het - al dan niet aangepaste - werk te krijgen.

Over het effect van vermindering van duur of hoogte van WAO-uitkeringen, waarover hevige politieke discussie woedt, laat het AVBB zich terughoudend uit. “Om een te gemakkelijk beroep op deze verzekering tegen te gaan, zou je kritisch mogen kijken naar de financiële betrokkenheid van werkgever en werknemer”, zegt Van Rooij voorzichtig. “Je kunt je voorstellen dat je maar 70 procent uitkeert als iemand op zijn werk een ongeval krijgt waarbij hij niet de verplichte helm droeg. Ook zouden beroepsgroepen meer WAO-premie kunnen betalen naarmate hun WAO-risico hoger ligt.”

De Bouw- en Houtbond FNV wijst verslechtering van de WAO in ieder geval resoluut van de hand. “Ik zie gewoon niet dat zoiets tot een lagere uitstoot leidt”, zegt Eshuis. “We hebben in de bouw met objectieve, zware problemen te maken op het gebied van arbeidsomstandigheden. Een vermindering van de WAO maakt mensen niet minder ziek.”