Ik heb Belgie nodig; Franz Marijnen over 25 jaar regisseren

Franz Marijnen vindt dat hij het theatervak beoefent met een neurotische bezetenheid. Dat leidde tot een lange reeks gedurfde voorstellingen, onder meer bij het Rotterdamse RO theater, en een aantal hooglopende conflicten. Maar nu hij 25 jaar actief is als regisseur doen zich veranderingen voor. Marijnen werkt aan een regie van Tsjechovs Drie Zusters voor de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. “Wie met een dergelijk stuk bezig is, komt misschien verder met een gevoel van ontgoocheling dan met jeugdig enthousiasme.”

Franz Marijnen is een bereisd man. Hij studeerde regie in België, volgde twee jaar een stage bij theatervernieuwer Grotowski in Polen, was geruime tijd speldocent aan Amerikaanse universiteiten, maakte internationale tournees met zijn groep Camera Obscura en was zes seizoenen lang, van 1977 tot 1983, artistiek leider van het RO Theater in Rotterdam. Na dit roerige intermezzo ging het reizen in verhevigd tempo verder. Hij werkte onder meer in Hamburg, Antwerpen, Groningen, Bochum, Kassel, Berlijn, Neurenberg, Karlsruhe, Salzburg, Spoleto en Amsterdam.

Het komt erop neer dat Franz Marijnen het grootste deel van zijn tijd doorbrengt in hotelkamers en huur-appartementen. “Op een gegeven ogenblik wordt dat je te veel”, zegt hij in een café te Brussel, de stad waar hij op het ogenblik aan het werk is. “Ik schrik wanneer ik aan het eind van het jaar mijn vliegtickets en restaurantbonnen bij elkaar veeg. Als ik die stapels voor me zie, doemt de vraag op waar dit alles toe dient. Maar ook op andere tijden raak ik er steeds meer van overtuigd dat het te ver is gegaan, dat ik zolangzamerhand klem ben gereisd. Toen ik op een keer in weer een nieuwe stad mijn auto in de regen stond uit te laden, werd ik woedend op mezelf. "Ik lijk wel gek', dacht ik, "waarom doe ik dit?'. Het klinkt pretentieus, maar op zo'n ogenblik overheerst het gevoel dat ik het allemaal wel zo'n beetje heb gezien. Overal heb ik in de belangrijke theaters gewerkt, wat moet ik nu verder nog? Toch niet wéér een paar maanden van mijn leven doorbrengen in zo'n Duitse stad waarvan de geallieerden het hart wegbliezen en Wurst mit Sauerkraut de belangrijkste attractie vormt?

“Wie zich daar niet meer aan waagt, gaat beter selecteren; wat dan overblijft is nu en dan een seizoen in het Schiller-theater in Berlijn of het Schauspielhaus in Hamburg. Natuurlijk betekent dit niet dat ik nee zal zeggen als ze me straks vragen voor een Wagner-opera in Bayreuth of als Strehler me een regie aanbiedt in het Piccolo-theater in Milaan. Er zijn op de wereld nu eenmaal een paar plekken waar je in de watten wordt gelegd, waar het artistieke beleid niet wordt bepaald door het bedrag dat overblijft als de salarissen van de portiers tot en met die van de regisseurs bij elkaar zijn opgeteld.”

Tegenwoordig trekt Franz Marijnen (48) zich zo lang mogelijk terug op Cyprus, waar hij sinds enkele jaren woont in een rustige uithoek van het eiland. Zittend onder een olijfboom verbaast Marijnen zich daar over de dynamiek waarmee hij te werk is gegaan sinds hij 25 jaar geleden debuteerde als regisseur. “Ik ben daar tot de ontdekking gekomen dat het dolce far niente mij zeer bekoort. Dingen die mij vroeger onbelangrijk leken, vind ik nu belangrijk: een plant in de grond zetten, haar water geven en kijken hoe zij groeit, de vogelgids bestuderen in plaats van de theaterencyclopedie, in de zon dromen over het knopen van de ideale vlieg om zalm mee te vangen.

Onverschillig

“Maar intussen stel ik mezelf allerlei vragen, waarop de antwoorden voor mij als theatermaker soms ontluisterend zijn: was het van enig belang dat ik een paar maanden aan dat ene stuk heb besteed, is mijn behoefte onbetreden paden op te gaan nog zo groot als vroeger, heeft het zin om (zoals vorig seizoen bij Het Nationale Toneel) acteurs te vertellen hoe zij in De Revisor zinnetjes moeten zeggen als Bush zojuist Irak de oorlog heeft verklaard? En bovenal doet zich de vraag voor waarover we het op het toneel, na alles wat daar al aan de orde is geweest, nog moeten hebben.

