Zambia verkeert in diepste crisis sinds onafhankelijkheid

Nadat Zambia in 1964 onafhankelijk werd, wierp de staat zich op als motor van de economie. Het land zou de eerste verzorgingsstaat van Afrika moeten worden, maar de mijnbouw, eens het gouden kalf, is ingestort. De staatsschuld is groot, de armoede immens. Spoedige sociale en economische verbetering, zoals de politieke partijen aan de vooravond van de verkiezingen beloven, lijkt onmogelijk.

KATOMTU (N, 16 AUG. Een groepje boeren in rommelige, verfomfaaide kleren zit zich in het gehucht Katomtu te warmen in de ochtendzon. De wegen zijn uitgelopen in zanderige paadjes in dit uiterste noordwestelijke deel van Zambia, de boeren leven hier in de periferie van de nationale economie. “Het boeren loont niet meer”, merkt de oudste van de groep op. “Ons bestaan zakt ineen. Voor ons heeft de regering niet gezorgd.” Instemmend gemurmel.

De mijnbouwsector, eens het gouden kalf van Zambia's economie, stort ineen door uitputting van de voorraden en de voortdurende lage koperprijzen op de internationale markten. Daarom wil Zambia zijn heil weer gaan zoeken in de landbouw. De verpauperende stadsbevolking moet weer gaan boeren. “De regering roept mensen op terug te keren naar het platteland. Maar wat moeten ze hier doen?”, vraagt een jonge boer in Katomtu zich af. “Alhoewel, het is hier toch beter dan in de stad, hier kunnen we tenminste onze magen vullen, in de steden heerst honger en misdaad.”

Zambia werd in 1964 geboren met een koperlepel in zijn mond. De kolossale opbrengsten uit de mijnbouw na de onafhankelijkheid werden aangewend voor het streven de eerste verzorgingsstaat van Afrika te vormen. President Kenneth Kaunda en zijn Verenigde Nationale Onafhankelijkheidspartij (UNIP) nationaliseerden buitenlandse bedrijven, het transport en de handel. Privé-ondernemers gingen volgens de staatsideologie zwarte-markthandelaren heten.

De staat was de motor van de economie geworden, de privé-sector stortte ineen. Evenals de landbouw. De plattelandsbevolking stroomde naar de steden rond de mijnen, ging daar naar gesubsidieerde scholen en ziekenhuizen en at gesubsidieerd voedsel. Inmiddels is 48 procent van de Zambianen urbaan, een exceptioneel hoog percentage voor Afrika. De achtergebleven boeren waren het kind van de rekening. De prijs van maïs - Zambia's volksvoedsel - voor de stedelijke consumenten moest laag zijn, dus bleef de gecontroleerde prijs die de staatsbedrijven betaalden aan de boeren eveneens laag.

“We ontvangen veel te weinig voor onze maïs en de prijs van kunstmest is te hoog”, klaagt een boer in Katomtu. “Bovendien, de autoriteiten leveren de kunstmest te laat aan, ze zijn altijd te laat. Er bestaat in ons disctrict geen andere markt dan voor maïs en er is onvoldoende vervoer om onze oogsten op te halen. We beschikken hier over vier ossekarren, dat is alles.”

“Het hele systeem functioneert niet meer”, legt een landbouwdeskundige in de hoofdstad Lusaka uit. “De coöperatieve bonden die de maïs opkopen hebben schulden, de transporteurs hebben schulden, de maalderijen hebben schulden en de boeren kunnen hun leningen voor kunstmest niet meer afbetalen. Sinds een jaar mogen privé-handelaren maïs opkopen, maar met het huidige prijssysteem loont dat niet.” Door de overheidssubsidies blijven de opkoop- en verkoopprijzen van maïs bijna hetzelfde, er bestaat geen winstmarge meer. Iedereen verliest, behalve de stedelijke consument. De staat kan inmiddels door de verminderde inkomsten uit de mijnbouw het tekort niet meer aanvullen.

