Artistiek leider Armando Navarro verlaat na dertig jaar Scapino Ballet; Het werken voor de kinderen is "finito'

Vandaag neemt Armando Navarro afscheid van het Scapino Ballet Rotterdam. De Argentijnse danser- choreograaf is 30 jaar verbonden geweest aan het gezelschap, waarvan 21 jaar als artistiek leider.

ROTTERDAM, 16 AUG. “Gelukkig en tevreden” voelt Armando Navarro (1930) zich over de groei van het Scapino Ballet Rotterdam in de achterliggende jaren. Zijn taak als artistiek directeur zit erop. Sinds kort vaart het gezelschap een nieuwe koers, die door zijn opvolger Nils Christe is uitgezet. Die verandering bekijkt hij met gemengde gevoelens. In de toekomst zal Scapino een "volwassen' balletgezelschap zijn, dat zich niet meer uitsluitend richt op de jeugd. Dat vindt Navarro “heel spijtig”.

Zijn voorgangster Hans Snoek wilde bij de oprichting van het Scapino Ballet (1945) de kinderen op een leuke manier met de theaterdans in aanraking brengen. In 1970 besloten Navarro - en zijn mede-directeur Aart Verstegen - echter meer de nadruk te leggen op de balletkunst. Voor het opgroeiende publiek moest Scapino de loopbrug vormen naar het repertoire van de zogenoemde grote balletgezelschappen. Die voorbereidingsfunctie dreigt nu weg te vallen. De kleine jeugddansgroepen ontbreekt het aan middelen om die taak van Scapino over te nemen. “Op korte termijn”, stelt Navarro zorgelijk vast, “valt dat gemis wel mee. Maar wie zal in de toekomst de mogelijke balletliefhebbers begeleiden naar de grote zalen? Wie leert dan de kinderen te houden van de balletkunst? Volgens mij is het werk van Hans Snoek en haar opvolgers, 46 jaar Scapino, finito. Dat doet pijn.”

De grijsgekuifde, maar vitaal ogende Navarro heeft, zegt hij, zijn taak als artistiek directeur altijd belangrijker gevonden dan het choreograferen. Zijn komst naar het Scapino Ballet in 1961 veroorzaakte een kleine revolutie. Het kostte de solistische karakter-danser van het voormalige Grand Ballet de Marquis de Cuevas moeite de overstap te maken naar het op de jeugd gerichte dansgezelschap van Hans Snoek. Met Zuidamerikaans temperament wilde de nieuwe balletmeester in korte tijd het peil en de discipline van de dansers verbeteren. Hij paste zich echter snel aan. Als artistiek leider wierp hij zich meer op als vriend en vaderfiguur zijn voor de jonge, dikwijls onervaren dansers. Geen ballerina hoefde meer het toneel op om, nauwelijks voorbereid en met knikkende knieën, de Rozen Adagio uit Doornroosje te dansen. Hij nodigde choreografen uit als Hans van Manen, Charles Czarny, Job Sanders, Käthy Gosschalk, Hans Tuerlings, Jan Linkens en Nils Christe.

In die begintijd vielen tevens de gouden jaren van Navarro. Het was niet toevallig dat zijn vrouw, Marian Sarstedt, hem opvolgde als balletmeester. “Zij heeft”, zo vertelt hij trots, “dezelfde capaciteiten als Benjamin Harkarvy. Beiden zijn geboren pedagogen en coaches. Tussen '72 en '82 was de groep fantastisch.” Dat vroeg om grotere produkties. Omdat avondvullende balletten van buitenlandse choreografen onbetaalbaar waren, voelde Navarro zich gedwongen eigen versies te maken van Coppélia (1972), De Notekraker (1975) en Cinderella (1978). Daarnaast ontwierp hij nog twaalf choreografieën als Clair de Lune (1962), Ongerijmd (1969), Halve symfonie (1974), Duet (1979), Clowns (1980) en Appel van Oranje (1984).

Navarro: “Ik bewonder het werk van Hans van Manen. Hij is humoristisch, net als George Balanchine en Jerome Robbins. Mij werd soms platvoersheid verweten. Het ballet Appel van Oranje is mij door de critici niet in dank afgenomen. Zij vonden dat ik een serieus onderwerp als het leven van Willem van Oranje teveel parodieerde. Maar als genaturaliseerd Nederlander ben ik trots op mijn nieuwe land, zijn geschiedenis en het Koninklijk Huis. De aanpak van de dramaturg Carel Alphenaar en mij zou je even goed op het leven van Napoleon kunnen toepassen. Wellicht lacht men later ook om Saddam Hussein.”

Ook in de kunst worden politieke beslissingen genomen. In de jaren zeventig was, zegt Navarro, het woord educatief nog niet besmet verklaard. De schoolvoorstellingen vormden een fiks deel van de basis waarop het Scapino Ballet steunde. Maar in het volgende decennium stopte de geldstroom die van het rijk, via de provincie, naar de scholen stroomde. Scapino werd te duur voor het onderwijs. Zakelijk directeur Jan Schretzmeyer, Navarro en zijn opvolger Nils Christe worden geconfronteerd met een dramatische terugloop van het aantal theateroptredens voor jongeren. Deze ontwikkeling en de mogelijkheid om zich als Rotterdams stadsgezelschap te manifesteren, hebben Christe doen besluiten het jeugdballetgezelschap Scapino te transformeren in een "gewone dansgroep'.

Navarro: “Als opvolger is Christe de ideale man. De overgangsfase nam vijf jaar in beslag. De keuze viel op hem omdat hij in de smaak viel als gastchoreograaf. Toch is zo'n positie als artistiek leider heel anders. Een verhouding hebben met iemand is niet hetzelfde als een huwelijk. Nils kiest nu zijn eigen dansers uit. Het voordeel is dat zij zijn stijl kunnen uitvoeren. Maar voor de choreograaf wordt het zo te gemakkelijk. De zoektocht ontbreekt. Ik denk dat een ballet interessanter wordt als de choreograaf zich tot het uiterste moet inspannen om zijn bedoelingen op de dansers over te brengen. Het beleid van Nils en zijn huischoreograaf Ed Wubbe moet zich richten op een ander publiek. Daarnaast heeft het vernieuwde Scapino repertoire nodig van choreografen met internationale allure. Tenzij er zich bij Nils en Ed een geweldige artistieke explosie voordoet, zodat collega's en publiek helemaal gek worden van enthousiasme en roepen: "Ik moet naar Scapino. Ik moet naar Scapino om de balletten te zien van Nils Christe en Ed Wubbe!' Daar zit ik met spanning op te wachten.”