Eerste roman van Eva Bentis; Halleluja, ik heb andere genen

Eva Bentis, Maskerade. Uitg. Contact, 194 blz. Prijs ƒ 32,90.

Twee jaar geleden debuteerde Eva Bentis met Moeders en dochters, een bundel knappe verhalen waarin verrassingen en ontmaskeringen een grote rol speelden. In haar eerste roman komen allerlei motieven uit die verhalen terug, nu allemaal gebonden aan het leven van Els, lerares en bibliothecaresse aan een middelbare school. De ellende die het manke meisje in het verhaal "De reis' te verduren had, is nu het lot van Els, die bij een ongeluk met een gasfornuis een verminkt gezicht heeft opgelopen. En net als in het verhaal "Wraak' wordt er in de roman een wraakoefening beschreven die uitloopt op een ontmaskering die niet minder verrassend is dan die in het verhaal "Het Streuvels-syndroom'. Het meest opvallende raakpunt van de roman met Moeders en dochters is de figuur van de onaardige, stijfkoppige en buitengewoon lastige moeder en de geheimzinnige familiegeschiedenis waarin zij centraal staat. In de roman is de geheimzinnigheid vergroot tot een mysterie waarvan de onthulling zo verbazingwekkend is dat het moeilijk valt niet met een "ongelooflijk' te reageren.

Het begin van de roman doet nog niets vermoeden van het grote geheim. Daar zijn andere problemen aan de orde, vooral dat van de maskering waar het boek naar heet. De zesenveertigjarige Els lijdt nog erg onder de beschadiging van haar gezicht en probeert met allerlei crèmes de littekens te verbergen. Op school, waar men aan haar uiterlijk gewend is, voelt ze zich tamelijk zeker, maar bij elke nieuwe ontmoeting valt die zekerheid weg. De ergste beproeving is een nieuwe bibliotheekassistent, Peter, die lijdt aan het la Tourette-syndoom, dat zich bij hem uit in andere mensen nadoen en in het gezicht spugen. Hij tiranniseert Els met zijn onverwachte gespuug en vooral door zijn mond net zo te vertrekken als de hare. Aan het eind van de roman, bij de grote wraakoefening, blijkt het syndroom van Peter ook een masker te zijn waar iets heel anders onder zit.

De moeizaam verworven zekerheid van Els lijkt plotseling weggevaagd te worden als ze door een toevallige vondst begint te twijfelen aan haar afkomst. Is haar moeder haar moeder wel? Of zou het dat joodse meisje kunnen zijn van wie ze op zolder een foto heeft gevonden? Aan de ene kant vindt ze dat een verlossende gedachte: “Halleluja, het stugge eigenwijze van Wil zat niet in haar genen. Haar echte moeder was heel wat aantrekkelijker.” Aan de andere kant is ze zo geschokt dat ze drie dagen "ontworteld' in bed blijft liggen.

De speurtocht van Els, spannend als een thriller, naar haar echte moeder en vader leidt tot zulke grote verrassingen dat de ontmaskering van de moeder als uitzonderlijk hardnekkige leugenaarster er bijna bijzaak door wordt. Voor mijn gevoel slaagt Eva Bentis er net niet in het ongelooflijke geloofwaardig te maken. Of het geval dat zij beschrijft wel of niet aan de werkelijkheid is ontleent, is daarbij van geen belang. Er zijn allerlei trekjes in de roman die laten zien dat Bentis, bewust of onbewust, heeft geprobeerd de geloofwaardigheid te versterken. Over de verhouding met Peter denkt Els bij voorbeeld: “Als hoofdfiguur in een roman had ze hem graag ontmoet.” Duidelijker pleidooi om de romanwerkelijkheid als werkelijke werkelijkheid te aanvaarden is nauwelijks mogelijk. Ook in de compositie van de roman heeft ze het werkelijkheidsaspect willen versterken. Het hele verhaal verloopt strikt chronologisch, maar plotseling maakt het een zwaai terug naar de oorlog en de geboorte van Els. Daardoor wint dat hoofdstuk weliswaar aan directheid en aanschouwelijkheid, maar daardoor ook krijgt de mooie evenwichtige constructie een lelijke knauw. Net als in haar verhalen is Eva Bentis op haar best als ze het minst verrassend is.