Rapport: Russische roulette bij huisvuilverbranding

LEIDSCHENDAM, 16 AUG. “Russische roulette met zware metalen uit de GAVI”, schreef dr. P.H. van der Meide, bioloog gezondheidswetenschappen bij TNO, boven zijn rapport over de komende vuilverbranding op Ypenburg. GAVI staat voor geïntegreerde afvalverwerkingsinstallatie, waarbij de nadruk op verbranding ligt. Nu de installatie van Leiden is gesloten wegens een te hoge uitstoot van dioxines, zijn plannen ontworpen voor een nieuw en aanmerkelijk groter complex, vlakbij het verkeersknooppunt Prins Clausplein te Leidschendam in een dichtbevolkt gebied. De bedoeling is dat deze GAVI jaarlijks 750.000 ton huishoudelijk afval en daarmee gelijkgesteld bedrijfsafval gaat verbranden met een mogelijke uitloop naar een miljoen ton.

Om de installatie te exploiteren is op aandrang van het provinciebestuur een samenwerkingsverband van 35 gemeenten in westelijk Zuid-Holland gevormd: de SAVA. De grootste participanten daarin zijn Den Haag en Leiden. Sommige kleinere gemeenten, waaronder Rijswijk en Voorburg, zijn tegen de GAVI, net als de particulieren die zich verzamelden in de actiegroep "Stop Vuilverbranding Ypenburg'. Het verzet wordt gesteund door verenigingen van huisartsen in een aantal omliggende gemeenten.

De gemeenteraad van Leidschendam nam in december 1990 met 16 tegen 7 stemmen een principebesluit om het verbrandingscomplex op zijn grondgebied toe te laten. Onlangs echter weigerde de raad een versnelde artikel-19-procedure te beginnen om het bestemmingsplan voor het gebied rond Ypenburg te wijzigen. Daarop hebben B en W het bewuste voorstel ingetrokken.

Intussen stelde de bioloog Van der Meide zijn alarmerende rapport samen. Daarin beperkt hij zich tot de zware metalen cadmium en antimoon die bij vuilverbranding vrijkomen. “Die zijn”, schrijft hij, “zo gevaarlijk vanwege hun zeer waarschijnlijk kankerverwekkende eigenschappen, hun schadelijke effecten op de voortplanting en hun vermogen zich op te hopen in levende organismen. Een andere verraderlijke eigenschap van beide stoffen is dat ze niet te vernietigen zijn.”

Hij tekent hierbij aan dat zowel cadmium als antimoon in proefdieren kankerverwekkend is gebleken: “Bij bepaalde concentraties zijn de stoffen dodelijk. Een hond die éénduizendste gram cadmiumzout opsnuift, sterft binnen enkele minuten. In hoeverre dit ook geldt voor de mens, is niet duidelijk. Wel is er een onmiskenbaar verband aangetoond tussen het optreden van longkanker en de hoeveelheid cadmium in de lucht.”

Volgens Van der Meide komt 30 procent van de totale Nederlandse bodemvervuiling voor rekening van Zuid-Holland. Daarmee, schrijft hij, is deze provincie hard op weg naar een situatie als in de zwaar vervuilde Kempen.

Met een beroep op eerdere rapporten, onder andere van het Centrum voor Milieukunde van de Leidse universiteit, noemt hij vuilverbrandingsinstallaties de belangrijkste lucht-emissiebronnen van dit zware metaal: “Voor wat betreft Nederland is het zorgwekkend te moeten constateren dat de uitstoot van cadmium naar het milieu aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van 1985. Deze toename is voornamelijk toe te schrijven aan de toegenomen hoeveelheid cadmium in huishoudelijk afval.” Daarop voorspelt hij een verdere stijging van de cadmiumbelasting, vooral in gebieden rond verbrandingsinstallaties: “Nu al is de gemiddelde jaarlijkse toename in de bodem van Delfland - de lokatie van de geplande GAVI - 5 tot 25 maal hoger dan de hoeveelheid die voor de teelt van gewassen acceptabel wordt geacht.”

