Kritiek face-lift doek Newman

AMSTERDAM, 16 AUG. “Het is onmogelijk dat een schilderij dat zo'n drama heeft ondergaan, er zo gaaf uit ziet.” Prof. dr. Ernst van de Wetering en andere restauratie-experts hebben kritiek op de "face lift' die het schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III heeft ondergaan. Het gerestaureerde, in 1986 aan flarden gesneden doek van Barnett Newman werd gisteren voor het eerst weer in het Stedelijk Museum in Amsterdam getoond. Restaurateur Daniel Goldreyer weerspreekt de kritiek, als zou hij het hele doek, en niet alleen de beschadigde gedeeltes hebben overgeschilderd.

Directeur W. Beeren van het Stedelijk wil een symposium organiseren over restauratie, waarbij ook gerestaureerde werken uit andere musea te zien zullen zijn.

Restaurateur Goldreyer, die eerder werk van Newman herstelde, koos voor "re-weaving', het aaneenweven van de rafels rond de immense sneden in het canvas. De sneden herstelde hij vrijwel onzichtbaar.

Van de Wetering, hoogleraar aan het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam is mede door zijn vroegere functie bij het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap deskundig op het gebied van restauraties. Hij adviseerde onder meer bij de restauratie van de zwaarbeschadigde Nachtwacht van Rembrandt. Het Laboratorium onderzocht de beschadigde Newman voordat deze naar Amerika werd getransporteerd en bracht indertijd een advies uit over de te volgen restauratieprocedure. Op het eerste gezicht leek het herstelde doek “dezelfde presentie te hebben als het vroeger had”, maar Van de Wetering voegt daar meteen zijn tweede reactie op Goldreyers werk aan toe: “Het lijkt wel een reproduktie van zichzelf, het is onmogelijk dat een schilderij dat zo'n drama heeft ondergaan, er zo gaaf uit ziet”.

Hij stelt dat de Amerikaanse restaurateur heeft gekozen voor het optimale visuele effect en om dat te bereiken moeten "offers' worden gebracht. In tegenstelling tot de bezoekers, die het herstelde kunstwerk alleen tot een afstand van drie meter kunnen naderen, mocht Van de Wetering het van dichtbij bekijken. Hij constateerde “een patroon van kleine bobbeltjes” dat zich over het gehele herstelde rode vlak uitstrekt. “Eerst dacht ik dat het pigmentkorreltjes waren, maar ik geloof dat het het profiel van een verfroller is dat we zien”. Het gebruik van dit schildershulpmiddel verbaasde hem om twee redenen. Ten eerste kwam uit de toestandbeschrijving die het restauratie-atelier van het Stedelijk maakte, naar voren dat Newman Who's Afraid heeft geschilderd met een penseel, hoofdzakelijk in verticale kwaststreken. Maar zelfs al zou de kunstenaar een roller hebben gebruikt, dan is er, aldus Van de Wetering, een tweede reden tot verbazing.

Volgens de hoogleraar heeft het er de schijn van dat niet louter de beschadigde delen met de roller zijn behandeld, maar het rode vlak in zijn geheel. Dit zou betekenen dat de restaurateur ook de intacte delen heeft bewerkt, ja dat hij “wellicht op gigantische schaal heeft zitten schilderen op het schilderij van een ander”. Reden voor Van de Wetering om “enigszins geschokt naar huis te gaan”.

De cruciale vraag die aan deze verschillende opvattingen van restauratie ten grondslag ligt, is een ethisch-wetenschappelijke: wat is de taak van de restaurateur? Moet hij ervoor zorgen dat een vernield schilderij - Goldreyer noemde de Newman na de vernieling “een lijk” - zoveel mogelijk in de oude staat wordt hersteld, ook al betekent dit dat de restaurateur zelf aan het schilderen slaat en aanvult wat er nu eenmaal niet meer is? Of moet een restaurateur alleen de beschadigde delen retoucheren en de rest van het doek in zijn oorspronkelijke staat behouden, met als risico dat scheuren en ander letsel enigszins zichtbaar kunnen blijven omdat zij nooit meer één geheel zullen vormen met het doek? Het is duidelijk dat Goldreyer de eerste mening is toegedaan en Van de Wetering de laatste.