In afwezigheid van stimulerende prijzen ging de boer steeds minder maïs verbouwen. In 1989 was de nationale produktie 20,5 miljoen zakken (van negentig kilo), in 1990 liep dat terug tot 13,5 miljoen. De stadsbewoner komt steeds moeilijker aan zijn maïsmeel, waarvan de officiële prijs weinig zin meer heeft want door de tekorten biedt alleen de zwarte markt nog soelaas. Hoewel Zambia beschikt over overvloedige landbouwgronden zal het vermoedelijk dit jaar maïs moeten importeren.

Pag.14:

We vrezen een lege staatstkas te erven; Ik krijg liever voedsel dan geld, kwacha's zijn tegenwoordig waardeloos in Zambia.

De leraar van het schooltje in Katomtu legt uit hoe hij probeert zijn leerlingen op te leiden. “Ik beschik voor 201 scholieren over vier pennen, vier wiskundeboeken, vier atlassen en negen Engelse tekstboeken.” Samen met de boeren van Katomtu ziet hij wel licht aan het einde van de tunnel. “De afgekondigde liberalisatie in Zambia zal ons uit de problemen helpen. In de toekomst zal het beter worden, als de privé-handelaren onze spullen komen kopen en hier komen investeren. We willen verandering!” De omstanders klappen en maken met wijsvinger en duim het teken van de grootste oppositiepartij, de Beweging voor Méérpartijen Democratie (MMD).

De roep om de vrije markt, weg van de gecentraliseerde en gebureaucratiseerde economische structuren, weerklinkt in alle uithoeken van het land. Zowel de hervormde regeringspartij UNIP als de oppositionele MMD voeren voor de aanstaande verkiezingen - die voor het eerst in achttien jaar onder het méérpartijenstelsel plaatsvinden - het vrije-marktprincipe in hun vaandel. De puinhoop die het quasi-socialistische beleid sinds de onafhankelijkheid creëerde, zal snel worden geruimd. De redding is nabij. De verwachtingen zijn zeer hoog gespannen.

De crisis in de sociale sector bijt uiterst diep. Een paar honderd kilometer oostwaarts van Katomtu ligt het stadje Kabompo. In het overheidsziekenhuis werkt één dokter, de enige arts voor de 52.000 bewoners van het district. Er heerst een groot gebrek aan medicijnen. Vandaag zijn de pijnstillers op. De verpleegkundige schrijft zijn rapport op gebruikte velletjes, tussen de oude regels door. De operatiekamer mist een lamp. De dokter is een buitenlander. Zambiaanse artsen blijken spaarzaam in Zambia, het beter opgeleide deel van de bevolking ontvlucht de gierende inflatie en de lage salarissen.

De Copperbelt is de streek van Zambia die 's lands economie jarenlang heeft getrokken. In Ndola, centrum van dit mijngebied, woont oppositieleider en presidentskandidaat Frederick Chiluba. Om negen uur op de koffie neemt hij in zijn driedelige pak de pose aan van nieuwe president van Zambia. Wat zullen de eerste maatregelen van uw regering zijn? “We zullen de ziekenhuizen verbeteren, de wegen repareren....” Maar waar is het geld? “Ja, we vrezen een lege staatskas te zullen erven. We zullen bekijken waar we geld mee kunnen verdienen. In Zambia lag er te veel nadruk op consumptie, te weinig op produktie. Wittebroodsweken zullen ons niet worden gegund, we moeten onmiddellijk aan het werk.”

Chiluba vervolgt: “De ontwikkelingen in de wereld hebben getoond dat een gecentraliseerde economie niet werkt. Als je boeren de vrije hand geeft, dan beschikken ze over mogelijkheden. We zullen ook in de landbouwsector de rol van de overheid verminderen.” Waaraan hij toevoegt: “We zullen niet op radicale wijze de vrije-markteconomie invoeren en de sociale aspecten vergeten. Zeker in Zambia's ontwikkelingsstadium moet de regering degenen helpen die daar zelf niet toe in staat zijn.”

