De jaarlijkse Al Caponelezing

Nederland is het land van de lezingen geworden. Het begon met de Huizingalezing in Leiden, daarna kwam de Duijkerlezing in Amsterdam, de Van der Leeuwlezing in Groningen, de Uhlenbecklezing te Wassenaar, de Van Goghlezing te 's-Hertogenbosch, de Soudijnlezing te Tilburg en de Pierre Baylelezing te Rotterdam.

Deze lezingen zijn geïnstitutionaliseerd en vernoemd naar een beroemdheid. Ze worden jaarlijks gehouden en het staat in de statuten dat het als een eer geldt wanneer je er voor wordt uitgenodigd. Al deze lezingen worden beheerd door een eigen stichting. Iedere notaris weet, dat het oogmerk van zo'n stichting de verheffing van het volk of de verbreding van onze cultuur is. Al die lezingen worden ook weer uitgegeven in brochurevorm en zijn bij de erkende boekhandel te koop. Je kunt ze verzamelen. Er worden natuurlijk nog veel meer lezingen gehouden in Nederland, maar vele daarvan berusten op een gewoonte, zoals de oratie of de mededeling aan de aandeelhouders. De spreker neemt vaak zelf het initiatief tot de voordracht, omdat hij een verplichting wil afwikkelen. Maar de lezingen die ik op het oog heb zijn creaties van de vrije geest. Het zijn adembenemende kunstwerken, hoogtepunten van onze cultuur, onverbiddelijke expressies van onze beschaving, gereputeerde evenementen. De spreker wordt met de uiterste zorgvuldigheid geselecteerd uit een reeks kandidaten, die vaak zelf niet weten dat zij zijn genomineerd. En dan komt de verrassing: hij is het dit jaar geworden. Daarom kan zo'n lezing ook niet geannuleerd worden voor een jaar. Dat zou hetzelfde zijn als het annuleren van de Europacup-finale, terwijl het toernooi uiteindelijk toch twee kandidaten heeft opgeleverd. Deze lezingen zijn niet meer weg te denken. K.L. Poll heeft het allemaal bedacht en daarom zou er eigenlijk ook nog een jaarlijkse K.L. Polllezing moeten komen, die net als de Churchilllaan onder de bevolking aanleiding zal geven tot spellingsmoeilijkheden.

Ik heb al deze lezingen gevolgd, hetzij door ze bij te wonen hetzij door ze te lezen en ik kan u deelgenoot maken van een merkwaardige ontwikkeling die zich in de loop der jaren heeft voorgedaan. In toenemende mate onthullen de sprekers een verval in onze cultuur dat ons nog niet was opgevallen of verzetten zich tegen een verval waaraan wij ons dreigen te gewennen. De lezing als fysisch gegeven markeert, zoals gezegd, een hoogtepunt van onze beschaving. Maar waar de lezing over gaat is de dreigende ondergang van diezelfde beschaving: de groeiende criminaliteit, de gewenning aan bedrog, de lust tot frauderen, de acceptatie van de normeloosheid, de afwezigheid van elementair fatsoen, het verval van de publieke moraal, de misdadige stompzinnigheid, de legalisering van vernielzucht, de inhaligheid, de infantiele verrukking dat alle feiten slechts sociale feiten zijn, zodat wij ons godzijdank niet meer hoeven te bekommeren om de redelijkheid van het debat, het witwassen van plagiaat, de afkeer van gezag omdat gezag elitair is, het aanzwellende applaus voor elke vorm van relativisme omdat men zich de doctrine van alles moet kunnen niet meer afhandig laat maken, het verraad als graadmeter van volwassenheid, de verwaarlozing van het erfgoed, het hebzuchtige alleenrecht op de uitleg van Derrida, het banditisme van de eindeloze toegeeflijkheid, het gebrek aan solidariteit, de machteloze rancune en lusteloosheid. Het slappe rondhangen. Geen eergevoel, geen zin.

Een enkele spreker betoogt dat we ons vergissen in de absolute geldigheid van de totale normeloosheid. Maar een ontwenning aan de zucht tot wetteloosheid zal een gigantische inspanning vergen. Niemand zal die moeite nog doen. Een beschaving die naar essentie misdadig en leugenachtig is, holt haar eigen ondergang tegemoet.

Niemand zal natuurlijk betogen dat wij allemaal misdadiger en sociopaat zijn geworden. Nee, het betoog is veeleer dat wij ons niet verweren tegen normeloosheid en er een gemakzuchtig behagen in scheppen dat niets de moeite van het verdedigen waard is. Onze cultuur bevindt zich in een acuut stadium van unanieme verwaarlozing. Wie er bij wil horen, lapt alles aan zijn laars. Het pijnlijke van onze beschaving is, dat de enige regio waar nog wetten en regels in acht genomen worden de georganiseerde misdaad is. Een cultuur die nog slechts in de onderwereld een afspiegeling vindt van haar eertijdse idealen, kan alleen nog maar door die onderwereld gered worden. De misdaad als cultuurdrager. Onze kinderen leren uit gangsterfilms de idealen van trouw, vriendschap, solidariteit, saamhorigheid, zorg om weduwen en wezen, respect voor de familie-oudste, moed, doortastendheid, respect voor de regels, afrekening van verraad, eerbied voor de Italiaanse keuken, zorg om het uiterlijk en een afkeer van verslonzing. In de georganiseerde misdaad heeft men een grondige hekel aan aanranding, verkrachting, kindermishandeling en lustmoord. Dat zijn allemaal ziekelijke uitwassen van de burgerlijke fantasie. Of zou het in een decadente maatschappij ook met de georganiseerde misdaad bergafwaarts gaan. Ik vrees van niet. Scholing, toewijding, originaliteit, tucht, ontzag voor de feiten, oplettendheid, aandacht: ze staan hoog in het vaandel geschreven van de georganiseerde misdaad. Je moet daar niet aan komen met praatjes dat alle feiten slechts sociale feiten zijn, dat het gepermitteerd is om te verzinnen dat een bepaalde bank gemakkelijk te lichten is of dat je geleend geld niet hoeft terug te betalen. En op de minste overtreding van de norm staat een fatale straf. Je hoeft de georganiseerde misdaad niet te romantiseren om vast te stellen dat zij niet decadent is. Ik leid dat af uit het feit dat er in de onderwereld geen jaarlijkse Al Caponelezing is, waarin geklaagd wordt dat de misdaad de misdaad niet meer is of dat de criminaliteit aan verwaarlozing van de traditie ten onder gaat.

Zij mag dat proberen in enige korte laatste scenes, die het stuk een onverwachte wending geven naar zware Duitse symboliek, naar de rand van de Kitsch, naar de grens van de plaatsvervangende gene. Dat die grens niet overschreden wordt komt in de voorstelling in de Munchener Kammerspiele door het spel van Gisela Stein, die deze scenes, waarin opeens alle humor, alle lichtvoetigheid van de rest van het stuk ontbreekt, tot een goed einde brengt.