DE ONBEKENDE KANT VAN DE INTIFADA

Achter de schermen van de Intifada Intifada: The Palestinian Uprising - Israel's Third Front door Ze'ev Schiff en Ehud Ya'ari 352 blz., Simon and Schuster 1990, f 50,70 ISBN 0 671 67530 3

Israel, Palestinians and the Intifada. Creating Facts on the Westbank door Geoffrey Aronson 376 blz, Kegan Paul International 1990, f 67,50 ISBN 0 7103 0336 X

In de laatste maand van 1987 ging de term "Intifada' een geheel eigen leven leiden. Het woord zelf betekent in feite niet veel meer dan "beving' of "trilling', en wordt in politiek Arabisch gebruikt ter aanduiding van opschuddingen van relatief korte, beperkte of onbelangrijke aard; de Koerdische opstand was een Intifada, alsmede de breuk die in 1973 binnen Fatah ontstond, de rellen in Kairo van 1977 en enkele eerdere periodes van onrust in de door Israel bezette gebieden. Maar de Intifada die dat jaar op acht december vlam vatte nadat een Israelische vrachtwagen in de Gazastrook op een Palestijnse personenauto was gebotst, luwde niet. Binnen enkele dagen sloeg de woede over naar de anders zoveel rustiger Westbank, naar Jeruzalem en zelfs naar de binnen Israels grenzen wonende Arabieren. Het verzet structureerde zichzelf; er ontstond zelfs een geheel nieuw Palestijns leiderschap, dat niemand kende van gezicht en dat zijn orders via pamfletten bekend maakte. Het woord Intifada werd synoniem voor een geheel ander Arabische woord: "haba', "storm'.

Het algemeen geaccepteerde antwoord op de vraag naar het ontstaan van de Intifada draait om de factoren die voor de Palestijnen tegen het eind van 1987 de spreekwoordelijke laatste druppels zouden zijn geweest. Minister Sharon, die op zijn gebruikelijke provocerende wijze een huis kocht midden in de Jeruzalemse moslimwijk; de Arabische broederlanden, die op hun conferenties het Palestijnse vraagstuk steeds lager op de agenda zetten; de toenemende radicalisering van het extreem rechtse front in Israel.

Deze theorie wordt genadeloos lekgeprikt in Intifada: The Palestinian Uprising - Israel's Third Front, het nieuwste boek van de prominente Israelische journalisten Ze'ev Schiff en Ehud Ya'ari, en wel op twee essentiële punten. In de eerste plaats wijzen ze erop dat de genoemde factoren nog niet verklaren waarom de Palestijnen aan het eind van de jaren tachtig opeens rijp bleken voor een jarenlange massale opstand, met alle ontberingen van dien. En als de bovenvermelde politieke factoren zo'n doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de Intifada, zo vragen Schiff en Ya'ari zich af, hoe is dan te verklaren dat de in december '87 opgepakte Palestijnen alles waren behalve politiek bewust? Uit rapporten van hun Israelische ondervragers blijkt immers dat de ondervraagde Palestijnen noch wisten wat de standpunten van de PLO waren, noch wat er speelde in de Knesset. ze spraken slechts over sociale misstanden en het verschil tussen arm en rijk.

PROLETARIAAT

In Intifada plaatsen Schiff en Ya'ari het ontstaan van het fenomeen Intifada daarom ook niet in de gebruikelijke politieke context, maar leggen ze de nadruk op sociologische aspecten. De Intifada, zo stellen ze vast, vloeide voort uit een een kortstondige klassenstrijd binnen de Palestijnse maatschappij die in de eerste Intifada-dagen in het voordeel van het proletariaat werd beslecht. De intelligentsia, die voorheen alle protestmarsen leidde, stond ditmaal beduusd vanaf de kant toe te kijken, terwijl juist de doorgaans passieve sociaal zwakkeren van de samenleving - de jongeren, de armen en, voor het eerst in de Palestijnse geschiedenis zelfs de vrouwen - met schoffels, bijlen, stokken en stenen in de hand door de straten marcheerden. Het merendeel van hun acties die eerste Intifada-dagen was dan ook niet gericht tegen Israel, maar tegen de eigen Palestijnse elite, die hen evengoed behandelde als uitschot. De bewoners van de sloppensteden Al-Bourey, Nuseirat en Ma'azi trokken massaal naar de landerijen van de Palestijnse hereboeren en verwoestten de oogst of plunderden. In Jebalya scandeerde de woedende meute "Eerst de joden, dan Ramal', doelend op de "goudkust' van Gaza-stad. Anstige notabelen, de voormalige Palestijnse leiders, smeekten de Israelische legerleiding de bewoners van de vluchtelingenkampen de toegang tot de steden te beletten.

