Het verband tussen tapkast en wereldziel; Vertaalde gedichten van Alexander Blok

Alexander Blok: Gedichten, gevolgd door enkele gedichten van Solovjov en Fet; Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Frans-Joseph van Agt. Uitg. Plantage-G&S, 77 blz, Prijs ƒ 32,50

Met Alexander Blok (1880-1921) is het eigenaardig gesteld. Hij was een fenomenaal dichter maar tegelijk een warrig denker. Terwijl hij eigenlijk een romanticus was, heeft hij zijn leven lang onder de plak gezeten van het eerste -isme van de twintigste eeuw: het symbolisme. In zijn werk proef je de tweespalt tussen zijn kunst en zijn filosofie. In een artikel over het Russische symbolisme uit 1910 schrijft hij: “De these van het symbolisme is een Hemelvaart, naar ”andere werelden', de antithese is een Hellevaart naar het domein van de kunst.” Blok was waarschijnlijk het liefst een heilige, een profeet geweest. Het kunstenaarschap was voor hem een nederlaag, een tragedie.

Ook in het gewone leven heeft de botsing van theorie en praktijk Blok parten gespeeld. Zijn liefdesleven is een tragedie. Nadat hij door een wat oudere vrouw in 1897 in de liefde is ingewijd, is hij wanhopig op zoek gegaan naar zijn grote liefde. Hij schrijft een stortvloed van liefdesverzen, gewijd aan een gedroomde Schone Dame.

Dit predikaat krijgt ook Ljoebov Dmitriëvna Mendelejev, de dochter van de bekende chemicus. Blok kent haar al van jongsaf aan, de buitenhuizen van haar vader en zijn grootvader lagen niet ver van elkaar. Nadat hij kennis heeft gemaakt met twee gelijkgestemden, Sergej Solovjov en Andrej Bely, begint hij met hen begint hij een soort liefdescultus rond Ljoebov, wat het meisje zelf niet altijd even prettig vindt.

Erotiek en spiritualiteit raken op dat moment onontwarbaar verknoopt. In zijn poëzie belijdt Blok zijn liefde voor de vrouw, maar zijn verheerlijking geldt eerder het symbool dan het eigenlijke individu. Misschien komt het daardoor dat de schrijver Bely Ljoebov enige jaren later fysiek van hem overneemt, zij het voor korte duur.

Helemaal goed komt het nooit meer tussen Alexander en Ljoebov. Ook niet tussen Blok en Bely. Blok raakt aan de drank (rode wijn) en aan de vrouwen (zigeunerinnen en actrices). Zijn poëzie legt getuigenis af van (meta)fysische omzwervingen. Hij maakt lange wandelingen naar volkswijken waar hij zich mismoedig laat vollopen.

Met de Eerste Wereldoorlog komt er enige rust in zijn leven en wijdt hij zich aan meer maatschappelijke zaken. Met Ljoebov Dmitriëvna onderhoudt hij de laatste tien jaar van zijn leven een soort LAT-relatie. Zij had haar leven als actrice, hij noodgedwongen het zijne, maar eigenlijk kon hij niet zonder haar. Wanneer de Oktoberrevolutie plaatsvindt, begroet hij deze enthousiast: weg met het burgerdom, tijd voor de grote schoonmaak, maar vier jaar later sterft hij teleurgesteld, het leven meer dan moe.

Zilveren Eeuw

Bij zijn leven erkend als de grootste dichter van zijn tijd, wordt Blok later getypeerd als de dichter die de brug heeft geslagen tussen de negentiende en de twintigste eeuw. Hij is de eerste echte ”major poet' na Afanasi Fet (1820-1892), en een generatie ouder dan de beroemde dichters na hem: Majakovski, Tsvetajeva, Mandeljsjtam, Achmatova, Pasternak. Hij zorgde voor een vrijere versvorm, voor alternatieve metrische patronen en bereikte daarmee een ultieme zangerigheid en welluidendheid. Blok is de vaandeldrager van wat de Zilveren Eeuw van de Russische poëzie wordt genoemd, na de Poesjkin-era (1820-1840) die algemeen als de Gouden Eeuw wordt gezien.

