In Japan wint idee veld van Groot Oostaziatische Ruimte voor Welvaart

Op het tijdstip dat de vijftigste herdenking van de aanval op Pearl Harbor nadert, heeft het Japan dat tegenover de Verenigde Staten aan de andere kant van de Stille Oceaan ligt, op economisch gebied precies datgene bereikt wat het Keizerlijke Leger ooit met de wapenen probeerde af te dwingen. Dit is de reden dat een aantal Japanse leiders de waarde van het naoorlogse veiligheidsverdrag, dat de Verenigde Staten een onevenredig grote invloed geeft over de veiligheid in de regio, openlijk betwist.

Zelfs de Japanse regering houdt zich in het openbaar bezig met de uitwerking van het denkbeeld dat Japan, indien de Amerikaanse aanwezigheid vermindert, een "veiligheids overleg' zou moeten hebben met Zuidoost-Azië en andere machten in de Stille Oceaan.

Deze discussie kan niet als een verrassing komen: zonder de Koude Oorlog zou die waarschijnlijk al veel eerder zijn begonnen. De Verenigde Staten en Japan hebben veel gemeen, maar hun economische belangen wijken genoeg van elkaar af om hun politieke en militaire banden het doelwit te maken van serieuze debatten.

Het zorgwekkende van de discussies in Tokio is echter dat een opgeschroefd nationalisme plotseling de boventoon gaat voeren. In de Verenigde Staten blijft het onderwerp van discussie beperkt tot de vraag hoe Japan kan worden gedwongen zich aan te passen aan de economische regels waarnaar de rest van de wereld leeft. In Japan hebben de opvattingen van de opinieleiders een opmerkelijk andere richting gekregen: er wordt openlijk gesproken over het in ere herstellen van de Dai Toa Kyoei-ken, de Groot Oostaziatische Ruimte voor Gezamenlijke Welvaart, een leuze die ooit werd gebruikt om de "anti-kolonialistische' aanval van Japan op Azië te rechtvaardigen.

De uitdrukking is in ere hersteld door Shintaro Ishihara in diens laatstverschenen boek Het Japan dat absoluut neen kan zeggen en vervolgens in artikelen in vooraanstaande tijdschriften. De discussie lijkt haar uitwerking te hebben op de Liberale Democratische Partij, het ministerie van buitenlandse zaken en andere delen van de Japanse regering.

Veel Japanners menen dat hun land de Verenigde Staten op economisch gebied heeft voorbijgestreefd en dat het aan de vooravond staat van een nieuw tijdperk waarin Azië de dominerende regio in de wereld zal worden en Europa en Amerika zal verdringen. Door het uitdragen van deze overtuiging in toespraken, boeken en tijdschriftartikelen, breidt Ishihara zijn marginale aanhang uit tot een landelijke aanhang.

In een interview in het juli-nummer van Sansarra, een nieuw maandblad van hoge kwaliteit, lamenteert hij: “Er is niets zo spijtig als te beschikken over de kwaliteiten om een eigen visie als natie uit te dragen, maar daartoe niet in staat te worden gesteld”. Japan, aldus de voormalig eendagsvlieg-auteur en politicus, “moet een eigen visie hebben op de wereld en het zou die moeten ontwikkelen zonder de Verenigde Staten voortdurend te raadplegen”.

Inderdaad, vervolgt hij, is Zuidoost-Azië al bijna een Japans nationaal keiretsu (het Japanse systeem van samenwerkende bedrijven). Niet alleen werken in toenemende mate Zuidoostaziaten voor Japanse bedrijven of produceren zij in Japanse licentie voor de wereldmarkt, zij beginnen zich nu ook te interesseren voor Japanse films, popsterren, muziek en andere uitingen van de popcultuur, zoals zij vele jaren in de ban zijn geweest van Amerikaanse en Europeese entertainers. “Dus”, zo verkondigt Ishihara, “is Japan goed toegerust om de Groot Oostaziatische Ruimte voor Gezamenlijke Welvaart tot leven te wekken die voor de oorlog geen kans kreeg”. Hij redeneert “dat Japan geen behoefte heeft aan militaire aanwezigheid in Zuidoost-Azië”. Als andere Aziatische landen in verzet komen tegen het leiderschap van Japan, “zijn er tal van manieren om hen de gevolgen daarvan te doen inzien”. “We kunnen bijvoorbeeld de aanvoer van technologie afsnijden.”

Als iemand anders dit had gezegd zou het als onzin zijn afgedaan. En als Ishiara zelf zich een jaar geleden zo zou hebben uitgedrukt, zou dit zijn reputatie eerder kwaad hebben gedaan dan goed. Maar zijn woorden vinden weerklank bij de Japanners die al wrok koesteren over het gezeur van Amerika dat de Japanse bedrijfscultuur Westerser moet worden en die het oneens zijn met het Amerikaanse standpunt in de Golfoorlog. De Amerikanen zullen hebben gedacht dat zij, behalve Koeweit bevrijden en een agressor neerslaan, eveneens optraden als beschermer van de olietoevoer naar Japan. Maar veel Japanners meenden dat Irak tot een agressieve daad werd gedwongen, net zoals zij geloven dat Japan in 1941 tot een oorlog werd verleid door het olie-embargo dat Franklin Roosevelt instelde.