In een samenleving die traditioneel werd gekenmerkt door respect voor ouderen, mannen en de leidende elite, tartten nu opeens twaalfjarige jongens het gezag van hun familieleden in het openbaar, mishandelden tieners hun vaders, stenigden dochters hun ouders als dezen hen wilden beletten mee te lopen in de protestmarsen, en marcheerde de jeugd gemaskerd en gewapend met boksbeugels en kettingen door de straten. De shabab, de kinderen, streken bij het passeren van winkels lucifers af onder de neus van de eigenaren om aan te geven dat het ontduiken van de afgekondigde winkelstakingen niet ongestraft zou blijven. Terwijl de sit-ins die de vroegere Palestijnse leiders organiseerden als stil protest tegen de Israelische bezetting nog slechts werden bijgewoond door de voormalige leiders zelf, probeerden welgestelde Palestijnen ondertussen bij het proletariaat in de gunst te blijven door "spontaan' de Mercedes in te ruilen voor een tweedehands rammelkast en door al even spontaan huren drastisch te verlagen.

HYGIËNE

Schiff en Ya'ari schrijven deze radicale maatschappelijke kentering, zonder welke de gebeurtenissen van december '87 na enkele dagen als vanouds zouden zijn verzand, toe aan één hoofdoorzaak: de jeugd, die door een enorme geboortengolf eind jaren zestig en een laag sterftecijfer dankzij de verbeterde medische en hygiënische situatie als gevolg van de Israelische bezetting, eind jaren tachtig de meerderheid van de bevolking was gaan vormen. Het was de eerste generatie die de veel ruwere Jordaanse en Egyptische overheersing op de Westbank en in de Gazastrook niet meer had meegemaakt, en die, opgegroeid onder Israelisch bewind, zowel de taal als de zwakke plekken van de soldaten te goed kende om hen te vrezen. Het was ook de generatie die - met name in de extreem dichtbevolkte en dichtbekrotte Gazastrook - opgroeide onder de steeds uitzichtlozere omstandigheden van de vluchtelingenkampen. Na bijna twintig jaar vergeefs wachten op het wonder dat van Palestina een vrij en welvarend land zou maken, verguisden de jongeren zowel de PLO als de Arabische broederlanden, zowel de vreedzaam demonstrerende leiders binnen de bezette gebieden als de lijdzaam klagende oudere generatie.

Aan het eind van de jaren tachtig was dan ook, vooral in de Gazastrook, een opmerkelijke groei waarneembaar van jeugdige aanhangers van het islamitisch fundamentalisme. De fundamentalisten dwongen het respect en de bewondering van de Palestijnse jongeren af doordat ze, in tegenstelling tot de strijders van de PLO, bijna nooit doorsloegen tijdens Israelische kruisverhoren en doordat hun acties tegen Israel, in tegenstelling tot het nutteloze zelfmoordcommando dat de PLO wekelijks de Israelisch-Libanese grens liet oversteken om te worden doodgeschoten, geïnspireerd waren en doorgaans bijzonder effectief. Daarbij had de islamitische Jihad ook nog eens een kant-en-klaar plan voor de bevrijding van Palestina: religie, want zodra iedere Arabier weer leeft naar de regels en wetten van de Koran, zullen de Bezette Gebieden met goddelijke hulp worden bevrijd.