Thematisch valt Bloks werk in drie fasen uiteen: de eredienst aan ”La belle dame', de gemengde, vertwijfelde gevoelens als zij ”sans merci' blijkt te zijn, ten slotte een soort aanvaarding van het leven die gepaard gaat met een grote aandacht voor de maatschappij en de geschiedenis. Bloks romantische levensgevoel heeft zijn dichtkunst boven de sterotypen en beperkingen van het mystieke symbolisme uitgetild. Zijn symbolisme weerspiegelt de geest van de tijd, zijn romantiek zijn ware inborst. Soms is het alleen Bloks verbale lenigheid die zijn wazige filosofie redt, soms is het juist dat vleugje ondoorgrondelijkheid dat de lezer een prettig gevoel van mysterieusheid bezorgt.

In zijn beste werk legt hij de wrange verbanden tussen het aardse en het kosmische, tussen de tapkast en de wereldziel. Veel van zijn verzen zijn in Rusland even klassiek als bij ons De moeder van Elsschot, De moeder de vrouw van Nijhoff en Kloos' aanhef ”Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.' Geletterde en minder geletterde Russen kennen ze uit het hoofd.

Van deze klassieken zijn er nu twintig door Frans-Joseph van Agt in het Nederlands vertaald, voorzien van een puntig nawoord en in een prachtig verzorgd, tweetalig boekje uitgegeven. De enige kritiek die men op deze uitgave kan hebben, betreft de vertaling.

Toeval

Vrij algemeen wordt gedacht dat het vertalen van poëzie moeilijker is dan het vertalen van proza. Dat is niet zo. Dat wil zeggen: het vertalen van poëzie is niet moeilijk, het is onmogelijk. Men kan niet tegelijkertijd recht doen aan betekenis en klank. Poëzie is een verzameling taaltoevalligheden. “De lucht is guur- en 't is vier uur” is een specifiek Nederlandse vondst. Het is in geen enkele taal zo mooi te vertalen als het in het origineel is. Een prozavertaler kan nog denken dat hij het net zo mooi kan als in het origineel, de poëzievertaler weet dat hem dit nooit lukt. Hij hij legt zichzelf dan ook altijd beperkingen op: hij laat rijm en-of metrum los of hij goochelt met de semantische ingrediënten, hij doet afbreuk aan de vorm of aan de inhoud.

Het probleem met de vertalingen van Van Agt is dat hij deze keuze niet heeft gemaakt. Hij benadert de gedichten van Blok met de instelling van de prozavertaler: hij wil alle bestanddelen van de tekst in vertaling maximaal honoreren. Hij probeert zijn Nederlandse tekst in hetzelfde keurslijf te persen, dat het door Blok geknede Russische ”toeval' zo naadloos past. Hij hanteert dezelfde rijmparen, hetzelfde metrum, dezelfde woorden. Hij wil te veel van het goede, en blijft juist daardoor in gebreke. Hele rijmen worden halve rijmen, rechte zinnen worden krom, mooie woorden worden lelijk.

Van Agt had er beter aan gedaan de vorm te laten prevaleren boven de inhoud bij een dichter als Blok met een veel grotere muzikale dan cerebrale zeggingskracht. Hij had moeten ombouwen, indikken, aanlengen.

Blok is een dichter van de vorm. Hij werkte vanuit een ”geniale inspiratie': hij kreeg zijn informatie uit de ether. “Eerst hoor ik een soort geluiden. Een aan betekenissen voorafgaande intonatie. Er spreekt iemand in mij - hartstochtelijk, met overtuigingskracht. Als in een droom. En de woorden komen later. Ik hoef er alleen maar op te letten dat ze dezelfde intonatie hebben, dat ze nergens mee in tegenspraak zijn.”

Dit citaat is voor een vertaler een vrijbrief om het door Blok aangereikte skelet naar eigen inspiratie - maar zonder tegenspraken - met woorden op te tuigen. Jammer dat Van Agt dit niet heeft gedaan.