Roman van Natalia Ginzburg; Medelijden met een neus

Natalia Ginzburg: Lieve Michele. Vert. J.H. Klinkert-Pötters Vos. Uitg. Meulenhoff, 181 blz. Prijs ƒ 29,50.

Iedereen droomt wel eens van heel anders wonen, buiten bij voorbeeld, met uitzicht op velden en bomen. Je zou rozen gaan kweken en lange wandelingen maken en enorm gelukkig zijn. De meeste mensen doen het toch maar niet, sommige dromen kunnen beter dromen blijven. Een vrouw die Adriana heette deed het wel. Ze verhuisde uit Rome naar het platteland en stelde zich er veel bij voor. Het was winter. De verwarming deed het niet zo goed en de telefoon werd almaar niet aangesloten. Daarom schreef ze maar een kribbige, moederlijke brief aan haar zoon Michele. “Ik neem aan dat je me niet met mijn verjaardag komt feliciteren want ik denk dat je daar niet aan zult denken.” “Misschien heb ik er verkeerd aan gedaan dit huis te kopen. Soms denk ik dat het een vergissing is geweest.” “Ga jij alsjeblieft ook eens naar de telefoondienst. Voor jou is het een kleine moeite, want het is niet ver van jou vandaan.” Als ze de brief klaar heeft gaat ze in de woonkamer zitten niets doen. “Ze las niet en keek al evenmin naar buiten naar de sneeuw, want plotseling had ze het gevoel dat ze dat heuvelachtige sneeuwlandschap dat je door het raam zag, haatte.” Adriana was niet gelukkig.

In Natalia Ginzburgs roman Lieve Michele (1973), die opnieuw en erg mooi vertaald is door J.H. Klinkert-Pötters Vos, worden heel veel brieven geschreven door mensen die geen van allen erg gelukkig zijn. Ze doen daar weinig tegen omdat ze denken dat geluk niet zo heel veel voorkomt. “Ik wens je alle mogelijk goeds toe en ik hoop dat je gelukkig bent, aangenomen dat er zoiets als geluk bestaat. Ik geloof er niet in, maar anderen wel en het is niet gezegd dat die anderen geen gelijk hebben.” Veel van die brieven zijn gericht aan Michele, een schilderende jongen met revolutionaire ideeën die een wat stuurloos leven leidt. De brieven komen voornamelijk van zijn moeder, zijn zuster Angelica en zijn vriendin Mara, maar er zijn ook nog andere correspondenten. Michele zelf schrijft ook brieven, uit Engeland, waar hij om onduidelijke redenen naartoe is vertrokken. Misschien werd hij gezocht door de politie (hoewel hij nu ook weer niet zo'n erg daadkrachtige revolutionair lijkt), misschien was hij werkelijk van plan een cursus beeldhouwen te gaan volgen. Het doet er niet zo erg toe. Hij is voornamelijk de samenbindende factor van het boek, degene dankzij wie iedereen elkaar kent en schrijft.

De levens van de anderen maken nauwelijks een standvastiger indruk. Men doet maar wat. Zelden neemt iemand een beslissing, alles lijkt iedereen voortdurend te overkomen. De aandacht gaat voornamelijk uit naar kleinigheden: een dochtertje is verkouden, het dienstmeisje kan niet koken, elke avond komt Osvaldo op bezoek en zegt niets, Matilde leest haar slechte roman voor, het stinkt naar de wc, in het keldertje van Michele zijn twee mooie dekens achtergebleven. Over de grote dingen wordt niet zo veel gezegd, men is stilzwijgend getrouwd met de verkeerde, of verlaten door de goede, men heeft geen geld of geen doel of geen van beide. Geen onderwerpen om lang bij stil te staan. “Ik heb het gevoel dat wij het allemaal op een subtiele manier voor elkaar krijgen in een hopeloze situatie te geraken die niemand kan oplossen en waarbij we niet meer voor- of achteruit kunnen”, schrijft Angelica, een zuster van Michele en verreweg de verstandigste van het stel. Het is een goede samenvatting van de verschillende levens. Dat klinkt allemaal treurig en hopeloos. Toch is Lieve Michele een opvrolijkend boek.

Uitroeptekens

Bijna alles wat Natalia Ginzburg schrijft is opvrolijkend. Ze schrijft altijd over mislukte, of toch minstens niet zo goed geslaagde levens. Ze doet dat niet ironisch, maar ook niet klagerig. Ze is laconiek en gevoelig tegelijk, wat een mooie en zeldzame combinatie is. Zodra ze een uitroepteken schrijft schiet ik in de lach - zij schrijft de grappigste uitroeptekens die er zijn. Ze doet niet aan vergelijkingen, aan uitleggen of overwegen heeft ze een hekel en haar personages ook. Die zeggen altijd precies hoe ze denken dat het zit. “Osvaldo bezoekt ons elke avond. Volgens Matilde is hij verliefd op me maar Matilde is een warhoofd. Ik geloof dat hij uit sleur komt, uit de macht der gewoonte.” Meer uitleg is overbodig. Iets veranderen aan de toestand ook.

