Indiase miniaturen in het Rijksmuseum; Hurken voor een lentebloem

De aankomst van een onbekend dier als een kalkoen kon de Grootmogolse keizer Jahangir begin zeventiende eeuw in extase brengen. De grootmogols hunkerden naar alles wat niet Oosters was, en dat is wat de Indiase miniaturen uit deze periode zo bijzonder maakt. “Maar de hofschilders weten met hun smetteloze esthetiek toch niet die ontroering van de primitievere, autochtone Indiase miniaturen teweeg te brengen.”

"Indiase miniaturen uit Parijs' en "Hoofse snuisterijen uit India'. T-m 10 november in het Rijksmuseum in Amsterdam. Di. t-m za. 10-17 u., zo. 13-17 u. Catalogus: resp. ƒ 69,50 en ƒ 7,50.

Pas op voor dromen met ronddolende bruine beren. Ze voorspellen weinig goeds. U zult geld verliezen, ruzie krijgen of veel verdriet worden aangedaan. Ziet u 's nachts beren op de weg, u zult ze overdag ook tegenkomen. Het eeuwenoude Indiase boek der droomuitleggingen vertelt er van alles over en sommige dromen zijn ter verduidelijking geïllustreerd. Zo zwerft op één van die droom-illustraties een berenechtpaar met twee jongen over weelderig begroeide heuvels. Ze lijken eerder op malicieuze mollen met iets te hoge pootjes, speelgoedbeesten die de weg zijn kwijtgeraakt in het Indiase Mewar, waar ze ooit zijn geschilderd.

Dit blad uit 1720 is één van de tweehonderd Indiase miniaturen uit het bezit van de Amsterdamse medicus P. Formijne. Zijn collectie, met werken van de vijftiende tot en met de negentiende eeuw, is in 1978 tentoongesteld in het Rijksmuseum in Amsterdam. Bij die gelegenheid al heeft Formijne bepaald dat de totale verzameling van driehonderd bladen gelegateerd zal worden aan datzelfde museum. Dat legaat zal zeer welkom zijn, want het Rijksmuseum bezit zelf weinig Indiase miniaturen.

Uit veiligheidsoverwegingen haalt een van de Rijksmuseum-conservatoren elk voorjaar, sinds 1978, de collectie op als Formijne met vakantie gaat. Hoewel aan het nut van deze 'walnoten-rit' steeds werd getwijfeld - de collectioneur geeft de desbetreffende conservator een zak walnoten uit eigen tuin cadeau -, ging vorige maand een staflid van het museum de miniaturen toch maar weer ophalen. Dat was maar goed ook, want dieven hebben onlangs in Formijnes huis hun slag geslagen. Daarom blijft de collectie nu voorgoed in het Rijksmuseum.

Behalve in Britse en Amerikaanse musea, is deze miniatuur-schilderkunst in openbare verzamelingen schamel vertegenwoordigd. Ook het aantal Westerse collectioneurs is niet groot. Eén van hen is Frits Lugt (1884-1970) geweest, de oprichter van het Institut Néerlandais in Parijs, wiens belangstelling vooral uitging naar de Europese tekenkunst van de zestiende tot en met de achttiende eeuw. Diens nalatenschap wordt beheerd door de Parijse Stichting Custodia. Honderd bladen uit de deelcollectie "Indiase Miniaturen' van deze stichting zijn nu te zien op een schitterende tentoonstelling in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam.

Lugt schafte in 1921 de eerste van zijn Indiase miniaturen aan omdat Rembrandt ze had nagetekend. Nee, niet nagetekend, Rembrandt portretteerde de rimpelloze Mogol-vorsten op zijn eigenzinnige wijze; als mannen met een doorleefd gelaat, met de gemoedelijkheid van milde grootvaders die samen wat thee drinken in de tuin. Vooral de sierlijke tulbanden van de Mogols, hun "bloemrijke' gewaden en hun sieraden moeten hem hebben aangesproken, hoewel hij dergelijke details later nauwelijks meer in die vorm heeft verwerkt.

