Tirana telt twee priesters, alle anderen zijn gedood

TIRANA, 16 AUG. “Ik heb Gods wonderen gezien”, zegt Gaqi Petri, in zijn Kerk van de Heilige Evangelisten in een zijstraatje van de uitvalsweg naar Kavajë. Hij is een van de twee orthodoxe priesters in Tirana. De andere, zegt hij, is uit Kosovo naar Albanië gehaald door Moeder Theresa, die zelf Albanese is en die hier een opvangcentrum heeft geopend. Alle andere priesters zijn dood. “Ik leef nog. Ik heb niet eens gevangen gezeten. Een wonder van God.”

Religie mag weer, in Albanië. Zevenënveertig jaar nadat de communisten aan de macht kwamen en hun kruistocht tegen de kerken begonnen, en vierëntwintig jaar nadat ze die kruistocht bezegelden met de uitroeping van Albanië tot atheïstische staat, gaan de kerken weer open. In 1967, het rampjaar, verklaarde partijchef Enver Hoxha religie tot een zaak van het verleden. De kerken en moskeeën gingen dicht, priesters en mollahs gingen aan het werk als ongeschoold arbeider. Wie in het geheim zijn priesterlijke functies bleef uitoefenen en werd betrapt, verdween in Albaniës eigen netwerk van gevangenissen en kampen na tot straffen van twintig jaar en langer te zijn veroordeeld wegens sabotage of spionage voor het Vaticaan.

De meesten van hen zijn dood: gevangenen zijn onder het socialisme slecht behandeld, politieke gevangenen nog slechter en priesters het slechtst. In de Albanese kampen zijn priesters doodgemarteld, aan kruisen gebonden die vervolgens werden omgegooid, net zolang tot de priester dood was. Priesters die werden betrapt op het dopen van mensen in de kampen, werden geëxecuteerd. De kerken en moskeeën gingen dicht: ze werden in gebruik genomen als veestal, opslagplaats, gymzaal, "atheïstisch museum', bioscoop of omgebouwd tot flat. De godsdienst - 25 procent van de bevolking was albanees-orthodox, vijf tot tien procent katholiek en de rest islamiet - verdween en de prominente rol die vooral orthodoxe priesters en monniken hebben gespeeld in de strijd om de Albanese onafhankelijkheid en het bewaren van geschiedenis en cultuur werd gebagatelliseerd. Fan Noli, 's lands grootste staatsman van deze eeuw, was Shakespeare-vertaler, schrijver, dichter. Dat hij ook bisschop was werd er nooit bij gezegd.

Gaqi Petri heeft geluk gehad. Een stokoude man, naar eigen zeggen bijna tachtig, lijkt te bestaan uit botten en vel, een doorschijnend witte huid vol kleine rode adertjes, witte stoppels en waterige ogen. Maar hij is ongebroken. In 1967 dook hij onder. “Je kreeg toen vijf jaar als je zei dat je gelovig was en vijftien als ze religieuze boeken in je huis vonden. In de bijbel staat dat je buren je ergste vijand zullen worden, en dat woord kwam uit. Ik heb tot mijn pensionering als stratenmaker gewerkt, in Korçë. Ik heb ondergronds als priester gewerkt, het was erg gevaarlijk. Wij waren hun ergste vijanden. Maar het moest. In de boeken staat dat je moet doorgeven wat je weet, en dat heb ik gedaan. Heel voorzichtig, altijd bang voor verklikkers. Maar God heeft me gered.”

Nu, zegt Petri, ben ik de enige overgebleven orthodoxe priester van Tirana. “De rest is dood. Er waren voor 1967 in Albanië driehonderd orthodoxe priesters. Daar waren er in 1967 nog honderdvijftig van over. En nu, nu zijn er achttien, in het hele land.” De meesten, zegt hij, zijn oud, zo oud als ik, of nog ouder, een van hen is 97. Er is geen bisschop. Er is alleen iemand door het patriarchaat in Istanbul benoemd die de kerk voorlopig leidt, maar die is hier nog niet geweest.

