Een man geneigd tot luim en boert

De wereld is nog steeds, zo zal bij de aanstaande viering van 's mans twintigste sterfdag blijken, verdeeld in Bomansfans en Bomanshaters. Er schijnt zelfs een Anti-Bomans Genootschap te bestaan dat periodiek het Anti-Bomanstijdschrift op de markt brengt, waarin "deze papekop' als "één van de verschrikkelijkste katholieken van Nederland' wordt omschreven.

Zelf deel ik de mening van Jeroen Brouwers, die een fraaie monografie over Bomans heeft geschreven: Hij was een kundig, vaak bewonderenswaardig vakman, maar een groot schrijver... neen. Daarvoor was Bomans te veel aan zijn eigen spraakwater verslaafd. Ja, plannen had hij genoeg. Een boek "over de slavenhandel'. Een roman "over de zee'. En boek "over beroemde sterfbedden'. En natuurlijk dat vuistdikke, definitieve, alle vragen beantwoordende boek over zijn afgod en grote voorbeeld Charles Dickens.

Zij bleven alle ongeschreven. Bomans had het veel te druk met radiospelletjes, interviews, tafelspeeches, quizzen, dagopeningen, parodieën, dagsluitingen, zelfbespiegelingen en aanverwante komiekerijen. Zijn oeuvre bestaat, op twee boeken uit zijn jonge jaren na, voornamelijk uit opgewarmde kranteknipsels, die overigens vaak interessant en amusant zijn. Zij het niet altijd, want de schrijver was geneigd tot een soort Mandril-humor, gekenmerkt door even omslachtig als archaïsch taalgebruik.

“Ober, mag ik de rekening?”, zeggen wij.

“Waarde vriend ober, thans gaan wij op feestelijke wijze over tot het storten der penningen”, zei Bomans.

In 1952 verscheen Bomans' Pa Pinkelman in de Politiek, een bundeling van de gelijknamige strip in de Volkskrant. Het boek werd van een voorwoord voorzien door Anton van Duinkerken, hoogleraar te Nijmegen en, net als Bomans, een levenskunstenaar van r.-k.-signatuur. Van Duinkerken wilde laten zien dat ook hij de leukste thuis was en gewaagde dus van een "meesterwerk' van "grote zedelijke schoonheid', voorbestemd om te worden bestudeerd door "de koninklijke academies van verschillende beschaafde landen', terwijl de gewone lezers onderwijl "gieren van het lachen', respectievelijk "schuddebuiken van het lachen'.

Dat gold wellicht voor de lezer op het kruispunt der jaren veertig en vijftig, maar nu, veertig jaar later, zo blijkt uit een dezer dagen verschenen herdruk, is Bomans' Pa Pinkelman enigszins sleets geworden. De wereld van deze "heerlijke kerel' wordt bevolkt door louter tot giebelegijntjes geneigde guitebrokken, guitepuiten, olijkerds en rekelbasten, terwijl mevrouw Pinkelman, Tante Pollewop geheten, door haar echtgenoot bij voorkeur wordt aangesproken met koosnaampjes als Kneukelaar, Schnabbelvink en Lekkere Troela.

“Ik ben een man, geneigd tot luim en boert”, zei Pa Pinkelman.

Het werkt al spoedig een zekere vermoeidheid in de hand.

De "heerlijke kerel' ontvouwde zijn "verrukkelijke gedachten' voor het eerst op 12 november 1945, op initiatief van J.M. Lücker, de toenmalige hoofdredacteur van het roomse ochtendblad waarbij Bomans als chef-kunst was aangesteld. Veel voerde hij niet uit (roomse blijheid!), vandaar dat hij verzocht werd zijn salaris op een andere wijze waar te maken. Eerst wenste Bomans zijn held Knekelbuik te noemen, wat Lücker te macaber vond - “Dan net zo lief géén strip”. De naam Knetterteen mocht eveneens niet, waarna de heren elkander uiteindelijk vonden in de naam Pinkelman.

“Het was geen gemakkelijke relatie”, zou Lücker later verklaren. “Bomans had plezier in vieze woorden en daar had ik een hekel aan. Die schrapte ik. Ik had altijd het laatste woord. Bomans kon soms onverwacht wreed zijn in zijn humor toen hij bekende personen in zijn strip liet verschijnen. Een satanisch trekje.”

Wat er van hoofdredactionele zijde allemaal voor aanstootgevends werd geschrapt, weet ik niet. De praktijk was in elk geval een serie beschaafde, om niet te zeggen huisbakken, plaagstoten in de richting van prof. Carl Romme te Overveen, toentertijd KVP-fractieleider annex "staatkundig hoofdredacteur' van de Volkskrant. De politicus liet "moeiteloos met zich spotten', constateert Henk van Gelder in zijn voorwoord tot de herdruk. Allicht, want aan "dit goedmoedige gedol' kon geen mens aanstoot nemen.

Het is inmiddels, zo heb ik gemerkt, wat moeizame lectuur geworden, alle satire ten spijt. Eigenlijk is het een strip die op elke pagina één of meer voetnoten behoeft. Wie kent nog figuren als Karel Lotsy of Manus Olie? Wie kent nog mannen als Leo Pagano of Gerrit de Stotteraar? Zij leven inmiddels exclusief in het geheugen van midveertigers-plus. Verder bevatte het door Bomans behandelde kabinet-Beel (juli 1946-augustus 1947) niet al te veel kleurrijke figuren, de jonge Drees (Sociale Zaken) niet te na gesproken. Wie kent anno 1991 nog de politicus A.H.J.L. Fievez (Oorlog) of een bewindsman als dr. ir. J.H. Ringers (Openbare Werken en Wederopbouw)? Zelfs van de toenmalige premier Beel herinneren wij ons voornamelijk dat hij een kleurloze kaalkop was.

De markantste minister uit Bomans' stal werd vóór de oorlog, in 1936, geboren. Het is Zijne Excellentie Pieter Bas, die onder de redactie van de jonge Godfried zijn Gedenkschriften heeft gepubliceerd, in één van de aardigste boeken die er in het Nederlandse taalgebied zijn verschenen. Men oordele zelf: het wordt op het ogenblik door uitgeverij Het Spectrum voor de prijs van ƒ 9.90 verramsjt.