VERRASSING

Het toenemende Palestijnse extremisme in de jaren tachtig was zo evident waarneembaar, dat Schiff en Ya'ari zich verbaasd afvragen hoe de regering van een land met een van de beste inlichtingendiensten zo volkomen verrast kon zijn. Zelfs de gemiddelde Israelische krantelezer had de omwenteling niet kunnen ontgaan: steeds vaker werden in de eens zo pittoreske Gazastrook overdag en midden op straat Israelische burgers doodgestoken, evenals Palestijnse taxichauffeurs die de islamitische wetten overtraden door tijdens de Ramadan een sigaret te roken. Maar ook hier getuigen Schiff en Ya'ari van genoeg realiteitszin om op te merken dat het merendeel van de Israeli's de bezette gebieden zien als een ver weg gelegen buitenland, en nieuws daarover gapend overslaan.

Aan rapporten in waarschuwende toonzetting, zo bewijst Intifada, ontbrak het de politici dan ook niet. Het leger, de binnenlandse veiligheidsdienst, onafhankelijke onderzoekers, allen wezen al jaren op de zorgwekkende invloed van de fundamentalisten, een veranderende houding jegens de Israeli's, uit de hand lopende demografische problemen en een toename van agressie. Allen opperden niet onredelijke of onuitvoerbare oplossingen: betere huisvesting, beperking van de macht van de islam, beter toepasbaar materieel voor de militairen en het installeren van een speciale oproerpolitie voor de bezette gebieden. Tot hun grote ontsteltenis moesten Ze'ev Schiff en Ehud Ya'ari deze rapporten echter ongelezen terugvinden in archiefkasten. De politici, concluderen ze, leden zowel aan een misplaatste zelfingenomenheid wat Israels verheven "systeem van de verlichte bezetting' betreft, als aan een chronisch lage dunk van de bewoners van de bezette gebieden. Ze bagatelliseerden daarmee de potentiële Palestijnse daadkracht; een bijna exacte kopie van de denkfout waardoor in 1973, ondanks alle aanwijzingen voor een naderende Arabische inval, de Jom Kippoer-oorlog als een complete verrassing komen kon. Erger nog: in de Gazastrook stimuleerde Israel juist de ontwikkeling van het islamitisch fundamentalisme om te voorkomen dat de PLO, heerser op de Westbank, ook greep zou krijgen op een strook land bij de Middellandse Zee - zelfs al was snel duidelijk dat de fundamentalisten een groter gevaar betekenden dan de tot onderhandelen bereide organisatie van Arafat.

RESERVEBANDEN

Maar zelfs al zouden alle rapporten juist zijn geïnterpreteerd, dan nog was het hele politieke klimaat in Israel eind jaren tachtig te verlamd om nog strategisch na te denken over de Palestijnse problematiek. Het kabinet van nationale eenheid voerde uit angst voor onheelbare conflicten en nieuwe verkiezingen een beleid waarbij op kousevoeten om de controversiële onderwerpen heen werd geslopen, en waarbij de Knesset voornamelijk ""decided not to decide''. Een dergelijke regering, aldus Schiff en Ya'ari, had in geen enkele crisissituatie doortastend kunnen optreden. Had de Knesset kordaat gereageerd toen de opstand zich, de eerste dagen, nog slechts tot de Gazastrook beperkte, dan had het oproer zich wellicht niet verder verspreid, zo opperen de auteurs. In plaats daarvan bakkeleiden de politici in Jeruzalem zo intens over wie nu eigenlijk verantwoordelijk was voor de bezette gebieden dat in de Gazastrook de Israelische sergeants na vruchteloze verzoeken om een geschikte uitrusting moesten inbreken bij de plaatselijke Palestijnse garages om aan voorruitbeschermers en reservebanden te komen.

