Het encyclopedische ideaal van Carel Peeters; Is er leven in het Allerheilige?

Carel Peeters: Echte kennis. Essays over filosofie in literatuur. Uitg. De Harmonie, 212 blz. Prijs ƒ 45,-.

Echte kennis, de zesde essaybundel van Carel Peeters, begint met een, voor zijn doen, opmerkelijk openhartig hoofdstuk. De Vrij Nederland-criticus biecht in dit hoofdstuk zijn eerste, vaak nogal overmoedige, stappen op het terrein van de literatuur op. Hij vertelt over zijn aanvankelijke bewondering voor C.J. Wijnaendts Francken en diens Vier moralisten, hij gaat in op de aanhankelijkheid die hij als jongeman voelde voor de katholieke leidsman Anton van Duinkerken, en hij beschrijft zijn uiteindelijke bekering tot Ter Braak. “Ik kan niet ontkennen dat ik in die tijd het buskruit van het leven wilde uitvinden: ik wilde weten hoe alles ècht in elkaar stak.”

Als we Peeters mogen geloven, heeft hij zijn allereerste stap als denker echter op een donderdagmiddag in 1956 gezet, om vijf over half vijf precies, het moment waarop hij als jongetje van twaalf zijn gouden vulpen inruilde voor de jeugdencyclopedie Ik weet het. Met deze transactie, zo dacht de kleine Carel, zou er voor het eerst enig systeem in zijn leven komen. Voortaan zou ook hij naar believen de vruchten kunnen plukken van de boom der kennis.

Het is niet toevallig dat Peeters zijn boek juist met deze scène uit zijn jeugd begint. Echte kennis bevat een aantal hoofdstukken uit, wat hij noemt, de geschiedenis van zijn smaak en het encyclopedische neemt daarin een belangrijke plaats in. Na twee inleidende beschouwingen bevat het boek vijftien essays over individuele schrijvers en filosofen. Gemeenschappelijk aan deze vijftien is dat ze filosofie en literatuur in zich verenigen. De schrijvers die hij waardeert hebben volgens Peeters altijd wel een filosofische inslag en de filosofen die hij leest hebben onmiskenbaar literaire kwaliteiten. Daar komt bij dat de vijftien min of meer vertrouwd zouden kunnen zijn met het gedachtengoed van Carel Peeters: “De schrijvers en filosofen om wie het hier gaat behoren tot het legertje dat voortdurend te vinden is in de buurt van de gedachten die mij bezighouden.”

Wie zijn de soldaten uit dit schaduwleger? Het gaat om een bont, internationaal gezelschap. De Rus Tsjechov strijdt er samen met W.F. Hermans, de Engelse Pool Joseph Conrad bevindt zich, bien etonné, in het gezelschap van Marja Brouwers, Connie Palmen staat in dezelfde slagorde als Diderot, Komrij krijgt gezelschap van Robert Musil, Marcel Möring van Flaubert, en Hugo Claus van Samuel Johnson.

De oorzaak van de ruimhartige dienstkeuring die hier heeft plaatsgehad is waarschijnlijk te vinden in de definitie die Peeters hanteert van het begrip filosofie. Filosofie, zo vindt hij, is eigenlijk alles wat er maar te weten of te overdenken valt. Het kan kennis zijn, het kan slaan op ontdekkingen, maar ook op ideeën. Filosofie, zegt Peeters, is alles wat een boek 'literair gehalte' geeft. Filosofie, kortom, is alles wat er is of wat er is geweest. Waar kun je dat beter vinden dan in een encyclopedie?

Levenloos

Voor Peeters is een encyclopedie lange tijd het allerheilige geweest. In navolging van Diderot en d'Alembert noemt hij het de incarnatie van een menselijke drieëenheid: geheugen, verstand en verbeelding. In dit trivium speelt niemand echt de baas. Het geheugen en het verstand zijn er echter vooral om de verbeelding te activeren, zodat er weer nieuw zaken kunnen ontstaan die in encyclopedieën een plaats kunnen krijgen. “De kennis in encyclopedieën”, schrijft Peeters, “is zelden levenloos, in tegenstelling tot wat er in veel boeken staat.”

