Tussen Vesuvius en Walibi; De beste gebouwen volgens Madurodam en Mini Europe

In Mini Europe in Brussel, het Europese Madurodam, staan natuurlijk de Big Ben, de Sacre Coeur en de toren van Pisa. Maar ook Le Corbusiers Ronchamp- kapel en het ronde Circus in Bath, in het echt geen grote toeristische trek- pleisters, zijn er na- gebouwd. Nederland is in Brussel met 19 maquettes veruit het belangrijkste land van de EEG. Maar met de moderne archi- tectuur in Nederland is het treurig gesteld: na de Beurs van Berlage is geen gebouw het verkleinen meer waard geweest.

Mini-Europe, Bruparck, Brussel. Geopend tot en met 1 sept. Ma t-m vr 9-20 u., za en zo 9-21 u. Na 1 sept. dagelijks 9-18 u. Toegangsprijs Bfr 340,-. (ƒ 17,-).

De makers van Mini Europe in Brussel hebben een kans voor open doel gemist. Zelden krijgt men de gelegenheid om in de schaduw van het echte gebouw een kleine kopie neer te zetten, maar in het twee jaar geleden geopende Mini Europe, waar modellen van gebouwen uit de twaalf leden van de EEG staan, is alleen het echte Atomium te zien. Blijkbaar is de 150-miljardvoudige vergroting van een ijzerkristal niet belangrijk genoeg om aan de voet van zichzelf vijfentwintig keer verkleind te worden.

Maar wat is eigenlijk een belangrijk gebouw?

In de handboeken van de westerse architectuurgeschiedenis worden steevast alleen vernieuwende en invloedrijke gebouwen genoemd. Het gaat dan om gebouwen als het Parthenon in Athene, het Pantheon in Rome en de Villa Savoye van Le Corbusier niet ver van Parijs. Omvang speelt geen rol en een klein gebouwtje als de Tempietto van Bramante, verborgen op de binnenplaats van een kerk in Rome, komt dan ook in elke geschiedenis van de westerse architectuur voor.

Niet bekend

Een derde mogelijkheid is het belang van gebouwen af te meten aan de populariteit ervan. Belangrijk zijn dan die gebouwen die door veel toeristen worden bezocht en die in de reclamefolders van de reisbureaus en plaatselijke VVV's voorkomen. Zulke gebouwen bepalen voor de meeste buitenlanders het beeld van een stad of land. De Sacré Coeur in Parijs of de Tower Bridge in Londen zijn typische voorbeelden van belangrijke gebouwen volgens het toeristische criterium.

Er bestaan ook gebouwen die aan alle drie criteria voldoen. Het Koninklijk Paleis van Jacob van Campen op de Dam in Amsterdam is er zo een: het is belangrijk in de Nederlandse architectuurgeschiedenis, het is een toeristische trekpleister én het is groot. Een modellenpark van Europa zou, ideaal gezien, louter uit zulke gebouwen moeten bestaan. Ze zouden bovendien uit verschillende perioden moeten komen, waarbij dan wel moet worden bedacht dat sommige periodes in bepaalde landen veel belangrijke gebouwen hebben opgeleverd en andere helemaal niet. Zo krijgt de bezoeker een beeld van de architectuurgeschiedenis van de landen zonder dat het feest der herkenning verloren gaat.