Terwijl men in Israel de schuld voor de Intifada graag schuift op "de anderen' - de (linkse cq. pro-Palestijnse) generaals van het leger, de PLO, Syrië, Jordanië en alle politieke gezindten die afwijken van de eigen - duidt de beschuldigende vinger van Schiff en Ya'ari dus genadeloos richting Israel zelf. Intifada wijst daarbij op een grootscheepse opmars van extreem rechts binnen de Israelische maatschappij, een groei die na het uitbreken van de opstand alleen maar is toegenomen doordat de Israeli's zich persoonlijk beledigd voelen door de Palestijnse verloochening van het Israelische gezag. De gevolgen hiervan achten Schiff en Ya'ari verontrustend. Politici moedigen, beschermd door hun parlementaire onschendbaarheid, in opzwepende taal soldaten aan om excessen te begaan, en geregeld moeten ze door de legerleiding worden gewezen op de democratische fundamenten van de joodse staat. Zo reageerde generaal-majoor Amram Mitzna op het voorstel hele Palestijnse woonwijken dan maar ter afschrikking met de grond gelijk te maken, met een laconiek: "Israel is een rechtsstaat.'' Het voorstel was afkomstig van Sharir, de minister van Justitie.

DOCUMENTEN

Het is vooral het feit dat de beide auteurs zelf Israeli zijn dat Intifada: The Palestinian Uprising - Israel's Third Front zoveel extra's geeft. Wonend en werkend in het epicentrum van de Intifada kunnen ze als geen ander de opstand en de maatschappelijke ontwikkelingen van zowel Israel als de bezette gebieden beschrijven van binnen uit. Hun uitstekende connecties met de legertop en de regering, die Schiff en Ya'ari al eerder van dienst waren bij hun befaamd geworden The Lebanon War, hebben ook ditmaal de auteurs weer toegang verschaft tot veel geheime documenten en inside information. Door hun journalistieke werkzaamheden op de Westbank en in de Gazastrook hebben ze ook een goed inzicht in het politieke leven daar.

Intifada: The Palestinian Uprising - Israel's Third Front schept logica in de Palestijnse opstand. Dat Schiff en Ya'ari zich bij hun reconstructie slechts beperkt hebben tot de eerste twintig maanden van de Intifada is daarbij alleen maar een groot voordeel, want daardoor bestrijkt het boek juist het meest tekenende en boeiende stadium van de opstand. Het is de periode waarin de Palestijnen het kat-en-muisspel met de Israeli's allerbehendigst spelen. Uien in de keffiyah, de Arabische hoofdtooi, bleken het effect van traangas op te heffen; een ingenieus cellen-systeem met wisselende wachtwoorden beschermde het Intifada-commando tegen Israelische infiltranten; de pamfletten met stakingsoproepen werden in Israelische overheidsgebouwen gekopieerd en het geld dat de opstand moest financieren, werd onder de neuzen van de militairen vanuit Egypte het grensplaatsje Rafah binnengegooid. De denktanks op de Palestijnse Bir Zeit-universiteit bij Ramallah ontwierpen ondertussen nieuwe strategieën en politieke modellen die moeten leiden naar een onafhankelijke staat. Maar in de periode die het boek beslaat, viel ook het Verenigde Leiderschap van de Intifada, na negen gezamenlijk uitgebrachte pamfletten, langzaam uiteen. Een interne Palestijnse burgeroorlog tussen de verschillende politieke en godsdienstige partijen ondermijnde de strijd tegen Israel. Na maanden van onmacht rolde het Israelische leger in de loop van 1988 dan ook de illegale persen en het veelkoppige nieuwe leiderschap op. Toen Schiff en Ya'ari hun manuscript afsloten, was het stenengooien al tot een daad zonder effect verworden, en was de Intifada verzand. De voorheen weggehoonde notabelen beheersten opnieuw de gebeurtenissen. Sindsdien is er weinig veranderd.

