Applaus, verwensingen en ei voor Lubbers

DEN HAAG, 16 AUG. “Ik heb er voor gewaarschuwd dat dit zou gebeuren”, zegt mevrouw M. Spoor-Dijkema, een half uur nadat premier Lubbers vlak voor de kranslegging bij het Indisch Monument in Den Haag een rauw ei op zijn revers kreeg gesmeten.

De actie, weliswaar van een eenling, heeft haar allerminst verrast. De weduwe van de voormalige legercommandant in Nederlands-Indië, vroeger de soldatenmoeder genoemd en tegenwoordig bekend als de "moeder der veteranen' wordt bij het verlaten van het terrein met het Indisch Monument van alle kanten door oud-Indië-strijders gegroet. Hoewel ze zich publiekelijk tegen de komst van premier Lubbers had gekeerd, accepteert zij een plaats op de eerste rij stoelen, achttien zitplaatsen van de minister-president verwijderd. “Natuurlijk ben ik gekomen. Het is toch onze dag?”

In het nabijgelegen Congresgebouw waren kort daarvoor de slachtoffers herdacht met enkele toespraken. Mensen die de enkele honderden meters naar de Scheveningse Bosjes te voet afleggen, worden verwelkomd door een man die een bord omhoog houdt met de oproep: "Keer straks Lubbers uw rug toe'. Hoewel het verzoek op veel sympathie kon rekenen, gaan slechts enkelen over tot die stille protestuiting.

Lubbers komt het terrein oplopen met in zijn kielzog minister d'Ancona (WVC) en omstuwd door fotografen, cameramensen en journalisten. Een vrouw op leeftijd heeft kort tevoren opgeroepen het woord "betrouwbaar' uit te roepen op het moment dat Lubbers namens de regering een krans bij het monument zou leggen. “We moeten onze doden niet laten misbruiken door iemand die niet betrouwbaar is”, hield ze kleine groepjes toeschouwers voor. “We moeten onze eigen stem laten horen, het Lubbers inschreeuwen. We zijn te bescheiden geweest.” Dat is voedsel voor korte, maar felle discussies. “Niet vandaag”, zegt een wat oudere man die de boodschap van brigade-generaal R. Boekholt, voorzitter van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945, goed begrepen heeft. Diverse malen heeft Boekholt opgeroepen om tijdens de dodenherdenking kalmte te bewaren.

Een vrouw van Indonesische afkomst, onberispelijk gekleed en tegen de zon beschermd door een grote groene bijpassende hoed wil niks horen van protest op deze dag, waarop de herinneringen teruggaan naar de oorlogsjaren in de Japanse kampen en de ontberingen daar. “Ik sta boven Lubbers. Ik geef mijn innerlijke beschaving als Indonesische niet prijs door hier op deze dag te protesteren.” Zo reageert iedereen op zijn manier op de komst van Lubbers, de man die in de ogen van veel oud-Indië-gangers tijdens en na het bezoek van de Japanse premier Kaifu aan Nederland de eer van de oorlogsslachtoffers heeft geschonden.

Soms ook felle protesten hebben Lubbers niet weerhouden. Naast hem zit een betrekkelijk ontspannen mr. S. Patijn, commissaris van de koningin in Zuid-Holland, aan de andere zijde een gespannen Boekholt. Bij de eerder gehouden plechtigheid heeft hij de Indische gemeenschap op het hart gedrukt kalm te blijven en de verantwoordelijkheid die op zijn schouders rust is hem nu aan te zien.

Het is bijna één uur als een man zich tot Lubbers wendt. Die knikt beleefd. De man knielt en vraagt of de minister-president wil afzien van de kranslegging. Terwijl hij een hand op die van Lubbers laat rusten, doet hij de suggestie de krans door minister d'Ancona of mevrouw Spoor te laten leggen. Lubbers wijst het voorstel vriendelijk van de hand. De man, die als oorlogsslachtoffer wordt behandeld in het Centrum '40-'45, verdwijnt mompelend het publiek in, mét een groene hangplant. “U zult wel zien wat er straks gebeurt”, zegt de man desgevraagd. Nee, hij wil niks verklappen, dat zou een slechte strategie zijn.

Intussen luistert Lubbers naar de sprekers die herinneringen ophalen uit de kampen. Bijvoorbeeld hoe ondanks het verbod op de Nederlandse vlag - wie met het rood-wit-blauw betrapt werd kon op de doodstraf rekenen - geïnterneerden er toch in slaagden de driekleur in de vorm van een rode rok, een wit hemd en een blauwe broek aan de waslijn te hangen. En hoe "In naam van Oranje, doe open de poort' werd gezongen in plaats van het destijds verboden Nederlandse volkslied.

Om vijf voor half twee klinkt het Wilhelmus, ook Lubbers zingt mee. Dan wordt de minister-president verzocht naar voren te komen. “Jij loopt toch ook mee”, lijkt hij te vragen aan minister d'Ancona. Ze lopen naar het monument. Sommige mensen klappen, anderen slingeren verwensingen naar het hoofd van de premier. Als de bewindslieden bijna bij de krans zijn, duikt een man op uit het publiek. Dezelfde man die een half uur eerder een praatje maakte met Lubbers. Voordat Lubbers of de door de organisatoren gevormde ordedienst van voornamelijk oud-strijders in de gaten heeft wat er gebeurt, druipt de inhoud van een rauw ei over de revers van de premier. Wie uit protest met de rug naar Lubbers toe is gaan staan, draait zich uit nieuwsgierigheid weer om. Lubbers veegt de spetters uit zijn nek, maakt zijn jas schoon en voltooit de plechtigheid. Daarna loopt hij schijnbaar onaangedaan terug naar zijn plaats.

Toch een incident tijdens de dodenherdenking en er is nog wel zo voor gewaarschuwd. De eenzame actievoerder oogst bijval van een enkeling, anderen kunnen hem wel wat doen. Vertwijfeld roept een oude man: “In dit verloederde land is iedereen gek geworden.” De eenmansactie gaat nog even door. Zonder dat iemand hem een strobreed in de weg legt, hangt de man zijn plant in het hart van de witte krans die Lubbers en d'Ancona voor het monument hebben gelegd.