De oorlog van de diva's; Opera-opnamen van Renata Tebaldi uitgebracht op cd

De sopraan Renata Tebaldi was de concurrente van Maria Callas. Ze verloor de strijd om de Scala en de roem. “Wie aan Tebaldi denkt, denkt aan Callas. Wie aan Callas denkt, vergeet aan Tebaldi te denken.”

Onlangs werden opera-opnamen van Tebaldi op cd uitgebracht. “Het beluisteren van "Tosca' maakt voorgoed een einde aan het idee dat Tebaldi niet dramatisch kon zijn.”

Het was oorlog in het rijk der hoge C. Buiten waren er massale demonstraties en optochten, binnenin de Scala moesten in het seizoen 1953-'54 soms de loges bij de toneellijst worden afgesloten terwille van de persoonlijk veiligheid van de diva's die hier met elkaar streden om de gunst van de operaliefhebbers. Intendant Ghiringhelli had de acht sopraanrollen voor dat seizoen noodgedwongen volkomen eerlijk verdeeld: Renata Tebaldi zong er vier en Maria Callas zong er vier. Terwijl de trouwe aanhangers hun idool tijdens en na de voorstelling telkens hartstochtelijk bejubelden, gooide het vijandige deel van het Milanese publiek met eieren, met schoenen of met wat er verder dan ook maar onder handbereik was.

Het onschuldigst waren nog de bosjes radijs die op het podium vielen. Maria Callas, die nogal kippig was, raapte ze op in de veronderstelling dat het boeketjes waren en merkte dan pas - ziedend van woede - welke belediging ze zelf in haar handen had genomen. Eerder, in de winter van 1951, telkens als Renata Tebaldi in de Scala zong, had Callas daar in een frontloge gezeten en haar rivale gefixeerd met een kille blik tot ze zo nerveus werd dat ze tijdens La Traviata in haar eerste aria twee maal bleef steken en niet meer in staat was de tweede te zingen.

Later, toen de strijd al lang was uitgewoed, werd de oorlog tussen Renata Tebaldi en Maria Callas door sommigen gereduceerd tot een strijd tussen hun aanhang. De twee kunstenaressen zelf zouden er eigenlijk boven hebben gestaan. Callas had in New York toch persoonlijk aan Tebaldi haar bewondering geuit voor haar Adriana Lecouvreur? En Tebaldi had immers bij de Callas-herdenking in Milaan op het podium van de Scala achter die lange tafel gezeten en toch lovende woorden gesproken over de overledene?

Maar de vete, in 1951 ontstaan in Brazilië waar de "engelensopraan' Tebaldi meer succes oogstte dan de toen nog zo lelijk dikke Callas, werd door de twee sopranen destijds wel degelijk ook heel persoonlijk gekoesterd en aangewakkerd. Toen Tebaldi een miljoen lire schonk aan een liefdadigheidsfonds, ging Callas kort daarna op audiëntie bij de aartsbisschop van Milaan om hem een cheque met eenzelfde bedrag aan te bieden. Callas zei dat Tebaldi geen ruggegraat had. Tebaldi beweerde dat Callas geen hart bezat. Callas vestigde bij een optreden van Tebaldi geniepig de aandacht op zichzelf door voor haar rivale hartelijk te applaudisseren. Tebaldi verklaarde dat het zingen van Callas haar nog nooit iets had gedaan.

Al werd Renata Tebaldi in 1946 ontdekt door Arturo Toscanini in de Scala, toch werd Maria Callas uiteindelijk juist daar de glorieuze winnares van de sopranen-oorlog. Haar stem en haar dramatisch talent waren nu eenmaal uniek in de historie van de opera. Maar dat er zó langdurig een zó heftige strijd kon ontstaan, zegt ook veel over het grote belang van de zangkunst van Tebaldi. Vanaf 1955 zong zij veel meer in Amerika dan in Italië. Hoewel ze nog enkele malen terugkwam in de Scala heerste Callas daar definitief.

Eeuwigheid

De tragiek van Tebaldi is dat zij ondanks die eervolle tweede plaats voor het grote publiek uiteindelijk vrijwel geheel verdween in de schaduw van Callas, wier carrière veel eerder was afgelopen en wier roem na haar dood in 1977 niet is verminderd. Telkens kwamen er zelfs daarna nog nieuwe platen van Callas uit, door haar zelf afgekeurde studio-opnamen of al dan niet illegale registraties van live-uitvoeringen. Als men haar complete discografie ziet, de officiële uitgaven èn de liefhebbersplaten, lijkt het wel alsof bijna elke noot die Callas ooit zong voor de eeuwigheid is vastgelegd.