PETROLEUMBOM

Helaas zal Intifada echter, doordat het oorspronkelijke voor een Israelische doelgroep is geschreven, op sommige punten iets te veeleisend zijn voor niet-Israelische lezers. De auteurs doen een beroep op kennis van de Palestijns-Israelische voorgeschiedenis die niet iedereen meteen paraat heeft. De "Grote Revolutie uit 1936', een eerdere Palestijnse opstand tegen het - toen nog - Britse bewind over Palestina, wordt als vergelijkingsmateriaal met de Intifada zonder tekst of nadere uitleg midden in een zin verstopt. Met al even weinig tekst en uitleg refereren Schiff en Ya'ari aan enkele in Israel befaamde "say no more'-gevallen, die de gemiddelde westerling echter zelden iets zullen zeggen: "de mars naar het huis van een collaborateur in Kabatya', of "de petroleumbom' waardoor een moeder en haar drie kinderen het leven lieten. Dat is jammer, zeker voor een internationaal belangwekkend en doorgaans zeer gedetailleerd boek als dit, want met een enkele voetnoot was een dergelijke onvolkomenheid moeiteloos voorkomen.

Waar Schiff en Ya'ari zich soms echter teveel toespitsen op de Intifada zelf, acht de journalist Geoffrey Aronson op zijn beurt de voorgeschiedenis van de Palestijnse opstand dusdanig belangrijk dat hij aan de gebeurtenissen van na december 1987 nauwelijks meer toekomt. Het woord Intifada is uit verkooptechnisch oogpunt met felrode inkt op de kaft geaccentueerd en met een cursief lettertype op alle andere plaatsen in het boek, maar in feite besteedt Aronsons Israel, Palestinians and the Intifada slechts twee van de veertien hoofdstukken, in pagina's omgerekend tien procent, aan de opstand. En op de desbetreffende vijfendertig bladzijden vermijdt de auteur nog eens stelselmatig alles te vermelden wat essentieel is voor een goed beeld van de gebeurtenissen. Bekende Palestijnse leiders als Feisal Husseini en Sari Nusseibah worden nauwelijks genoemd en de gebroeders Labadi - die de opstand letterlijk importeerden in het nog rustige Jeruzalem door een groep woedende Westbank- en Gaza-Palestijnen door de straten te jagen en die ook op vele andere gebieden grondleggers van de Intifada zijn - ontbreken al helemaal. In plaats daarvan vult Aronson zijn twee hoofdstukken over de Palestijnse opstand met het zielloos opsommen van de samengevatte tekst van verspreide pamfletten.

Israel, Palestinians and the Intifada is in feite een aangevulde versie van Creating Facts: Israel, Palestinians and the Westbank, dat begin 1987 verscheen. Deze eerste editie van het boek behandelde voornamelijk het Israelische nederzettingenbeleid op de Westbank en de andere sluipwegen om de bezette gebieden vanaf 1967, niet in woorden, maar wel in daden, te annexeren. Met het sec toevoegen van twee hoofdstukken over de Intifada doet Aronson de opstand voorkomen als louter een reactie op de bouw van nederzettingen, de hoge belasting en het lagere waterquotum dat de Palestijnen op de Westbank kregen toebedeeld, maar hij weet deze factoren op geen enkele aannemelijke wijze naar een apotheose als de Intifada te leiden. Verwonderlijk is dat niet: natuurlijk wordt het Israelische nederzettingenbeleid niet door de Palestijnen geapprecieerd, noch als plezierig ervaren, maar de onvrede waartoe dat leidde, is alleen niet genoeg om een jarenlange opstand te ontketenen. Bovendien blijft dan de vraag over waarom de Intifada niet veel eerder is uitgebroken: een nieuwe ontwikkeling was de bouw van nederzettingen in bezet gebied immers allerminst. Maar radicalisering van de jongeren, invloed van de islam, opkomende macht van het proletariaat? Aronson zwijgt.

Het grootste manco van Israel, Palestinians and the Intifada is dat Aronson zijn boek helemaal heeft gebaseerd op kranteknipsels en al bestaande literatuur. Wie weten wil hoe het nu werkelijk zit met Israel, de Palestijen en de Intifada, zal toch echt het boek van Schiff en Ya'ari moeten lezen.