Een half uur rijden van Ndola ligt de kopermijn Baluba. “Frederick Chiluba staat klaar om bijna alles voor ons te veranderen”, zegt de mijnwerker David Chilombo wanneer we zeshonderd meter diep onder de grond afdalen. “We lijden meneer. Een salaris van 2.500 kwacha (ruim zeventig gulden) kan ons de maand niet doorbrengen. Ik ben ervan overtuigd dat Chiluba ons kan helpen.”

Onder de grond ligt de bittere waarheid van Zambia's economie: de koper raakt binnen tien jaar op, de geologen ondervinden steeds meer moeilijkheden om rijke voorraden aan te boren. Bovendien zullen de koperprijzen die halverwege de jaren zeventig kelderden, vermoedelijk nooit meer een hoogtepunt bereiken. Koper verliest in de wereld zijn strategische waarde door de introductie van synthetische vezels. Jarenlang draaiden de mijnen met verlies. De regering ging lenen en zit nu opgescheept met een ondraaglijke schuldenlast van acht miljard dollar, het hoogste per hoofd van de bevolking in Afrika. De smelterij van de Balubamijn oogt als een sloperij. Van de vier gigantische smelters werkt er nog één en andere machines zijn al ontmanteld. De teruglopende produktie van de vijftig jaar oude mijn maakt het niet meer rendabel om de smelterij op volle toeren te laten draaien.

Terug in de hoofdstad Lusaka zegt een medische ontwikkelingsdeskundige: “De stedelijke armoede begint een ontzaglijk probleem te vormen”. Eerder dit jaar vergde een cholera-epedimie in de steden ruim zeshonderd slachtoffers, Zambia is daarmee het grootste choleraland ter wereld geworden. De ondervoeding neemt alarmerend snel toe.

De volkswijk Old Kanyama van Lusaka blijkt een vriendelijke versie van het Afrikaanse sloppenwijk, een doffe reflectie vol met barsten in de muren van Zambia's droom van goede huisvesting voor iedereen. In deze wijk lag het centrum van de cholera-epidemie.

Moeder Christine werkt met een groepje vrouwen in een zelfhulpproject van de Verenigde Naties aan de verbetering van het afwateringssysteem in Old Kanyama, om cholera en verdere verpaupering te voorkomen. “Vroeger verkocht ik steengruis voor geld”, vertelt ze. “In dit zelfhulpproject ontvang ik voedsel voor mijn arbeid. Ik krijg liever voedsel dan geld, kwacha's zijn tegenwoordig waardeloos in Zambia.” Ze zag haar huishoudgeld ieder jaar met de helft verminderen door de inflatie. “Ik geef mijn kinderen steeds minder maaltijden per dag. En ik denk wel drie keer na alvorens ik ze naar een ziekenhuis breng.”

Schoorvoetend komt Kaunda's UNIP tot de conclusie dat de droom van de verzorgingsstaat voorbij is. Hoewel dit politiek nog zeer gevoelig ligt worden de talrijke subsidies trapsgewijs afgeschaft. Met knarsende tanden houdt de regering zich aan de hervormingen zoals geëist door de Westerse donoren en het IMF, het overheidsapparaat wordt afgeslankt en de staatsbedrijven geprivatiseerd.

Minister van buitenlandse zaken Benjamin Mibenge treedt op als hoofd van de verkiezingscampagne voor UNIP. “De bedoeling van de nationalisaties van buitenlandse ondernemingen na de onafhankelijkheid was om Zambianen op te leiden”, legt hij uit. “Nu beschikken we over voldoende managers, ingenieurs en boekhouders, daarom liberaliseren en privatiseren we. Het is puur toeval dat dit samenvalt met de invoering van het méérpartijenstelsel.”