Het valt niet mee om van elk lid van de EEG zo'n ideale vertegenwoordiging te verzinnen. Voor ik naar Mini Europe ging, maakte ik voor Groot-Brittannië een ideaal gebouwenlijstje en het lukte me niet om uit alle perioden een gebouw te verzinnen dat in alledrie opzichten belangrijk is. Bovenaan stond natuurlijk Stonehenge, al kun je je afvragen of dit een gebouw is of een beetje groot uitgevallen zonnewijzer. Dan Durham Cathedral als het beste Romaanse bouwwerk uit de Noormannentijd, gevolgd door een een flinke gotische kathedraal, bij voorbeeld die van Salisbury. Vervolgens Longleat of Hardwick Hall, de door Robert Smythson ontworpen paleizen uit het einde van de zestiende eeuw, waarin de eerste aanzetten van de Renaissance zichtbaar zijn. Als voorbeeld van onversneden renaissance-architectuur wilde ik Banqueting House in Londen van Inigo Jones nemen, maar dat voldeed slechts aan een van de drie criteria en haalde het lijstje dus niet. Het gebouw van Inigo Jones is weliswaar belangrijk, maar niet zo groot en ook niet echt toeristisch. De vertegenwoordiging van de barok leverde geen problemen op: dat werd natuurlijk St. Paul's Cathedral van Sir Christopher Wren. Een van de mooie, grote pleinen in Bath met woningen van John Wood sr en jr moesten het achttiende-eeuwse Britse classicisme representeren en als belangrijkste uiting van de negentiende-eeuwse neo-stijlen was het neogotische parlementsgebouw met de Big Ben in Londen onvermijdelijk. De twintigste eeuw, ten slotte, moest worden vertegenwoordigd door het door Richard Rogers ontworpen high-tech kantoor van Lloyd's in Londen, groot en belangrijk, maar helaas ook niet zo toeristisch.

Ik had niet de illusie dat alle gebouwen van mijn ideale Engelse lijstje in Mini Europe in Brussel zouden staan. In de veronderstelling dat makers van een toeristisch modellenpark zelf bij de selectie van gebouwen vooral het toeristische criterium zouden hanteren, verwachtte ik in ieder geval het parlementsgebouw, een grote romaanse of gotische kerk en misschien de St Paul's. De rest kon ik wel vergeten, dacht ik.

Streng

Ik kwam bedrogen uit. Een grote gotische of romaanse kathedraal uit Groot-Brittanië ontbreekt juist in Brussel. Het immense Londense parlementsgebouw, compleet met een beierende Big Ben, is wel nadrukkelijk aanwezig, maar Longleat staat er ook. En niet alleen was het schitterende, ronde Circus in Bath prachtig nagebouwd, maar ook de Royal Crescent plus de verbindende Brock Street. Dat de rest van de Britse vertegenwoordiging bestaat uit Dover Castle en kleine huisjes uit plaatsjes als Bibury en Stratford upon Avon, nam ik toen graag voor lief. Ook dat de Britse twintigste-eeuwse architectuur geheel ontbrak, vergaf ik de makers graag.

In de Franse enclave staat ook geen gotische kerk, maar de twintigste eeuw is verrassend goed en mooi vertegenwoordigd met Le Corbusiers Ronchamp-kapel uit 1955 en het Centre Pompidou van Piano en Rogers uit 1977. Nog verbazender is de maquette van Arc-et-Senans, het classicistische, halvemaanvormige dorp voor de zoutproduktie uit het einde van de achttiende eeuw, ontworpen door Claude-Nicolas Ledoux. Zelf zou ik dit niet op mijn ideale Franse lijstje gezet durven hebben - het dorp is weliswaar van architectuurhistorisch belang en met alle fabrieks- en woongebouwen bij elkaar ook groot, maar toch tamelijk onbekend en zeker niet toeristisch. Gelukkig zijn de makers van Mini Europe minder streng en kunnen de bezoekers van Mini Europe een van de weinige overgebleven scheppingen van Ledoux bewonderen alsof ze in een vliegtuig zitten. Ook origineel is het Chateau de Chenonceau uit 1520, een vreemde mengeling van middeleeuwse en renaissancistische bouwkunst, minder origineel, maar volgens alledrie criteria wel terecht is de keuze voor de Arc de Triomphe, alleen onorigineel is de Sacré Coeur. Maar daarover klagen zou een beetje flauw zijn na het zien van Ledoux' dorp.