IJsbrand Hummelen van de Stichting Kollektief Restauratie Atelier kritiseert “de face-lift mentaliteit” die vooral in de Verenigde Staten opgeld doet: “Alles moet er jong en fraai uitzien”. Hummelen, die adviseerde over een restauratieplan voor de Newman, is voorstander van een stap-voor-stap restauratieproces, waarin steeds opnieuw bekeken wordt wat er nog mogelijk is aan herstel zonder de integriteit van het werk schade te doen. Zowel Van de Wetering als Hummelen vinden daarnaast dat een dergelijke ingrijpende restauratie een openbare zaak had moeten zijn, waarbij deskundigen te allen tijde van repliek en advies hadden kunnen dienen.

Er zijn nog twee belangrijke redenen waarom overschilderingen en dergelijke eigenzinnige ingrepen van een restaurateur gevaarlijk zijn, aldus Van de Wetering: “Het schilderij is esthetisch een altijd herinterpreteerbaar object”. Met andere woorden, over twintig jaar wordt er wellicht heel anders gekeken naar de Newman, zoals we telkens op een andere wijze naar het verleden kijken. Op dat moment heeft men spijt van herstelwerkzaamheden waarbij de restaurateur zo sterk zijn stempel op het kunstwerk heeft gedrukt.

De twee experts hopen dat de restauratie nader onderzocht mag worden. Eén ding blijft voor Hummelen en Van de Wetering voorop staan: de authentieke, heldere kracht die de kleurvlakken van Newman ooit bezaten, is door deze restauratie essentieel van karakter veranderd. “Het met ingehouden temperament schilderen van een monochroom vlak is vervangen door een muur.” Cruciaal hierbij is, dat daardoor afbreuk gedaan zou zijn aan de intenties van de kunstenaar zelf: Newman heeft herhaalde malen gezegd en geschreven dat het hem ging om levende, vibrerende kleuren en niet om effen, "dode' kleurvlakken zoals hij dat zag in het werk van bijvoorbeeld Mondriaan.

Waarom, zo vragen de twee Nederlandse restauratiedeskundigen zich af, heeft men geen dummy in het museum gehangen en het origineel intact gelaten? Of men had een rode lap voor het beschadigde deel kunnen aanbrengen - dergelijke meer speelse restauratie-oplossingen vinden echter nog steeds geen ingang.

Daniel Goldreyer ontkent, geconfronteerd met de kritiek, elke grond van juistheid daarvan. “Wat weet die professor nu van Barnett Newman? Ik was er toch bij toen Newman het doek schilderde?” Volgens Goldreyer zijn veel mensen in Holland bevooroordeeld over zijn werk “omdat zij boos zijn dat zij de restauratie niet mochten doen.” Goldreyer houdt staande dat de twee onderste lagen van Who's Afraid oorspronkelijk in rode olieverf werden gedaan en de twee bovenste in rode acryl, de beide laatste met een roller. Ook ontkent hij dat hij het doek heeft overschilderd: de niet-beschadigde delen heeft hij niet aangeraakt, wel heeft hij een laklaag over het hele vlak aangebracht, inderdaad met een roller zoals Newman dat zelf ook deed. De korreltjes die Van de Wetering waarnam, zijn volgens Goldreyer de structuur van het canvas dat door de verf heenkomt. Goldreyer beroept zich op zijn 47-jarige ervaring en noemt deze kritiek “onwaarachtig”. Hij besluit ons gesprek met een retorische vraag: “Wat heeft u als belastingbetalende inwoner van Amsterdam liever, het vernielde doek (hij maakt een armzwaai naar de dramatische foto van het stukgesneden werk) of het hele schilderij?”

Foto: Tegelijk met het gerestaureerde schilderij van B. Newman, kwam een ander schilderij van zijn hand naar Nederland: Right Here (127x80 cm, 1954). Zijn weduwe schonk aan de stad Amsterdam als eerbetoon aan de vroegere directeur van het Stedelijk Museum, Edy de Wilde, die voor het museum belangrijke doeken van Barnett aankocht. (Foto NRC Handelsblad - Maurice Boyer)