Met dezelfde redenering verdedigt hij de talrijke subsidies. “Bij de onafhankelijkheid bezat de Zambiaan vrijwel niets. Daarom gaven we hem gratis gezondheidszorg en subsidieerden we zijn voedsel. Dat zijn socialistische programma's. We geloven nu een solide basis te hebben gecreëerd. De Zambianen zijn nu opgeleid, ze kunnen hun handen en hersenen gebruiken om voor zichzelf te zorgen.”

Hoe kan u dat zeggen? Het land verkeert in zijn diepste economische crisis sinds de onafhankelijkheid, Zambianen worden juist steeds armer. In hoeverre is het centralistische systeem verantwoordelijk voor de misère?

“Tot op zekere hoogte is dat juist. We hopen van onze fouten te leren”, geeft de minister toe. “Misschien maakten we fouten, misschien waren de sociale programma's teveel gericht op consumptie. Maar vergeet één ding niet. Vroeger kon je een auto kopen voor één ton koper, nu voor vijf ton. Onze koperproduktie is teruggelopen van 600.000 ton per jaar naar 400.000 ton. Dat is niet onze fout. Tegelijkertijd stegen de olieprijzen. De belangrijkste oorzaak van onze economische crisis ligt in het buitenland.”

De oppositionele MMD accepteert deze traditionele klaagzang van Kaunda's UNIP niet. Schaduwminister van financiën voor de MMD is Akashambata Mbikusita-Lewanika. Aan het hek van zijn woning in Lusaka hangt een bordje “eieren te koop”. Lewanika schreef onlangs een boekje over Zambia's economische crisis onder de titel Melk in een mand. “De verspilling onder Kaunda was enorm, in sommige gebieden van dit land wordt er door de overheid meer uitgegeven aan UNIP dan aan het ambtenarenapparaat”, betoogt hij.

“Verder kunnen we bezuinigen op het defensie- en veiligheidsapparaat. Ook door meer efficiency en het afleggen van verantwoording valt er geld te winnen. En natuurlijk moet de produktie omhoog”, legt hij zijn plannen uit.

Privatisering betekent voor Lewanika niet zozeer een veroordeling van het socialisme. “We moeten de privatisering niet zien als een ideologische zet maar de maatregel aanwenden voor democratisering. De Zambianen moeten in de gelegenheid worden gesteld aandelen te kopen in de te privatiseren bedrijven.”

Een aanhanger van het door het IMF voorgestane beleid wil Lewanika zich niet noemen. Financiële aanpassing (lees bezuiniging), zoals het IMF eist, moet gepaard gaan met transformatie van de economie. “De begroting in balans brengen kan nooit een doel op zich zijn. Een evenwicht in de begroting kan nooit duurzaam zijn als je niet in de basisbehoeftes van de bevolking voorziet. Er dient juist méér te worden uitgegeven aan gezondheidszorg en onderwijs als we een duurzame ontwikkeling nastreven.”

Een buitenlandse financiële expert, werkzaam voor de Zambiaanse regering, schetst een uiterst somber plaatje. Spoedige sociale en economische verbetering, zoals de politieke partijen beloven, lijkt onmogelijk. “In economische termen is Zambia bankroet”, concludeert hij. “De regering houdt jaarlijks slechts 100 miljoen dollar over voor werkelijke uitgaven. En Zambia besteedt méér aan de afbetaling van schulden dan het aan buitenlandse hulp ontvangt.”

Wat kunnen de allerarmsten verwachten, wat blijft er over van de droom van de verzorgingsstaat? “In het meest positieve scenario gaan de komende tien jaar de inkomens van de Zambianen nie omhoog. Velen zullen armer worden, tenzij er een belangrijke schuldenvermindering komt.”

Dus de sociale sector zal verder ineenstorten? “De regering heeft slechts zes miljoen dollar per jaar beschikbaar voor een sociaal actieplan. Er valt niet veel geld van de Westerse donoren te verwachten voor dit plan”, oordeelt hij. “Je kan soms zelfs die druppel niet op de gloeiende plaat krijgen.”

Aanstaande zondag begint de NCRV-radio met een serie reportages over Zambia. Radio 1, 13.30 uur.