Van der Meide berekent dat bij verbranding van één miljoen ton huisvuil per jaar 7.000 kilo cadmium in de ovens terechtkomt. Zou men erin slagen 95 procent daarvan door middel van rookgasreinigers uit de atmosfeer te houden, dan nog verlaat jaarlijks 350 kilo cadmium de schoorsteen. Bij 750.000 ton huisvuil (de voorlopig geplande capaciteit van de GAVI op Ypenburg) zou het jaarlijks 260 kilo zijn.

Ir. A.H.M. Bresser, hoofd laboratorium afvalstoffen en emissies bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM), tekent hierbij aan dat de jongste richtlijn voor verbranding (uit 1989) de uitgeblazen hoeveelheid cadmium bindt aan een limiet van een kwart gram per ton afval. In het geval-Ypenburg komt dat neer op 175 kilo per jaar. “En daar zal men zich aan moeten houden”, aldus Bresser. “Alles wat er bovenuit komt, wordt niet getolereerd.”

Inmiddels heeft de Veabrin - de Vereniging van Exploitanten van Afvalverbrandingsinstallaties in Nederland - zich loyaal achter de nieuwe richtlijn opgesteld. “Maar”, aldus een mededeling van die kant, “zij blijft wijzen op het spanningsveld tussen theorie en praktijk. Zo lijkt het weliswaar mogelijk te voldoen aan de normen voor de afzonderlijke componenten - behalve dioxines en zware metalen ook stof, zoutzuur, chloor, fluoriden, zwaveldioxide en stikstofoxiden - maar de aaneenschakeling van technieken voor alle componenten samen is een andere kwestie.”

Een duidelijke slag om de arm dus, maar Bresser blijft erbij: “Men zal aan de richtlijn moeten voldoen en daar wordt door de milieu-inspectie ook controle op uitgeoefend.” Van der Meide voert aan dat de uitgestoten hoeveelheid cadmium nog aanzienlijk verder dreigt op te lopen als groente-, fruit- en tuinafval ter compostering van het overige vuil wordt gescheiden. Bresser: “Ook dan blijft de richtlijn voor honderd procent van kracht.”

De RIVM-man zegt verder dat neerslag uit de lucht zeker niet de belangrijkste bron van cadmiumvervuiling is. “De totale belasting”, aldus Bresser, “bedraagt volgens bekende rapporten veertien ton per jaar. Recente berekeningen van RIVM en TNO komen echter veel lager uit. Van die hoeveelheid is 40 procent afkomstig uit dierlijke mest en 30 procent uit kunstmest, terwijl 20 procent uit de lucht komt vallen. Dat laatste deel is toe te schrijven aan vuilverbranding, maar ook aan de ijzer- en staalindustrie en het verstoken van fossiele brandstoffen. Zij dragen ongeveer gelijkelijk bij aan die 20 procent, de vuilverbranding iets meer dan de rest.”

Bresser heeft "niet de indruk' dat het cadmiumgehalte in huisvuil stijgt: “Het gebruik van cadmium als kleurstof in allerlei produkten vermindert, maar andere toepassingen geven een stijging te zien, zodat het saldo ongeveer gelijk blijft.”

Waar Van der Meide wijst op de stijgende cadmiumconcentraties in de bodem van Delfland, zegt Bresser: “Dat heeft veel meer te maken met het gebruik van kunstmest dan met depositie uit de lucht. Vergeet niet dat de teelt zich daar grotendeels onder glas afspeelt.” En over Zuid-Holland als geheel: “Deze provincie ligt gemiddeld onder de referentiewaarde voor cadmium, zeg maar de veilige waarde, waaronder geen effecten van dit schadelijke metaal op mens en milieu te verwachten zijn.”

Een van de schaarse punten waarop Bresser en Van der Meide het eens zijn, betreft dat andere zware metaal: antimoon. “Een nog weinig bekende gifstof”, schrijft Van der Meide, “die veel toepassing vindt in de elektronica. Gezien de hoge verkoopcijfers van elektronische artikelen en de snelheid waarmee ze worden afgedankt en bij het huisvuil terecht komen, doen ons voor het milieu het ergste vrezen.” Bresser: “Ja, daar heeft Van der Meide gelijk in. De hoeveelheid antimoon die in het milieu terecht komt, zal zeker stijgen.”