“Dit alles leidt soms tot een pijnlijke onverschilligheid ten aanzien van mijn beroep, maar zodra ik in het donkere gat stap van de repetitie komt daar een neurotische bezetenheid voor in de plaats. Dan realiseer ik me dat ik werk aan iets dat ik wil zien, ensceneringen die voor mij om de een of andere reden belangrijk zijn en, als de chemische reactie goed is, momenten bieden waaraan ook anderen iets kunnen hebben. Daarvoor wil ik, volgens de regels van het vak, nog altijd liegen en manipuleren. Maar ik kan niet ontkennen dat met de jaren het gevoel voor relativiteit groeit: naarmate ik ouder word, ben ik er minder zeker van dat ik het altijd juist heb.”

Voor Tsjechovs Drie Zusters, waaraan hij begin deze maand bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel is begonnen, vindt Marijnen dat geen bezwaar. “Wie met een dergelijk stuk bezig is, komt misschien verder met een gevoel van ontgoocheling dan met jeugdig enthousiasme. Bij Tsjechov is de handeling vervangen door een bepaald psychologisch klimaat - in dit stuk gaat het, kort gezegd, om drie zusters die graag naar Moskou willen verhuizen maar het uiteindelijk niet doen. Het kan een voordeel zijn dat zo'n gegeven wordt geregisseerd door een Einzelgänger die, lichtelijk beschaamd, van zijn twijfel en onzekerheden getuigt.”

Mijnenveld

Bij zijn geruchtmakende entree in Rotterdam, nu veertien jaar geleden, gaf hij blijk van een andere instelling. Franz Marijnen herinnert zich dat hij arriveerde als "een uitdagende jonge Turk' die de zaken meteen scherp stelde. Na een periode van crises en kuiperijen, zo constateerde hij, was het toneel in deze stad een puinhoop; de taak die voor hem lag, vergeleek hij met een lange tocht door een mijnenveld.

Het was niet te veel gezegd. De regisseur had, naar hij verzekert, op zijn eerste werkdag de auto nog maar net geparkeerd of de wonderlijkste verhalen en verdachtmakingen deden al de ronde. Achteraf denkt Marijnen dat dit te wijten was aan de energieke wijze waarop hij de "vermoeide club' van acteurs probeerde te activeren. “In de hoop de massa in beweging te krijgen, ging ik als een bulldozer aan het werk. Sommigen waren daardoor zo van hun stuk, dat het gerucht ging dat ik de acteurs had geslagen - een idee dat waarschijnlijk was ontstaan doordat ik tijdens repetities weleens rondliep met onder mijn arm, als fetisj, een ijzeren staafje. Zo groeiden er meer misverstanden. Nadat we een keer aan het eind van de dag de televisie hadden aangezet voor een Europa Cup-wedstrijd, werd gezegd dat ik de repetities daarvoor opschortte en de spelers dwong naar het voetbal te kijken.”

Al gauw stond hij te boek als "de wilde Belg' en hier en daar zelfs als een beest en een boeman. Nog tijdens zijn eerste seizoen zag Het Vrije Volk hierin aanleiding tot een bijna twee pagina's tellend requisitoir, waarvan Franz Marijnen de tendens omschrijft als "Weg met die man'. Een deel van de acteurs (voordien verenigd in de groep The Family) richtte zich met dezelfde boodschap tot wethouder Jan Riezenkamp, maar evenals Willy Hofman (toen directeur van de Dienst Kunstgebouwen) bleef hij de nieuwe artistiek leider van het RO Theater trouw. Marijnen: “Anders dan ons eigen bestuur waren die twee niet bekommerd als er al eens lege plaatsen in de zaal waren. "Streel mijn ziel en ik ben tevreden' was hun motto. Hoewel veel Rotterdammers toen nog moeilijk in beweging waren te krijgen, heerste er zowel op dit terrein als elders een sfeer van ambitie en pretentie.”

Hierdoor geïnspireerd bracht het gezelschap, ondanks de interne spanningen van de eerste tijd, een reeks voorstellingen waarvan de durf en brutaliteit in het Nederlandse theater zelden zijn geëvenaard. Marijnen begon met Het Liefdesconcilie van Oskar Panizza, een voorstelling die hij omschreef als een vorm van visuele geweldpleging. Na deze introductie volgden onder meer een onvergetelijke versie van De knecht van twee meesters, Alice in Wonderland, Wasteland (een "project' over de bedreigingen van de technologie), Een Midzomernachtsdroom en tot slot Het Marmeren Graf: een in vijf weken gerealiseerd mysteriespel over kunst en ideologie.