Rembrandt kocht de "curieuse minijateur teeckeningen', zoals de boedelinventaris vermeldde, vermoedelijk in Amsterdam, waar dankzij overzeese handelscontacten nogal wat rariteiten terechtkwamen. Een andere mogelijkheid is dat hij ze alleen heeft gezien, en dan heeft die inventaris uit 1656 op andere zaken betrekking. In elk geval doken er later exemplaren uit die Amsterdamse collectie op aan de wanden van het lustslot Schönbrunn in Wenen, waar keizerin Maria Theresia de miniaturen als rococo-cartouches in de wanden liet verwerken. Om sommige Indiase schilderingen als eenheid te presenteren moesten er in de marges wat struik- en boompartijen worden toegevoegd. Daar draaide de Weense vakman destijds zijn hand niet voor om.

Frits Lugt kocht in totaal tien, vooral "late' miniaturen. De huidige directeur van de Stichting Custodia, Carlos van Hasselt, breidde de collectie vanaf 1970 uit naar honderdvijftig exemplaren. De nadruk lag daarbij op de hofschilderkunst van de grootmogols, die in de zestiende eeuw vaste grond onder de voeten kregen in India en de beste Iraanse kunstenaars lieten overkomen om zichzelf en anderen te laten portretteren. Samen met Hindoe-schilders moesten de Iraniërs verhalen over de heldhaftige geschiedenis van de Mogol-voorgangers, ze moesten jacht- en hofscènes vastleggen en eeuwenoude Hindoe-epen kalligraferen en illustreren. De latere versmelting van de vroeg-Perzische, Hindoe- en Europese schilderkunstige elementen, zoals perspectief en schaduwwerking, zou een zeer verfijnde hofschilderkunst doen ontstaan, die in de meeste uithoeken van India zijn invloed liet gelden.

Ponden

Stichtingsdirecteur Van Hasselt neemt het zichzelf nu kwalijk dat hij zo laat met systematisch verzamelen is begonnen. “In de jaren vijftig en zestig waren de prijzen nog laag en vanuit het Midden- en Verre Oosten was nog geen concurrentie te duchten. Dat ligt nu anders, voor een mooie, vroege Indiase miniatuur moeten tienduizenden Britse ponden worden neergeteld”, aldus Van Hasselt. En komt er eens een uitzonderlijke miniatuur op een Parijse veiling, dan hebben de Franse nationale musea het veto-recht. De stichting kan er naar fluiten.

Onder de indruk van de Indiase miniaturen die Van Hasselt ooit in het Fitzwilliam Museum in Cambridge beheerde, kocht en koopt hij nu "met een heel klein budget' op "puur emotionele gronden', zoals hij zelf zegt. Eén van zijn favoriete stukken op de Amsterdamse tentoonstelling is het staande portret van Mirza Mukarram Khan Safavi, een sluwe zeventiende-eeuwse diplomaat die kans zag twee achtereenvolgende, elkaar vijandiggezinde Mogol-keizers te dienen. Een zeer opvallend portret, omdat Safavi met een driekwart profiel is afgebeeld. Bijna alle portretten uit de Mogol-schilderkunst tonen het zijaanzicht van vorsten, edelen en hun minder vaak afgebeelde dames, vermoedelijk omdat een frontaal aanzicht als "onbeleefd' werd gezien.

Gezant Safavi kijkt ons met zijn opgetrokken wenkbrauwen een beetje arrogant aan. Hij staat tegen een zeegroene achtergrond, de kleur die de eerste machtige Mogol-keizer Akbar (1556-1605) aan zijn schilders had voorgeschreven. Hij draagt een ivoorwit, transparant gewaad over een groen-geel gestreepte broek. Nergens bibberde de schilder, nergens overschreed hij de millimeter-dunne contourlijnen, overal heerst rust en concentratie. Op Safavi's tulband prijkt nog een miniatuur-portret van de keizer. Het toeval wil dat op de aardige, aanvullende tentoonstelling "Hoofse Snuisterijen uit India', eveneens in het Rijksmuseum, eenzelfde tulband-miniatuur, een teken van onderwerping aan de grootmogol, is tentoongesteld.