Zij waren ervan overtuigd dat, hoeveel gebied Saddam ook zou beheersen in de Golf, hij wel olie zou moeten verkopen en dat zij die zouden kunnen kopen, voor welke prijs dan ook, zoals een Japanse vertegenwoordiger het ronduit stelde kort na Saddams invasie. Het stak veel Japanners dat Washington de leidersrol die het gedurende de Koude Oorlog speelde zich als vanzelfsprekend ook toeëigende in de eerste post-Koude Oorlogscrisis. In de Japanse pers werd veel kritiek geuit - hoewel dit in de Verenigde Staten nauwelijks werd opgemerkt - over het feit dat Amerika eenvoudigweg kon beslissen een oorlog te beginnen en daarvoor de rekening te presenteren. In de regeringspartij zijn er velen die een heldhaftig juridisch gevecht hebben gevoerd om dertien miljard dollar voor de oorlog bijeen te brengen, maar zijn blijven zitten met het gevoel dat hun inspanningen niet worden gewaardeerd.

Het is derhalve niet verrassend dat een groeiend aantal Japanners, zowel in als buiten de Liberaal Democratische Partij, lijkt te worden aangetrokken door de anti-Amerikaanse retoriek van Ishihara. Een bewijs van zijn groeiende populariteit werd geleverd tijdens een kortgeleden gehouden seminair in Tokio, waar achtentwintighonderd mensen 220 dollar ervoor over hadden om hem een belangrijk thema uit zijn boek te horen herhalen: "Amerika zou de Golfoorlog niet hebben gewonnen zonder geld en technologie uit Japan'.

Veel opmerkelijker was de identiteit van Ishihara's gerenommeerdste gast: van voormalig minister-president Noboru Takeshita, het toppunt van degelijkheid van de Japanse politiek. Een jaar geleden was Takeshita in geen velden of wegen te bekennen als Ishihara in het openbaar een voordracht hield.

Zich wentelend in een publieke belangstelling zoals geen enkele andere Japanse politicus geniet, is Ishihara in alle Japanse tijdschriften te vinden. Deze zomer werd hij geinterviewd voor President, het Japanse equivalent van Fortune, en verscheen hij in Voice, een ander belangrijk maandblad, in een gesprek met een andere uitgesproken Amerika-criticus, de elektronica-specialist Hajime Karatsu. Het juli-nummer van Bungei Shunju, Japans prestigieuze populaire maandblad (oplage achthonderdduizend) kwam met een bijlage getiteld "Genadeloos Amerika' met verscheidene artikelen die zowel de alliantie met de Verenigde Staten als - zoals het werd genoemd - de "gehoorzaamheid' aan de wensen van de Amerikanen ter discussie stelde.

Officieel besteedt de Japanse regering weinig aandacht aan Ishihara en zijn zogeheten "super-minderheid'. En toch is het duidelijk dat de vernedering van Japan tijdens de Golfcrisis een aardverschuiving heeft teweeggebracht in de visie van het land op de wereld. Het ministerie van buitenlandse zaken zoekt wegen om een nieuw en actief beleid te ontwikkelen op het gebied van de buitenlandse politiek en de militaire veiligheid.

Als gevolg van de vermindering van de Amerikaanse aanwezigheid in Azië, zal Japan een deel, of misschien wel alle verantwoordelijkheid voor de veiligheid moeten overnemen. Het zou goed zijn als Tokio de rest van Azië kan betrekken bij nieuwe veiligheidsafspraken die de komende twintig jaar de vrede in de regio op dezelfde wijze garanderen als de afgelopen twintig het geval was.

Maar de opkomst van Ishihara en rechtse krachten in Japan en hun sluipende invloed op de politiek stellen de Verenigde Staten en de buurlanden van Japan voor een probleem. Of de handelsproblemen tussen Amerika en Japan nu te wijten zijn aan Japan (zoals veel Amerikanen menen) of aan Amerika (zoals veel Japanners menen), de rechtse krachten hebben, door de inzet almaar te verhogen, voor een ander klimaat gezorgd met mogelijk onwelkome gevolgen voor de veiligheid.

Ishihara en zijn volgelingen mogen dan aanhang winnen, werkelijke macht hebben ze nog niet. Een verhoogd aantal donderpreken van het soort dat sommige Amerikaanse critici van Japan graag zien, zou hun reputatie heel wel kunnen versterken.

En een bewuste beslissing om Japan werkelijk economische schade te berokkenen - door sluiting van de Amerikaanse markt of door te marchanderen met Japans toegang tot grondstoffen - zou precies de binnenlandse economische politieke chaos kunnen teweegbrengen waardoor zij op een dag aan de macht kunnen komen. En de gevolgen dáárvan vormen geen plezierig vooruitzicht.

Kaart: In 1941 had Japan niet alleen het plan om heel Zuid-Oost Azië en Australië en Nieuw-Zeeland in zijn macht te krijgen, maar later - in de jaren '60 - ook een beslissende oorlog met de VS te voeren. Grote delen van de westkust van Noord-Amerika, heel Midden-Amerika (met het Panama-kanaal) en de Britse, Franse en Nederlandse bezittingen in het Caraïbisch gebied hadden dan veroverd moeten worden.