Het kan haast niet anders of de selectie van gebouwen voor elk land is aan steeds een andere architectuurhistoricus overgelaten. Want terwijl de keuzeheren van Engeland en Frankrijk een hekel aan gotische en romaanse bouwkunst moeten hebben, is die van Italië er juist dol op: op het Italiaanse grondgebied in Brussel staan het Palazzo Publico van Siena, de kathedraal van Pisa compleet met scheve toren en baptisterium, het Dogenpaleis en de Campanile van Venetië en, heel vreemd, de tijd- en stijlloze Vesuvius, die de bezoeker met een druk op de knop kan laten roken en grommen. Er is geen spoor te bekennen van de Romeinse tijd of de twintigste eeuw en de renaissance, waarvan Italië toch de bakermat is, is alleen vertegenwoordigd door de zestiende-eeuwse Villa Rotonda van Palladio, een mooie keuze overigens.

Cultuurpessimist

Gemeten naar het aantal maquettes in Mini-Europe is Nederland met 19 veruit het belangrijkste architectuurland van de EEG, op afstand gevolgd door België met 14, Duitsland met 10, Italië met 8 en Engeland en Frankrijk ieder 7. Hoewel de Nederlandse keuzeheer dus de beste mogelijkheid had om een goed beeld van de architectuurgeschiedenis van zijn land te geven, heeft hij er veel minder van gemaakt dan zijn Engelse en Franse collega's. Hij heeft een vreemde voorkeur voor gebouwen uit lang voorbije tijden uit de provinciale steden. Van de randstad is alleen Amsterdam met vier modellen vertegenwoordigd; het kasteel van Hoensbroek, het Maastrichtse stadshuis van Pieter Post, de Waag in Alkmaar, het stadhuis van Veere en de molens van Kinderdijk zijn kennelijk allemaal belangrijker dan Jacob van Campens Mauritshuis in Den Haag of de Amsterdamse kerken van Hendrick de Keyser. De Mini-Europe-bezoeker zal ook stellig de indruk krijgen dat het met de moderne architectuur in Nederland treurig is gesteld: na de Beurs van Berlage uit 1903 is geen gebouw het verkleinen meer waard geweest.

Maar het kan nog erger. De Belgische architectuurhistoricus vindt dat na de gotische, renaissancistische en barokke gebouwen in Antwerpen, Leuven, Gent, Brugge en Brussel alleen nog het reuzerad uit pretpark Walibi een plaats heeft verdiend in Mini Europe, dat overigens door de Walibi-groep wordt geëxploiteerd.

Ook de Duitse selecteur is een cultuurpessimist die weinig vooruitgang in de architectuur ziet. Op het Duitse grondgebied staan oude gebouwen uit Lübeck, de Romeinse poort in Trier, de grote romaanse kathedraal van Speyer en een straat in Bonn met het geboortehuis van Beethoven waaruit het slotdeel van zijn Negende Symfonie klinkt. Het enige Duitse bouwwerk van de laatste twee eeuwen dat de voet van het Atomium heeft gehaald, is de Berlijnse muur uit 1961. Lang zal het enige eigentijdse Duitse bouwwerk in Mini Europe niet meer staan, want mini-Duitsers zijn bij de mini Brandenburger Tor druk in de weer om het af te breken.

Nieuwkomers als Denemarken, Spanje, Griekenland, Portugal en Ierland moeten tevreden zijn met twee tot vier modellen en van het oude, trouwe lid Luxemburg is, een beetje zielig, alleen de Pont Adolphe verkleind. Met zulke aantallen kan men natuurlijk nooit een beeld geven van de architectuur van deze landen. Spanje komt er nog goed af met het in alle opzichten goed gekozen Escorial uit Madrid dat ook 25 keer verkleind nog overweldigend is, maar Portugal, waarvan alleen de Torre de Belem in Lissabon en een niet nader omschreven boerdeij aanwezig zijn, verdient meer.

Een blinkend witte Akropolis, die samen met het eiland Santorini Griekenland vertegenwoordigt, vormt de laatste attractie van Mini-Europe. Het is alsof de samenstellers met dit oude tempelcomplex de vertrekkende bezoeker nog een keer de boodschap die uit hun selectie spreekt, willen inpeperen: de glorietijd van de Europese architectuur ligt achter ons, ver achter ons.