Bij Tebaldi was het na haar afscheid in 1976 net andersom: de platen die van haar verkrijgbaar waren werden almaar schaarser, haar faam leek geheel te vervagen, haar naam is nog slechts bekend bij een groep steeds ouder wordende operaliefhebbers. Maar Decca heeft dat nu terecht goedgemaakt met de completering van een uitvoerige Tebaldi-catalogus: zeventien opera's op cd, vier cd's met hoogtepunten, een dubbel-cd met beroemde aria's en een cd met vroege opnamen uit de jaren 1949-'52.

Bij deze laatste cd schreef Roland Mancini een toelichting waarin de zangkunst van Tebaldi wordt vergeleken met die van haar voorgangsters, zoals Maria Caniglia en - haar grote voorbeeld - Toti dal Monte. Niettemin wordt de latere "war of the diva's' toch genoemd, net als het debuut van Callas in La Gioconda in de Arena van Verona in 1947, hetzelfde jaar dat Tebaldi daar een "glanzende, onschuldige Marguerite' in Gounods Faust zong. Nog steeds, na meer dan dertig jaar en zelfs bij de uitgave van haar eigen opnamen, wordt de nu 69-jarige Renata Tebaldi achtervolgd door de legende van Maria Callas.

Wie aan Tebaldi denkt, denkt aan Callas. Wie aan Callas denkt, vergeet aan Tebaldi te denken. Zoiets lijkt wel een hallucinerend operalibretto waard, een met angstaanjagende Leitmotiven en niet aflatende verschijningen. Maar het is aardiger te proberen Tebaldi juist niet met Callas te vergelijken. Dat is ook niet zo moeilijk, want hun stemmen en hun opvattingen over opera en het uitbeelden van rollen verschilden evenveel van elkaar als hun karakters.

Callas kon zelfs bij recitals niet zingen zonder tegelijk ook fysiek gestalte te geven aan een personage. Men ziet dat automatisch in werking tredende inlevingsvermogen op fascinerende wijze op de video van haar Hamburgse optreden. Alleen al door het verschikken van een stola en met één vurige blik werd ze tijdens de instrumentale inleiding van een aria een getergde heldin, zonder dat ze nog één noot had gezongen.

Al haar expressieve middelen buitte Callas maximaal uit. Pure schoonheid en zonder meer mooie noten bestonden voor haar niet. Haar stem met dat vaak snerpend en sissend tijgerachtige timbre was slechts gericht op dramatisch effect. Zij was een perfectioniste en stelde compromisloze eisen aan de regisseur en de kwaliteit van de produktie, aan de gaven van de dirigent en aan de inzet en competentie van haar collegae op het podium.

Bij Tebaldi ligt dat allemaal duidelijk anders. Kleur en karakter van haar stemgeluid waren buitengewoon fraai en evenwichtig, mild en warm. Ze was een rijzige statige vrouw, haar verschijning had een vorstelijke allure. Maar in de praktijk was ze een heel meegaand type, zeer gedisciplineerd en op het gebied van enscenering had ze erg traditionele opvattingen.

Een Tosca waarin Tebaldi optrad moest er volgens haar precies zo uitzien als al haar eerdere Tosca's. En ze zong ontzettend veel Tosca's! Als de regisseur nu opeens vond dat ze van rechts moest opkomen terwijl ze altijd van links opkwam, dan verzekerde ze hem dat ze toch gewoon van links zou opkomen. Zó meegaand en braaf gehoorzaam was ze dus weer niet. Stout was Tebaldi slechts één keer in haar leven, toen ze als 16-jarige op het conservatorium werd aangenomen omdat ze zei dat ze 18 was.

Tebaldi had ook een ander stemvak dan de superdramatische Callas. Zij was een lirico spinto - iets tussen lyrisch en dramatisch in. Haar stem was volumineus maar weinig wendbaar, perfect voor lange golvende lijnen en niet erg geschikt voor coloratuur en het vroeg-negentiende eeuwse bel canto van Bellini en Donizetti, waarin Callas glorieerde: Norma en Lucia di Lammermoor.

Het voor Tebaldi ideale repertoire was eigenlijk beperkt tot een aantal Verdi-opera's en het verismo in al zijn schakeringen: behalve Puccini dus ook Catalani, Cilea, Giordano, Mascagni en Ponchielli. Tebaldi kende die beperkingen zelf maar al te goed, ze trad er zelden buiten, al deed ze een aantal Wagnerrollen en zong ze in Rossini's Guglielmo Tell. Soms was ze helaas al te bescheiden. Il Trovatore, Don Carlo en Un ballo in maschera zong ze wel op de plaat maar ze durfde dat niet op het podium. Over Mirella Freni en Renata Scotto zegt ze in The last prima donnas tegen Lanfranco Rasponi niet te kunnen begrijpen waarom ze al die veel te zware rollen zingen. “Waar zijn de grote stemmen tegenwoordig? Er zijn alleen maar kleine muggen die rondvliegen.”