Bergkristal

Diplomaat Safavi is ooggetuige geweest van de ongekende weelde waarmee de grootmogols zich omringden. Zij ontvingen hovelingen en vreemdelingen op de met vier, vijf tapijten bedekte, marmeren terrassen van hun symmetrische paleizen. Gezeten op een met edelstenen ingelegde troon bood de keizer zijn gasten meloenen aan in gouden en bergkristallen schalen. De vruchten en bloemen die in de uitgestrekte parken en tuinen groeiden, waren als stekjes van verre geïmporteerd. De keizers droegen lange snoeren van knikkergrote parels over hun met goudbrokaat geborduurde gewaden. In hun oorlellen schitterden smaragden en robijnen, en de afhechting van hun tulband bestond uit een met parels versierde pauweveer, die zachtjes heen en weer deinde wanneer de zoveelste bediende de vliege-waaier hanteerde.

Duizend ateliers, gevestigd in Lahore, zorgden voor de aanvoer van wand- en vloertapijten, kleding, sjerpen en hoofddoeken. Gingen de vorsten op reis, en dat deden ze graag als nazaten van een nomaden-volk uit Toerkestan, dan maakten zich honderd olifanten en vijfhonderd kamelen gereed. De duizend tapijten die elke avond weer in de op te trekken tentenstad moesten worden uitgerold lagen op honderden houten karren, die begeleid werden door horden dragers en soldaten, elk in bezit van versierd wapentuig.

Thuis, in de schatkamers lagen de kostbaarheden opgeslagen die westerse gezantschappen aan de keizer hadden geschonken en die het hof ook zelf liet vervaardigen, sierstukken in edelmetalen, ivoor, jade en albast. Het Rijksmuseum bezit daar sinds honderd jaar enkele mooie exemplaren van, die nu, en dat is zelden het geval, te zien zijn. Om de vorst te behagen leverde de V.O.C. vanuit Amsterdam onder meer "goude kettingskiens van het subtijlste werkck' af, alsmede 'eenige agaat steenen, eenige zeepaertstanden, schoone schilderijen, vergulde spiegels, scheyrmessen, tapijten van zijde en root laken'. Schonk men cameeën of Arabische volbloed-hengsten, dan kon stellig op belastingaftrek en andere tegemoetkomingen worden gerekend.

Het is dit hunkeren naar alles dat niet Oosters is - en het verwerken van die invloeden -, dat de hofschilderkunst en de kunstnijverheid van de grootmogols zo'n bijzondere plaats doet innemen in de lange geschiedenis van het door protectionistische sultanaten en vorstendommen bestuurde India. De ongeletterde, maar razend nieuwsgierige keizer Akbar, die zich als moslim zeer tolerant opgestelde tegenover de verschillende godsdiensten in zijn rijk, liet talloze werken uit het Sanskriet, Turks en Grieks vertalen. Hij zond onderdanen naar Portugese nederzettingen aan de Indiase kust om er rariteiten te verzamelen en om er ambachten onder de knie te krijgen.

Jezuïeten die de grootmogol vergeefs tot het christendom probeerden te bekeren, brachten tot genoegen van de vorst vreemde altaarstukken mee en een Antwerpse bijbel met gravures. Onder die geschenken bevond zich ook een prent van de Vlaming Maerten de Vos. Eenmaal in Europese tinten gekopieerd door één van de honderd keizerlijke ateliers, ging die voorstelling op een weeïg bidplaatje lijken. Deze miniatuur lijkt nu in Amsterdam te zijn verdwaald tussen de feeërieke personen en gebeurtenissen die destijds met vertrouwdheid en stelligheid op het papier zijn gezet.

Dat keizer Akbar een ruimdenkend man was blijkt onder meer uit het feit dat hij tegen de Islam-orthodoxie in, toestond dat zijn schilders realistische afbeeldingen van de werkelijkheid maakten. Volgens de Islam mag Gods wereld niet zo maar worden nagebootst. Maar volgens Akbar werd de schilder terwijl hij werkte onvermijdelijk gedwongen aan God, de schenker van het leven, te denken. En die gedachten konden zijn inzicht in het leven alleen maar vergroten.

Trommelaars

Vooral op de vroege, zestiende- en zeventiende-eeuwse Mogol-miniaturen heerst een drukte van belang. Door een zig-zag-opbouw van de compositie en door toepassing van het vogelvlucht-perspectief konden op één enkel blad van 34 x 22 centimeter complete veldslagen geleverd worden tussen legioenen strijders op geharnaste paarden, pijl- en boog-schieters en trommelaars op kamelen en olifanten. Op andere strijdtaferelen leveren nationale Perzische helden, vereeuwigd in opdracht van Akbar, slag tegen "Green Ninja Turtles', waarbij de gevaarlijkste, de Witte Demoon, de genadestoot wordt toegebracht.