Toen ik dit zinnetje gelezen had, duurde het even tot ik begreep wat Peeters hier betoogde. Zou hij menen dat encyclopedieën levendiger zijn dan boeken? Zou hij, nota bene als redacteur van een boekenbijlage, vinden dat iemand die op zoek is naar het ware leven geen boeken moet lezen maar encyclopediën? Het was een interpretatie die in ieder geval veel verklaarde. Het maakte duidelijk waarom de stukken van Peeters vaak zo'n overdaad aan weetjes bevatten terwijl het vaak buitengewoon lastig is om een lijn te ontdekken in zijn betoog. Zou zijn ideaal zijn een encyclopedie te schrijven in plaats van een boek, geen eigen verhaal met een hoogstpersoonlijke invalshoek en stijl, maar een verzameling feiten die in alle hoeken en gaten bijeen zijn vergaard en die zijn opgeschreven in een stijl die "van alle mensen' is?

Toen ik het zinnetje voor de tweede keer las, begreep ik dat Peeters waarschijnlijk iets anders bedoelde. “De kennis in encyclopedieën is zelden levenloos, in tegenstelling tot wat er in veel boeken staat” kan op twee manieren genterpreteerd worden. Het kan ook betekenen dat in veel boeken staat dat de kennis in encyclopedieën levenloos is, en dat de schrijver het daar niet mee eens is. Of Peeters dat laatste bedoelt weet ik niet, maar het klinkt in ieder geval aanmerkelijk minder dwaas.

Wat blijft is dat de eerste interpretatie goed aansluit bij de indruk die Echte kennis op mij maakt. Peeters komt er uit naar voren als iemand die vroeger wel werd aangeduid als een omgevallen boekenkast, een wandelende encyclopedie. Je kunt zien dat hij veel gelezen heeft en dat er veel literatuur in zijn stukken is verwerkt, maar hij slaagt er niet in om richting te geven aan zijn betogen. Het blijft vormloos. In details weet hij aardige opmerkingen te maken, maar in de grote lijnen en in de conclusies ontspoort hij keer op keer.

Chaos

Het duidelijkst blijkt dit manco aan het slot van zijn boek, waar hij zijn visie probeert te geven op de stand van zaken in de Nederlandse literatuur. In een aantal korte stukken over Frans Kellendonk, Connie Palmen, Marcel Möring, Dirk van Weelden en Marja Brouwers lukt het hem nog wel een reeks zinnige opmerkingen over deze schrijvers te maken. Maar wanneer hij dan probeert deze vijf namen in één gemeenschappelijk kader te plaatsen, gaat hij ongenadig de mist in. Het lukt hem op geen enkele manier duidelijk te maken waar het gemeenschappelijke van de vijf in zit. Hij suggereert oorzaken en gevolgen die hoogst onduidelijk zijn. ('Mystiek lichaam kan de sfeer verklaren die (-) Leon de Winter mogelijk heeft gemaakt.') Uit het niets komt plotseling het begrip symposium-literatuur te voorschijn. Er wordt gerommeld met het griezelige begrip generatie. En er worden omschrijvingen gegeven waar soms nauwelijks een touw aan vast te knopen is. Over De lichtjager van Marja Brouwers weet Peeters te melden: “er wordt een beschamend portret van een gefrustreerd man in geschetst, maar hij is omgeven door personages die ook hun eigenaardigheden hebben, zodat de kwestie van goed en kwaad tot een slagveld uitgroeit, zonder triomfantelijke winnaars. Het wordt daardoor een roman over mentaliteiten en sensibiliteiten.”

Het gevolg is dat Peeters de chaos die in het landschap van de Nederlandse letteren bestaat eerder vergroot dan verkleint. Natuurlijk is het moedig om een samenhangende visie te willen geven op de literatuur van de laatste jaren. En ik kan niet ontkennen dat Peeters in eerdere boeken, bij voorbeeld over de Revisor-auteurs, wel iets heeft bereikt. Maar het lijkt me hoogst onwaarschijnlijk dat er nu, met het slot van Echte kennis, geschiedenis is geschreven.

Misschien had Peeters er in 1956 toch beter aan gedaan zijn gouden pennetje te behouden in plaats van het te ruilen voor een jeugdencyclopedie. Encyclopedische kennis kan iedereen zich altijd nog eigen maken, maar met het schrijven van goede en heldere betogen kan niet vroeg genoeg begonnen worden.