Tebaldi had nog een ouderwetse zorgvuldigheid in de keuze van haar repertoire, ze zong ook welbewust veel minder dan zangeressen tegenwoordig doen en leidde een geregelder leven. Af en toe zong de toch onberispelijke Tebaldi niettemin tegen de toon aan, zoals is te horen op de nu heruitgebrachte La Traviata uit 1955. Ze klaagde trouwens ook over de almaar stijgende toonhoogte: de a is her en der al van van 440 Hz opgekropen naar 450 Hz, waardoor volgens haar de echte alten en diepe bassen zijn verdwenen.

De Traviata van Tebaldi was dan ook geen echt pronkstuk, omdat ze voor E strano en Sempre libera hoogte, grillige beweeglijkheid en lichtzinnigheid miste. (In de produktie van Visconti schopte Callas hier eerst haar schoenen uit!) In de derde acte leest ze de brief met al te veel pathetiek, maar in die twee laatste actes is ze verder wel veel beter op dreef dan in de eerste. Het is de treurige zwakte van de rest van de cast - Gianni Poggi als Alfredo en Aldo Protti als de oude Germont - die het meest ontsierend is voor deze opname, eigenlijk niet meer dan een document voor de echte Tebaldi-liefhebbers.

De opnames van Adriana Lecouvreur van Cilea en La Gioconda van Ponchielli met Tebaldi zijn echter voortreffelijk en vervoerend, met in deze verismo-opera's een Tebaldi zingend in grootse stijl op de top van haar kunnen. Zoals bij vele andere opnamen kan men hier ook genieten van grandioze creaties van andere zangers. In Adriana Lecouvreur heeft Giulietta Simionato een grandioze rol als Prinses en Giulio Fioravanti is een uitstekende Michonnet. In La Gioconda hoort men indrukwekkende prestaties van Carlo Bergonzi (Enzo) en Robert Merrill (Barnaba).

Cavalleria Rusticana van Mascagni, waarin Tebaldi als Santuzza zingt met Jussi Björling (Turiddu) en Ettore Bastianini (Alfio), valt dan in vergelijking met de dramatiek van Adriana en Gioconda iets tegen. Alberto Erede dirigeert het befaamde Intermezzo ook wat zagerig en zonder veel broeierigheid.

Op het podium was Tebaldi een superieur sopraan in slechts enkele Verdi-opera's. In de titelrol van Aida, in de soms wel erg pompeuze opname van Karajan, zingt ze O patria mia niet erg geweldig, maar de rest van de Nijlscène heeft een opmerkelijk felle dramatiek, mede dankzij Carlo Bergonzi en Cornell MacNeill.

Desdemona in Otello was een perfecte rol van Tebaldi, fraai en ingehouden vastgelegd onder leiding van Karajan, met Mario del Monaco in de titelrol en Aldo Protti als Jago. Haar subtiel opgebouwde en aangrijpende uitvoeringen van het Wilgenlied en het Ave Maria zijn hoogtepunten uit haar carrière en staan ook de prachtige dubbel-cd La Tebaldi, die met tal van beroemde aria's een goed overzicht van haar zangkunst geeft. La Tebaldi is het voldragen complement van de interessante cd met vroege opnamen (1949-1952), waaronder de complete derde acte van Aida met Del Monaco, als Radames, Aldo Protti als Amonasro en de legendarische Ebe Stignani als Amneris.

Een belangrijk deel van die vroege opnamen was al Puccini-repertoire dat later een van de sterkste kanten van Tebaldi bleek: La Bohème, Madama Butterfly en Tosca. De complete opnamen daarvan zijn nog steeds uitstekende voorbeelden. In Butterfly en Bohème - beide gedirigeerd door Tullio Serafin - heeft ze hier opnieuw Carlo Bergonzi als tegenspeler. In de door Francesco Molinari-Pradelli gedirigeerde Tosca zijn dat Mario del Monaco (Cavaradossi) en George London (Scarpia).

Het beluisteren van deze Tosca maakt voorgoed een eind aan het idee dat Callas dramatisch was en dat Tebaldi niet dramatisch kon zijn. Tebaldi geeft wel een andere interpretatie aan de rol van de zangeres Tosca, die hier een niet zo eenzijdig flamboyante persoonlijkheid is, maar veel weifelender in optreden en en houding. Ze is ook wel enigszins gevoelig voor de strijkages van de wrede Scarpia - sopranen leven nu eenmaal voor de kunst en willen daarmee behagen.

De opnamen van Renata Tebaldi verschenen bij Decca.