Zo heftig en drukbevolkt als deze schermutselingen, zo sereen en verstild zijn de portretten uit de regeringsperiode van Akbars zoon en opvolger Jahangir, een connoisseur met een zwak voor juwelen. De Britse ambassadeur Thomas Roe overhandigde hem in 1616 zes miniaturen, gemaakt door zijn landgenoot Isaac Oliver. Tot grote verbazing van de Brit wist de "Cheefe Paynter' aan Jahangirs hof ze meteen raak te kopiëren. Diezelfde Roe heeft trouwens als een van de weinigen een glimp opgevangen van de keizerlijke harem: "Als ik geen lichtbron had gehad dan zouden hun parels en diamanten hen volledig zichtbaar hebben gemaakt', schreef hij.

De portretten in het Rijksmuseum, stuk voor stuk juwelen, getuigen van een virtuoze schilderkunst. Gelaatstrekken en kledingdetails laten zich nauwelijks met het blote oog ontwaren. De vorsten en edelen onder het bewind van Jahangir en diens zoon Shah Jahan, die de Taj Mahal voor zijn overleden vrouw liet bouwen, geven blijk van een natuurlijk gezag en een strikte voornaamheid. De leegte, die de schilder om hen liet heersen, accentueert dat nog eens: "Hier sta ik; niemand kan zich met mij meten'.

Keizer Jahangir hield veel van dieren en planten. Hofschilders moesten bij uitstapjes en op reizen van de vorst in de berm hurken om een zeldzame lentebloem in waterverf op te zetten. De aankomst van een kalkoen uit Portugees bezit, een tot dan toe onbekend dier, kon de keizer in extase brengen. Maar aan de schildering van een vlinder, een olifant of een pijlstaart-eend werd, zoals de Stichting Custodia laat zien, niet minder aandacht besteed. En de sierranden, ook toegevoegd aan vele andere miniaturen, wedijveren in veel gevallen met de marges van voorname Europese gebedenboeken.

Jammer genoeg hangen de miniaturen in Amsterdam niet in een chronologische of stilistische volgorde. Omdat de cultuurgeschiedenis van zowel de grootmogols als van de her en der in India verspreide inheemse schilderscholen voor menig westerling een duister terrein is, zou een logische indeling deze collectie toegankelijker hebben gemaakt. Nu kom je tussen de statige hofschilderkunst plotseling de naïef geschilderde god Krishna en zijn liefdesperikelen tegen, een van de traditionele thema's waar de autochtone schilderscholen in het bergachtige noorden en in centraal-India eeuwenlang aan vasthielden.

De twee catalogi - het Engelstalige boekwerk over de miniaturen en de compacte gids bij de "Hoofse Snuisterijen' - geven op hun beurt weer meer dan voldoende inzicht in de uitbundige regeringsperioden van de grootmogols. Maar hoe fijnzinnig hun hofschilders ook te werk zijn gegaan, zij weten met hun smetteloze esthetiek toch niet die ontroering van de primitievere, autochtone Indiase miniaturen teweeg te brengen. In het warmste rood van de wereld voerden collega-schilders van andere sultanaten, die wél met hun penselen mochten bibberen, de wachtende en smachtende Indiase meisjes ten tonele. Elk van hen is getooid met hoofd-, arm- en beensieraden, ongeveer dezelfde juwelen die een V.O.C.-functionaris in de achttiende eeuw aan prinses Anna, weduwe van Stadhouder Willem IV schonk en die nu in het Rijksmuseum als hoofse snuisterijen liggen uitgestald.

De meisjes op deze traditionale, volksere miniaturen wachten vergeefs op Krishna en ze hebben niet in de gaten dat een kat op het dak hun parasol zit te mollen. Of is het een aapje dat zich loopt op te winden? Geen enkele grootmogol zou met zoveel schilderkunstige onduidelijkheid genoegen hebben genomen. Desondanks wil de Stichting Custodia in de toekomst méér van deze uitgesproken Indiase miniaturen gaan verzamelen. Het Rijksmuseum op zijn beurt kan pronken met Formijnes collectie, waarin juist dat "zwoele rood' rijkelijk is vertegenwoordigd.