Zwak vlees

Niet ten onrechte wordt wel aan juristen verweten dat zij de zaken ingewikkelder maken dan nodig is. Maar de vraag is natuurlijk: wat is nodig? En het probleem is dat alleen juristen - omdat zij het systeem kennen waarin alles moet passen - die vraag kunnen beantwoorden. Waarbij dan komt dat niet alle juristen over alle zaken gelijk denken. Gelukkig maar.

Waarbij trouwens ook komt dat het niet de juristen zijn die het recht denken. De juristen formuleren, systematiseren en becommentarieren wat de politiek wil. En dan wordt het soms een warboel, hoe zeer de juristen ook hun best doen. Dikwijls moet het werk nog eens over worden gedaan door de rechter, wil je er een touw aan vast kunnen knopen. Leve de democratie!

Systematisering is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het recht en daarmee voor de ontwikkeling van de maatschappij. Door de eeuwen heen hebben juristen op dit punt hun sporen verdiend. Het resultaat van hun arbeid wordt soms in nieuwe ontwerp-wetten aan de wetgever voorgelegd. Het Nieuw Burgerlijk Wetboek, waaraan nu meer dan 40 jaren door dozijnen juristen is gewerkt, is een voorbeeld. Nieuw recht brengt het Nieuw Burgerlijk Wetboek nauwelijks, wel een geheel nieuwe - hopelijk ook verbeterde - systematiek. Voor de burger verandert er weinig, voor de jurist heel veel. Hij moet ploeteren om het nieuwe systeem onder de knie te krijgen. Per 1 januari 1992 moet hij zo ver zijn want dan wordt de kern van het Nieuw BW, het vermogensrecht, ingevoerd.

Systematiek betekent dat men gebruik maakt van constructies. In de bouw heb je naast de architect de constructeur. Zij kunnen - zodra het gebouw groter wordt dan een tuinhuisje - niet zonder elkaar. De juristen moeten alles alleen doen. Veel creativiteit is nodig om de juiste rechtsconstructies te vinden en uit te werken.

Een van de mooiste juridische constructies is de rechtspersoon. Naamloze en besloten vennootschappen zijn rechtspersoon. Hetzelfde geldt voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Ook de Staat en andere overheidslichamen zijn rechtspersoon. En in Nederland mogen we natuurlijk niet vergeten de kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen. Ook zij zijn rechtspersoon.

Rechtspersonen nemen in feite in Nederland in het maatschappelijk leven en het bedrijfsleven een centrale plaats in.

Vraagt men wat een rechtspersoon eigenlijk is dan komt men er moeilijk uit. Steeds gaat het om een groep mensen - natuurlijke personen - die op de een of andere manier in een organisatie met elkaar verbonden zijn. De natuurlijke personen hebben ieder voor zich rechten en verplichtingen maar als groep willen ze ook wat en doen ze ook mee aan het maatschappelijk leven. De vondst van het recht is nu dat we die groep als "rechtspersoon' aanduiden en daarop aansluitende regels geven, zodat de groep op gelijke voet met de natuurlijke persoon rechten en verplichtingen kan hebben. De rechtspersoon kan als zodanig eigenaar zijn en contracteren. Hij kan ook - dat is de tegenkant - wanprestatie plegen of een onrechtmatige daad begaan. Hij kan zelfs een strafbaar feit plegen en daarvoor gestraft worden.

Zoveel rechtspersonen zijn er in Nederland - zoals in alle ontwikkelde landen - dat wij dit alles de gewoonste zaak van de wereld vinden. Maar men moet de vondst en de juridische denkkracht die daaraan ten grondslag ligt niet onderschatten. Eeuwenlang is men met het probleem bezig geweest. Een systematisch opgezette regeling van de rechtspersoon is in Nederland pas in 1976 ingevoerd. Het Burgerlijk Wetboek sprak voor die tijd nog van "zedelijk lichaam'. En de regeling was fragmentarisch.

De kern van het systeem is dat rechtspersonen en natuurlijke personen in het vermogensrecht in beginsel dezelfde positie innemen. De regelgeving voor de deelname van organisaties aan het maatschappelijk verkeer wordt hierdoor enorm vereenvoudigd. Wel bestaat het gevaar dat men de gelijkstelling te ver doorvoert. Men lette dus op de beperkingen "in beginsel' en "in het vermogensrecht'. Het familierecht, het erfrecht en het arbeidsrecht gelden niet voor rechtspersonen en buiten het recht heeft de gelijkstelling geen enkele zin. Een rechtspersoon kan niet de trap oplopen. Een rechtspersoon kan ook geen pijn lijden. Maar kan een rechtspersoon beledigd worden en daaraan een vordering tot schadevergoeding ontlenen? Men voelt dat men hier op een grensgebied komt.

Ooit besliste het Gerechtshof in Amsterdam dat de rechtspersoon Rijkspostspaarbank schade in haar reputatie had geleden doordat op de omslag van het boek "De Vervalsers' een spaarbankboekje stond afgebeeld met een rood kruis er over. De uitgever moest de Rijkspostspaarbank 2.000 gulden betalen.

Van belang is dan nog dat men voor ogen houdt dat de rechtspersoon niet "echt' bestaat maar alleen als juridische constructie. Als constructie is de rechtspersoon bestemd om het rechtsleven van de natuurlijke persoon - de mens - te dienen. Het omgekeerde kan niet worden gezegd.

De dienstbaarheid van de rechtspersoon als constructie aan het rechtsleven van natuurlijke personen komt fraai tot uitdrukking in de regeling van de juridische fusie en de omzettingsregeling van het Nieuw BW zoals deze met ingang van 1 januari 1992 zal gelden.

Juridische fusie betekent dat een rechtspersoon met al zijn rechten en verplichtingen - met huid en haar zou ik haast zeggen - in een andere rechtspersoon kan "verdwijnen'. De wet geeft daarvoor een regeling.

Omzetting betekent dat men via een bepaald besluitvormingsproces een rechtspersoon van rechtsvorm kan laten veranderen. Zo zal men een vereniging of stichting kunnen veranderen ("omzetten') in een naamloze of besloten vennootschap, een coöperatie in een stichting, enz. In feite is alles mogelijk. En waarom ook niet? Bij verandering van mensen - man in vrouw of omgekeerd - doen zich ethische en sociale problemen voor. Fusie van mensen komt tot dusver niet voor. Het vlees is zwak maar de rechtspersoon is gewillig.