Verder is alles wat Natalia Ginzburg schrijft waar. Dat denk ik tenminste. Er valt altijd weinig tegenin te brengen. Neem bij voorbeeld haar stuk "De menselijke verhoudingen' uit de bundel Mensen om mee te praten. Daarin schrijft ze over "de juiste persoon': “En we verlaten ons huis en gaan voor altijd met deze persoon samenleven; niet omdat we ervan overtuigd zijn dat hij de juiste persoon is, integendeel, we zijn daar helemaal niet van overtuigd en we hebben steeds het vermoeden dat de ware juiste persoon zich wie weet waar in de stad verborgen houdt. Maar we hebben geen zin om te weten waar hij zich verbergt. We voelen dat we hem nu nog maar heel weinig te zeggen hebben, omdat we alles aan deze persoon zeggen waar we nu mee samenleven en die misschien niet de juiste is; en het goede en het kwade van ons leven willen we ontvangen van deze persoon en met hem.” Alles wat in dat stuk staat is waar, omdat het persoonlijk en bijzonder is en omdat geen woord het mooier wil maken dan het is. Misschien zegt Ginzburg eigenlijk wel bijna altijd iets heel eenvoudigs, zoiets als dat het leven precies is wat het is en dat je er vaak niet goed genoeg met je hoofd bij bent omdat je het zo druk hebt met andere dingen en verwachtingen en verlangens en dat je daarom soms niet weet hoe gelukkig je bent. Aangenomen dat er zoiets als geluk bestaat.

Ook heel waar is: “Op school werd ik door geen enkel bevriend gezicht verwelkomd: omdat ik nog met niemand vriendschap had gesloten. Dit vond ik onverklaarbaar.” ("De witte snor')

Pelikaan

In Lieve Michele leidt iedereen een onverklaarbaar leven. Vooral Mara die een baby heeft, misschien wel van Michele, maar waarschijnlijk ook niet want ze ging in die tijd met iedereen naar bed zoals ze zelf zegt. Ze is hulpeloos en alleen, maar ook sterk. Aan iemand die aardig voor haar is geweest stelt ze een vriend voor als haar broer, want "aardige mensen vinden het leuk om iemands familie te kennen'. Ze is snel verontwaardigd en een klaploper en volkomen onmogelijk eigenlijk, maar ze schrijft brieven zoals ik ze ook wel graag zou willen krijgen.

Haar brieven gaan over van alles, over de slobpakjes van haar baby, over haar problemen met poedermelk, over wie ze ontmoet en wat ze daarvan vindt, over de kimono die ze draagt en de lasagna die ze eet. Ze liegt er vaak op los om zichzelf wat op te vrolijken. Ze wordt verliefd op een rijke uitgever met een enorme neus die ze de pelikaan noemt en met wie ze wil trouwen. Ze wil, schrijft ze Michele, “trouwen met een man met wie ik nooit medelijden hoef te hebben want ik heb al genoeg medelijden met mezelf. Ik zou willen trouwen met een man die ik benijd.” De pelikaan is zo'n man. “Ik trouw hem heus niet om zijn geld, ik trouw met hem omdat ik van hem houd, niettemin ben ik blij dat hij al dat geld heeft, ik benijd hem omdat hij rijk is en om zijn intelligentie, en soms betrap ik me er zelfs op dat ik jaloers ben op die enorme neus.” Natuurlijk gaat het, zoals alles, verkeerd. “Ik ging de slaapkamer binnen. De pelikaan lag wakker, met zijn handen ineengestrengeld onder zijn hoofd. Ik had ontzaglijk veel medelijden met hem. Alles aan hem vond ik zielig, zijn pyjama, zijn hoofd op het kussen, zijn neus.” Medelijden met een eens benijdenswaardige neus, dat is een treffende samenvatting van hoe de liefde voorbij kan gaan.

Ondanks het feit dat iedereen elkaar regelmatig en uitgebreid schrijft, bestaat er toch weinig intimiteit. Ieder schrijft maar wat voor zich uit, zonder veel troost of zelfs maar reactie te verwachten. Of misschien verwachten ze dat wel, maar ze krijgen het in ieder geval niet. Michele schrijft Mara terug: “Schrijf me. Je brieven amuseren me.” Moeder Adriana schrijft hopen lange treurige brieven vol vermaningen, raadgevingen en vragen, ze krijgt maar één keer een briefje van haar zoon terug. Zelden zie je zoveel eenzame mensen bij elkaar. Alle mensen in alle boeken van Natalia Ginzburg zijn eenzaam. Nooit is er eens iemand die een ander begrijpt.

Waarom is het dan toch niet bedrukkend om Ginzburg te lezen? Het moet iets zijn in haar stijl, in het feit dat ze de moeite heeft genomen om in haar onopgesmukte zinnetjes al die dingen op te schrijven zonder ooit te beweren dat iets zinloos of uitzichtloos is. Dat zou een overzicht veronderstellen waar zij niet van houdt. Elk ogenblik kan er weer iets anders gebeuren. De kans dat het iets goeds is, is niet groot, maar wie weet. “Ik omhels je en wens je veel geluk toe, aangenomen dat er zoiets als geluk bestaat, wat misschien niet helemaal is uitgesloten, al komen we de sporen daarvan dan ook zelden tegen in de wereld die ons is aangeboden.”