Knock-outs

Terugkijkend stelt Marijnen tevreden vast dat hij in Rotterdam voor een aantal "choquerende avonden' heeft gezorgd; enkele produkties, waaronder Wasteland, kwalificeert hij zelfs als knock-outs. Desondanks legde hij in 1983, na zes jaar "roofbouw' plegen op zichzelf, zijn functie neer. Als reden voor zijn vertrek noemde hij de omslag in het culturele klimaat, die er bij voorbeeld toe leidde dat de plannen voor de bouw van een nieuw flexibel theater voorlopig in de la verdwenen.

Zijn belangrijkste opposant was de toenmalige wethouder Joop Linthorst. “Die man was een kwartjesteller: als hij er al eerder was geweest, hadden we veel dingen nooit kunnen verwezenlijken. Maar ik kan hem niet kwalijk nemen dat hij de boot afhield: als we die Belg nu ook nog zijn eigen theater geven, zal hij hebben gedacht, komen we nooit meer van hem af. Toen ik inderdaad opstapte, verklaarden mensen in mijn omgeving me voor gek. "Denk aan je positie en je inkomen', zeiden ze, "je bent op je hoofd gevallen als je dat laat schieten.' Zelf heb ik me toen ook wel afgevraagd of ik niet te impulsief was geweest. Anders dan men dacht had ik niets achter de hand, maar gelukkig liepen al meteen de opdrachten binnen.”

Kogelstootster

De jaren daarna regisseerde Marijnen, om wat te noemen, Measure for Measure in Neurenberg, een operette van Offenbach in Hamburg, een Jules Verne-spektakel in Groningen en een op Ik Jan Cremer gebaseerde rock-opera, waarvan de kosten 2,2 miljoen gulden bedroegen. In de tussentijd had hij bij de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen een voorstelling geënsceneerd van Aïda, die naar plaatselijke maatstaven al te controversieel was. “Bij een aantal mensen daar heb ik voorgoed afgedaan”, aldus Marijnen. Ook bij de Nederlandse Opera ontstonden problemen. Nadat hij met succes Wagners Der Fliegende Holländer en Busoni's Doktor Faust had geregisseerd, ging het in 1987 mis tijdens de voorbereidingen voor Don Carlos: meningsverschillen over het budget en de beschikbare repetitietijd leidden tot een conflict, waarna hij zich terugtrok. “Maar ik was het ook niet eens met de rolbezetting”, zegt hij nu. “De tenor zou pas vier dagen voor de première aanwezig zijn en zijn tegenspeelster, een zangeres met een schitterende stem, had helaas het voorkomen van een kogelstootster. Tegen dat soort dingen maakte ik bezwaar, maar daarmee deed ik me weer eens voor als de moeilijke jongen; je eigen ruiten ingooien, noemt men zoiets.”

Deze uitdrukking acht hij ook van toepassing op zijn houding tegenover de medewerkenden aan De Revisor bij Het Nationale Toneel. “Toen ik vorig jaar een aantal weken na de eerste voorstelling nog eens ging kijken, merkte ik tot mijn schrik dat de spelers het te "leuk' waren gaan doen. De scherpe kantjes waren er daardoor af, maar bij het publiek sloeg het op deze manier goed aan. "Gut Franz, wat een enige voorstelling' werd er in de pauze gezegd, maar zelf stond ik er met een ouwe, bleek afgetrokken bek bij. Achter de schermen ben ik even later, woest om me heen slaand, tegen de acteurs te keer gegaan. Achteraf schaamde ik me daarvoor: wat een onmogelijke man is dat toch, zullen ze wel hebben gedacht.”

Sinds de oprichting van Het Nationale Toneel neemt hij er een regie per jaar voor zijn rekening, maar met een oordeel over het nog jonge gezelschap wacht Marijnen voorzichtigheidshalve tot in maart Becketts Wachten op Godot is uitgebracht. Hij maakt er echter geen geheim van dat hij Den Haag geen ideale vestigingsplaats vindt. “De omgeving waarin ik verkeer speelt voor mij een grote rol. Ik ben graag in havensteden als Hamburg en Rotterdam of in een wereldstad als Berlijn: een van de veertig à vijftig plekken op de wereld die iemand inspireren en het gevoel geven dat hij leeft. Daarbij vergeleken is Den Haag een slepende ziekte: een stad waar elk gevoel van opwinding ontbreekt en de sfeer wordt bepaald door borden met het opschrift Kantoren te huur.”

Op weg naar een restaurant van zijn keuze blijkt Franz Marijnen beter te spreken over Brussel: de hoofdstad van een "een vreemd, verscheurd land' dat naar hij stelt door een historisch toeval is ontstaan. “Ik durf het haast niet hardop te zeggen, maar in deze stad voel ik mij thuis en dit land heb ik nodig. Ik geniet hier van de losse stijl van leven en van de manier waarop men zich doet kennen als koningen van het compromis. Tegelijkertijd is er veel dat aanleiding geeft tot mateloze ergernis, maar dat leidt natuurlijk tot niets. Al gauw ondervind je dat het moeilijk schieten is als je niet weet waar de vijand staat.”

