Vangnet van acroniemen

Sinds het befaamde Kinderwetje van Van Houten (1874) heeft Nederland schoksgewijs een indrukwekkend stelsel van sociale zekerheid opgebouwd. De ontwikkeling wordt globaal gekenmerkt door een gestage uitbreiding van de verzekerde risico's en van de overheidsbemoeienis. Het leverde een bont vangnet van acroniemen op, dat de "survival of the fittest' weliswaar goeddeels aan het oog onttrekt, maar het ontstaan van een nieuwe "onderklasse' niet voorkwam, of wellicht zelfs in de hand werkte.

In de sociale zekerheid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen (verplichte) sociale verzekeringen en sociale voorzieningen, waarbij dan de verzekeringen nader zijn op te delen in werknemersverzekeringen en volksverzekeringen.

De volksverzekeringen, waarvoor iedereen met een inkomen premieplichtig is, zijn alle na de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen. De belangrijkste is de Algemene ouderdomswet (AOW, 1957) die de hele bevolking verzekert tegen de financiële gevolgen van ouderdom. Daarnaast garandeert de AWW (1959) een ouderdomspensioen aan weduwen, weduwnaars en wezen. De AKW (1962) geeft recht op kinderbijslag voor eigen ongehuwde kinderen en pleegkinderen tot een bepaalde leeftijd. De AWBZ (1967) verzekert de gehele bevolking tegen het risico van bijzondere ziektekosten, die niet door ziekenfonds of ziektekostenverzekering worden gedekt. Ten slotte is er de AAW (1976), die alle ingezetenen tot 65 jaar verzekert tegen de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.

De werknemersverzekeringen, betaald door werkgevers en werknemers, voorzien in uitkeringen aan werknemers bij ziekte (ZW, 1930), werkloosheid (WW, 1949) en arbeidsongeschiktheid (WAO, 1967), de zogenoemde loondervingsverzekeringen. De Ziekenfondswet (ZFW, 1969) verzekert werknemers tegen ziektekosten. (Het kabinet wil AWBZ en ZFW samenvoegen in een nieuwe basisverzekering voor iedereen, met daarnaast de mogelijkheid tot aanvullende particuliere verzekering.)

"Sluitstuk' van de sociale zekerheid zijn de sociale voorzieningen, die niet via premies maar via de belastingen worden gefinancierd. De oudste is de Algemene bijstandswet (ABW, 1965), die voorziet in een uitkering voor de "noodzakelijke kosten van bestaan' aan iedere Nederlander zonder toereikend inkomen of vermogen. Bij de herziening van het sociale zekerheidsstelsel in 1987 zijn de sociale voorzieningen uitgebreid met de Toeslagenwet (TW), die - indien nodig - de loondervingsverzekeringen aanvult tot het geldende sociale minimumniveau. Tenslotte zijn er de IOAW en IOAZ bijgekomen, die oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en gewezen zelfstandigen een inkomensgarantie op het niveau van het sociale minimum bieden (zonder vermogenstoets).

De sociale zekerheid kost dit jaar in totaal ongeveer 135 miljard gulden, 110 miljard voor de sociale verzekeringen en 25 miljard voor de sociale voorzieningen. In 1980 was er 83 miljard mee gemoeid. Gerelateerd aan het netto nationaal inkomen liep de uitgavendruk in de tussenliggende periode 0,5 punt op (tot 29,7 procent) en zakte de premiedruk 1 punt (tot 19,2 procent). Daarentegen verandere de arbeidsparticipatie drastisch. Telde men in 1980 nog 68 niet-actieven op 100 actieven, dit jaar zijn er meer dan 85 niet-actieven op 100 actieven.

Met de uitgaven aan sociale zekerheid bezet Nederland internationaal de top. In 1988 werd hier 30,7 procent van het bruto binnenlands produkt aan de sociale zekerheid besteed. In de EG volgen België, Denemarken, Frankrijk en (voormalig West-)Duitsland, die in dat jaar alle vier tussen de 28 en 29 procent scoorden.