Geloven mag pas weer net: eind maart zijn de kerken en moskeeën weer open, zelfs de Bektashi-sekte heeft een eigen centrum. Als de gelovigen in de centrale moskee aan het Skanderbegplein bidden, verzamelen zich nieuwsgierigen bij de raampjes om de gebeurtenissen in de rijk met tapijten voorziene gebedsruimte te volgen.

Sinds 1967 is de Kerk van de Heilige Evangelisten in Tirana een sporthal geweest, van de nabijgelegen sportvereniging 17 november. Nu, zegt Petri, zijn we druk bezig het gebouw weer als kerk in de richten. “De fresco's aan de binnenzijde van de koepel zijn overgeschilderd. Dat moeten we ongedaan maken. En het koor is dichtgemetseld, en de ruimten naast de kerk waren als kleedkamer van de sportclub in gebruik.”

Het is moeizaam beginnen: er is geen geld. De ikonostase van de Kerk van de Heilige Evangelisten is nog van de gebedsruimte afgescheiden door een lange rieten wand. Aan die wand en aan de muren van de kerk hangen kleine ikonen. De meeste religieuze voorwerpen in deze en andere kerken en moskeeën zijn in 1967 naar musea verhuisd, en die geven ze nu slechts met de grootste tegenzin terug. De oudste ikonen, uit de Middeleeuwen, hangen in een museum in Korçë. “Wat we hier aan ikonen hebben hangen, is al die tijd met groot gevaar door gelovigen bewaard”, zegt Petri. “De bisschopszetel is ons teruggegeven door het museum, maar hij was erg beschadigd. Nee, de staat helpt ons niet, de staat praat met de musea maar geeft geen geld. De staat heeft geen geld. We moeten alles zelf doen.”

Er is wel wat hulp uit het buitenland, zegt Petri: de grieks-orthodoxe kerk in Griekenland helpt, de Albanese gemeenschap in de VS, vooral de St. Georgekerk in Boston, de kerk van die Albanese gemeenschap, en verder hebben ook delegaties uit Hongarije en de Roemeense ambassade hulp beloofd. Maar, zegt hij, het blijft voor een belangrijk deel bij toezeggingen. Alleen boeken, die heeft de orthodoxe gemeenschap in Tirana wel gekregen, Albaneestalige boeken, gedrukt in Duitsland en Nederland.

“Het belangrijkste dat we uit de kerk hebben kunnen redden is een reliëf, een liggende Christus, van boven gezien. Het is een kwart eeuw verstopt geweest in de woning van een van de gelovigen. Nu hangt het weer tegen de westelijke muur van de kerk. Niemand, zegt Petri, weet hoe oud het is, maar oud is het. “Maar er is nog veel te doen. Het dak lekt, de verf bladdert af. En onze mensen doen veel, maar ze hebben geen geld.” Hij zegent ons als we afscheid nemen.

Een dag later. In de kerk wordt een kind gedoopt, temidden van een groep gelovigen en veel jengelende kinderen. Petri prevelt, zijn diaken Sotir Xanxheri, die wèl in de gevangenis heeft gezeten (“Maar ook ik heb geluk gehad: maar veertien maanden.”), maant de kinderen tot rust. Vrouwen kussen de ikonen, de kinderen, onwetend van de betekenis, doen het hun onwennig na. Voor de kerk grazen een geit en een schaap. Er staat een oude man bij, met een dikke bril en grote rode handen. Hij heeft twee keer gevangen gezeten, zegt hij, voor sabotage en voor spionage voor de Verenigde Staten. Hij lacht schamper. “Het was wegens mijn geloof.” Zijn oude baan als leraar heeft hij na zijn straf nooit meer teruggekregen, hij heeft in de bouw gewerkt, hij heeft kanalen gegraven. “Dat is niet zo erg. Het ergste was dat ook mijn kinderen zijn gestraft, voor mij. Dat vergeef ik de communisten nooit.” Soms, zegt hij, wordt hij bijna overmand door het verlangen wraak te nemen. “Maar dat mag niet. Elke keer als ik wraak wil nemen, haal ik dit hier te voorschijn.” Hij steekt zijn grote, rode hand in zijn zak en haalt er een bruine rozenkrans uit.