"Toezicht geestelijke volksgezondheid moet een rijkstaak blijven'

DEN HAAG, 16 AUG. Het Staatstoezicht op de Geestelijke Volksgezondheid dient een overheidsinstantie te blijven. De inspectie leent zich niet voor een reorganisatie, laat staan verzelfstandiging, omdat daarmee de belangen van de patiënt in gevaar dreigen te komen.

Dat schrijft de geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid, M.D. Lamping-Goos, in het jaarverslag 1990 van de inspectie. Haar boodschap aan minister d'Ancona (WVC), staatssecretaris Simons (volksgezondheid) en topambtenaren van het departement is het taatstoezicht ongeschonden door de Grote Efficiency Operatie en decentralisatie-maatregelen te laten komen. “Het terugbrengen van overheidstekorten en het terugtrekken van de landelijke overheid zullen niet mogen leiden tot een terugval van (het toezicht op) de zorg voor de meest kwetsbare patiënten in de samenleving”, aldus de hoofdinspecteur.

Verschillende bedreigingen liggen op de loer, constateert een bezorgde Lamping-Goos. Op verzoek van staatssecretaris Simons wordt momenteel onderzocht of de zes regionale inspecties - elk met 5 à 6 inspecteurs en hun administratieve ondersteuning - meer kunnen gaan samenwerken. Volgens de hoofdinspecteur valt sterk te betwijfelen of door regionale samenwerking de efficiency kan worden verbeterd. “Waar samen moet worden gewerkt, wordt samengewerkt”, aldus Lamping-Goos. Zij waarschuwt ervoor dat de mogelijk geringe winst die kan worden behaald door ruimten en apparaten gezamenlijk te benutten zal worden verstoord door grotere teams met grotere aandachtsgebieden.

Verzelfstandiging van de inspectie of het onderbrengen van haar taken bij de provincies is volgens Lamping-Goos volstrekt uit den boze. Toezicht op de geestelijke volksgezondheid moet een rijkstaak blijven. Een eventueel samengaan met de geneeskundige hoofdinspectie voor de volksgezondheid wijst Lamping-Goos resoluut af. De meer individu-gerichte aanpak en het specialistisch toezicht zullen onder druk komen te staan, vreest zij. Bovendien zal volgens haar het overwicht van de "somatische' pressiegroepen, zoals die van hart- en kankerpatiënten, en hun artsen toenemen. “Nu al worden in de psychogeriatrie en zwakzinnigenzorg wachtlijsten geaccepteerd die de maatschappij voor de somatische zorg niet wil creëren.”

In het jaarverslag somt de hoofdinspectie nog eens de "ernstige capaciteitsproblemen' in de geestelijke gezondheidszorg op. Een paar voorbeelden: Psychiatrische patiënten moeten bij sommige Riagg's na aanmelding zes tot acht weken wachten op een eerste gesprek, tenzij er sprake is van zeer acute problemen. Behandeling is soms pas na een half jaar of nog langer mogelijk. Patiëntendossiers worden slecht tot zeer slecht bijgehouden. Dat maakt controle achteraf op de behandeling vaak onmogelijk. Verder schiet de voorlichting aan patiënten en hun familie in veel gevallen ernstig tekort. Demente bejaarden moeten maandenlang of zelfs langer dan een jaar wachten op een plaats in een verpleeghuis, terwijl de thuishulp al lang het onmogelijke van de familie, eerstelijnszorg (kruiswerk en huisarts) en Riagg vraagt. Psychiatrische patiënten worden tot ver van hun woonplaats in psychiatrische ziekenhuizen opgenomen, omdat het lokale of regionale algemeen psychiatrisch ziekenhuis geen bed ter beschikking heeft. Zo komen patiënten uit Gelderland en Overijssel soms noodgedwongen in Den Helder en Maastricht terecht. Psychiatrisch gestoorde kinderen en jeugdigen worden nog steeds in instellingen voor volwassenen opgenomen.