Economisch blijft Japan als altijd in het offensief

Japans positie in de wereld blijft omstreden. Van de Japanse premier op visite werd terecht geëist dat hij zijn verontschuldigingen aanbood voor het leed dat Japan in de Tweede Wereldoorlog zijn slachtoffers heeft toegebracht. Beter laat dan nooit. Maar inwilliging van die eis is velen niet voldoende. Van Seoel tot Den Haag wordt de diepte van 's mans buiging gemeten om vast te stellen of hij zijn spijt naar Japanse normen wel op overtuigende wijze tot uitdrukking heeft gebracht. Bij een nieuw bezoek zal Japans premier misschien zijn excuses moeten maken voor de wijze waarop hij of zijn voorganger destijds zijn excuses aanbood. Enzovoort.

In een land als Frankrijk, dat in zijn koloniën met de Japanse invallers samenwerkte, is de pijn van het verleden al lang overwonnen. Maar Parijs is in de ban van een diepe afgunst ten opzichte van Japans commerciële successen nu. Premier Cresson vergeleek de Japanners met mieren en zij dacht daarbij niet aan het bijbelwoord dat ons dit insect als voorbeeld voorhoudt. Renault en Citroën krijgen daarom samen met Fiat bijzondere bescherming tegen de Japanse concurrentie.

Het "Japan-bashing' zoals gepraktiseerd door Cresson en anderen heeft inmiddels in Japan zelf tot een reactie geleid. Shintaro Ishihara heeft zijn tegenoffensief gemunt in een boek met de titel "Het Japan dat absoluut neen kan zeggen'. En meer dan dat. Ishihara pleit voor een herstel van de Dai Toa Kyoei-ken, de Groot Oostaziatische Ruimte voor Gezamenlijke Welvaart, een slogan waarmee in de jaren dertig en veertig Japans veroveringspolitiek een zogenaamd anti-koloniale doelstelling werd meegegeven. In de International Herald Tribune waarschuwen Ayako Doi en Kim Willenson dat Ishihara en zijn aanhang dreigen op te rukken van de buitenste rand naar het centrum van de Japanse politiek. En zij voegen aan hun waarschuwing een tweede toe: maatregelen die Japans economische opmars in de wereld dwarsbomen, zullen de Ishihara's in de kaart spelen.

Als zij gelijk hebben is al een "point of no return' gepasseerd: de geïndustrialiseerde wereld zou dan immers slechts de keuze hebben tussen een gelaten ondergaan van Japans agressieve export- en overnamepolitiek en een regelrechte en onontkoombaar escalerende confrontratie die uiteindelijk moet leiden tot een politieke verwijdering tussen Japan en het Westen. Met een scala van onaangename gevolgen in de rest van Oost-Azië. De kans dat Japan met enige druk kan worden overreed tot het nastreven van evenwicht in de onderlinge economische betrekkingen, mag, uitgaande van de waarschuwing van Doi en Willenson, bijzonder gering worden geacht.

De intellectuele worsteling over het juiste antwoord aan Japan is al weer jaren aan de gang. In het zomernummer van International Security concludeert Michael Mastanduno dat staten meer zijn geïnteresseerd in het relatieve voordeel ten opzichte van elkaar dan in het absolute voordeel dat zij kunnen behalen. Volgens een vorig jaar gehouden opiniepeiling bleek zesentachtig procent van de Amerikanen graag genoegen te nemen met geringe groei in Japan en de VS beide indien een snellere groei in de twee landen zou uitmonden in een Japanse overname van het economische leiderschap in de wereld.

Aan de hand van drie voorbeelden van regeringsbeleid toont Mastanduno aan dat de Amerikaanse regering lange tijd geneigd was om Japan op grond van overwegingen van internationale politiek verregaand terwille te zijn, maar dat wanneer economische factoren werden meegewogen soms het behoud van een relatief voordeel werd nagestreefd.

Onder Reagan was op grond van politieke overwegingen besloten tot de gezamenlijke ontwikkeling van een gevechtsvliegtuig. De overeenkomst zou in die vorm hebben geleid tot een welhaast onbegrensde overdracht van hoog-technologische kennis en ervaring aan Japan en een aanzienlijke versterking van Japans concurrentiekracht in de vliegtuigbouw. Twee jaar geleden besloot president Bush de onderhandelingen te heropenen. De tegenstanders van het FSX-project hadden de overeenkomst willen beperken tot Japanse aankoop in Amerika van vliegtuigen "van de plank' dan wel tot gezamenlijke produktie. Beide varianten zouden tot een veel bescheidener kennisoverdracht hebben geleid dan in het geval van gezamenlijke ontwikkeling. In de heronderhandelingen bleef de gezamenlijke ontwikkeling overeind, maar de kennisoverdracht aan Japan werd gelimiteerd en er werden nauwkeurige afspraken gemaakt over latere gezamenlijke produktie.

Als de VS zich niet hadden bekommerd om het behoud van een relatief voordeel, had Bush de bestaande overeenkomst met Japan intact kunnen laten. Als Amerika zijn absolute voordeel had willen handhaven, meent Mastanduno, zou het zich hebben beperkt tot minder vergaande vormen van samenwerking. Mastanduno refereert vervolgens aan de verkoop van Amerikaanse satellieten aan Japan en de positie van Amerikaanse fabrikanten van HDTV ten opzichte van Japanse concurrentie. De Verenigde Staten kregen pas volledig toegang tot de aanvankelijk gesloten en later half-geopende Japanse markt voor satellieten nadat zij in 1989 hadden gedreigd met tegenmaatregelen. Volgens Mastanduno's standaard waren de Amerikanen in deze transactie ongeremd uit op het behoud van hun relatieve voordeel.

Maar op het terrein van HDTV liet Washington het afweten. Een voorstel van de Europese Gemeenschap voor het leveren van een gezamenlijke inspanning om de Japanse koploper in te halen werd afgewezen, evenals een plan-van-actie van de gezamenlijke Amerikaanse industrie. Mastanduno wijst er ter verklaring op dat de Amerikaanse economische ideologie overheidsbemoeienis met de private markt afwijst. Met de FSX bewoog de Amerikaanse overheid zich op eigen terrein, in de kwestie van de satellieten streed zij voor het openen van de Japanse markt, maar met steun aan HDTV zou zij haar grenzen naar eigen oordeel hebben overschreden.

Het verschijnsel Japan past niet in Amerika's economische ideologie. De Amerikaanse belijdenis van vrije markt, winst, rendement, vrijhandel, concurrentie en arbeidsverdeling bemoeilijkt een strategische heroverweging van de betrekkingen met Japan. Het Japanse offensief over de hele linie van handel, investeringen overzee en de financiering daarvan is gericht op verovering van zoveel mogelijk relatief voordeel op zoveel mogelijk gebieden - om Mastaduno's terminologie te gebruiken. Openstelling van Japans binnenlandse markt zou, gezien Japans industriële kracht, dit offensief nauwelijks meer vertragen en de doelstelling ervan niet aantasten. Zo min als de opwaardering van de yen destijds het evenwicht met het Westen heeft hersteld. Eerder is het tegenovergestelde gebeurd.

Wie de sterkste partij moet geven, zal van hem moeten leren. Japan heeft dat eens gedaan. Nu zijn het de anderen die tegenover het schoolbord in de bank plaats moeten nemen. "Bashing' alleen zal niemand verder helpen.