Snelle wagens

Met tweehonderd passagiers in een bus waar er maar maximaal honderd in mogen. Inwoners van de Senegalese hoofdstad Dakar zijn gewend aan lange wachttijden en constateren hoogstens dat zij elke maand weer iets krachtiger in de wagens worden gepropt. De staatsbusonderneming Sotrac heeft financiële moeilijkheden, kan haar vijfhonderdduizend dagelijkse reizigers niet verwerken. De driehonderd bussen die in roulatie zijn, rijden continu overvol af en aan.

Wie in het spitsuur een plaatsje heeft veroverd, kan even op adem komen, maar moet dan weer een strategie ontwikkelen om op tijd uit te kunnen stappen. Want geklemd tussen medepassagiers blijft de reiziger middenin de menselijke sandwich totaal verstoken van het voorbijtrekkend stedelijk landschap. Vragen is dus noodzakelijk, al was het maar om een gevoel van ongemak kwijt te raken bij zoveel lichamelijke intimiteit. Of, als het een vaste route is, stomweg bochten tellen. Bij de betreffende halte laat de passagier zich in een soort golfbeweging richting de deur stuwen, wat een vaardigheid op zich is. Mocht de chauffeur iemand vergeten, dan klinkt luid protest en krijgt degene alsnog de kans om uit te stappen.

Frankrijk, de voormalige kolonisator van Senegal, stelde vorig jaar negentig miljoen beschikbaar voor nieuwe voertuigen. De voorwaarde was dat de prijzen van kaartjes omhoog gingen en Sotrac zou reorganiseren. Met tegenzin ging de Senegalese president Abdou Diouf, 's werelds langste staatshoofd, met de bijnaam "giraffe', akkoord.

De Senegalees die nu de bus niet meer kan betalen, heeft altijd nog een goedkoper alternatief: de car-rapide. Dit is een omgebouwde Renault-bus die plaats biedt aan 23 passagiers. Een krappe zitplaats is gegarandeerd. Achteraan de oranjeblauw geschilderde wagens hangen twee jeugdige bijrijders, die het geld innen en klanten met een stevige hand in- en uithelpen. De car-rapides zijn privé-bezit. In Dakar rijden tweeduizend van deze voertuigen, waarvan slechts zo'n twaalfhonderd op veiligheid gekeurd zijn. De onderhoudskosten zijn voor de meeste exploitanten de bottleneck.

Het motto luidt dan ook: rijden zo lang het kan. De geregelde bezoeker maakt het iedere week wel mee, een "car' die ineens heel erg kapot gaat. Een voorbeeld. Midden op een kruispunt klinkt een oorverdovende klap. De bestuurder verliest de macht over het stuur, de wagen stuitert over het wegdek. Met een dof geratel komt het voertuig tot stilstand. Het helt sterk over naar rechts. Met moeite klimmen de mensen naar buiten en constateren hoe hun vervoermiddel een fatale buiging heeft gemaakt: de vooras is gebroken. Een uiteinde heeft zich genadeloos in het asfalt geschroefd. Somber schudden passagiers het hoofd, maar hun ogen lachen. De bijrijders zuchten en wenken een passerende car-rapide die de klanten wel voor een zacht prijsje van zijn gedupeerde collega wil overnemen.

De onderlinge concurrentie is levensgroot. Inhaalwedstrijdjes en afsnijden zijn het gevolg. Bestuurders stoppen op elke willekeurige plek langs de weg. Om het wildwest-achtige gedrag terug te dringen beperkte de Senegalese overheid al in 1976 de vrijheid van de car- rapide. Hij moest voortaan vaste routes rijden. Belangrijke straten werden verboden terrein.

In de vrije Senegalese pers is nu gesuggereerd dat de overheid de trajecten van de carrapide maar moet vrijgeven, om daarmee de druk op de busonderneming Sotrac te verkleinen. Maar de regering is tegen. Mamadou Diop, verantwoordelijk ambtenaar voor het transport, schudt krachtig van nee: “Car-rapides voor het presidentieel paleis of op de Place de l'Indépendance? Ik zie dat niet gebeuren.”