Vuilkarren

Marijnen troost zich met de gedachte dat de misstanden die hij in zijn vak signaleert ook positieve kanten hebben. “Het Vlaamse theater heeft zo'n tekort aan geld en faciliteiten, dat iemand die in deze sector staande wil blijven de nodige creativiteit moet investeren. Daarnaast heeft hij lef nodig om zijn werk te doen in achterzaaltjes met slecht licht en een geur van riolen. Zelfs in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg is de situatie niet veel anders. Het was een bijzonder mooi theater, maar nu is het een bouwval die staat weg te rotten.”

Er is maar één conclusie mogelijk, zegt hij: in dit land wordt het toneel niet serieus genomen. “Voor mij is het een belangrijke kunstvorm, maar de hoogte van de subsidie wijst uit dat de samenleving eerder denkt aan een noodzakelijk kwaad; slechts uit angst dat het percentage werklozen zou stijgen, gaat men niet over tot afschaffing. Als de politiek het zo wil, wordt desnoods de baas van de gemeentelijke vuilkarren benoemd tot theaterdirecteur - geen mens die daar vreemd van opkijkt. In Duitsland is zo'n post alleen weggelegd voor iemand die op dit gebied kennis van zaken heeft en op grond daarvan aanzien geniet.”

Ondanks de Belgische ongeïnteresseerdheid, mag Franz Marijnen niet klagen. Zijn acteurs in Brussel bejegenen hem met een zeker respect, dat naar zijn idee niet alleen op hun "ingeboren gehoorzaamheid' is terug te voeren. “Hun houding vloeit eerder voort uit de gedachte dat iemand die in zoveel landen heeft gewerkt toch wel iets moet voorstellen. Het krediet dat ik heb, maakt het makkelijker om hen in het belang van de voorstelling tot geloofsgenoten te maken. Daarvoor zijn soms wel flirtpartijen nodig waar de honden geen brood van lusten - ik probeer van alles om ze op mijn lijn te krijgen. Met Nederlandse acteurs is dat niet eenvoudig, pas als zij de zaak onder de loep hebben genomen zijn ze misschien bereid een stapje in een andere richting te gaan.

“Intussen beseffen toneelspelers vaak niet dat ze hoe dan ook onkwetsbaar zijn, want in de regel verkondigen zij op het toneel andermans woorden. Niet voor niets is het vrij zeldzaam dat een bezoeker na afloop van het stuk een van de acteurs neerschiet. Het is wat je noemt een erg veilig beroep, zeker nu tussen het publiek en de spelers naar het lijkt een muur van kogelvrij glas is opgetrokken.”

Wellicht zou Marijnen deze barrière kunnen slechten als hij, zoals indertijd in Rotterdam, aan het hoofd stond van een eigen gezelschap. “Maar aan zoiets begin ik alleen als ik volledig de vrije hand heb, dus als ik niet alleen kan beslissen over het repertoire maar ook over de affiches, de vlaggemast voor de deur en de benoeming van de caissière. Als ze me in Timboektoe zo'n kans geven, ben ik meteen bereid het daar te proberen.”

Een dergelijk nieuw begin heeft het voordeel dat Marijnen op slag zou zijn verlost van de last van zijn eigen reputatie. “Men ziet mij nog als een wilde, revolutionaire figuur, maar dat klopt niet meer helemaal. De tekst van de stukken blijf ik meer dan vroeger trouw en de kleuren die ik gebruik zijn herfstiger geworden - de tijd van het pastel is aangebroken. Mensen met andere verwachtingen zullen mijn voorstellingen nu wel wat braaf vinden, maar daar staat tegenover dat er misschien wat meer diepgang is gekomen. En bovendien kunnen er aanwijzingen zijn dat (hoe moet ik het zeggen) mijn geduld is gegroeid.”

Toch heeft Marijnen, zo constateert hij, nog altijd een onbedwingbare zucht naar verandering. “Dat ligt verankerd in mijn bestaan. Wanneer ik te lang op één stoel heb gezeten, word ik overspoeld door een golf van onrust. Als compensatie voor mijn gevoelens van onmacht veroorzaak ik dan drastische conflicten, die me aanzetten tot nieuwe dingen. Maar of ik daarbij de juiste keuze maak, is een open vraag.”

De afgelopen 25 jaar nog eens overziende, vat Franz Marijnen de zaak kort samen: “Het was een heroïsch gevecht. En de uitkomst is nog steeds onzeker.”