Vernield schilderij terug in Amsterdam na restauratie

AMSTERDAM, 15 AUG. Het schilderij Who's Afraid of Red Yellow and Blue III, dat in 1986 werd vernield, is gisteren gerestaureerd teruggekeerd in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Het ziet er nagenoeg gaaf uit. Het restauratieproces, dat ruim vier jaar in beslag nam en 500.000 gulden heeft gekost, werd uitgevoerd door de New-Yorkse restaurateur Daniël Goldreyer. Bij langer kijken - men mag het schilderij slechts tot op drie meter naderen - worden minieme inklinkingen en verdikkingen zichtbaar.Al is het colourfield dan niet helemaal vlak meer, de kracht van de oorspronkelijke Newman die nu al de "Nachtwacht van het Stedelijk Museum' wordt genoemd, lijkt weer tot leven gewekt.

De directeur van het Stedelijk, W. Beeren, sprak zijn intense tevredenheid uit over het ruim vier jaar durende restauratieproces. Hij zei dat de destructie van een “zó levend kunstwerk door ons is ervaren als een moord”. Hij verhulde niet dat “zo kort na mijn aantreden een zo grote ramp” zijn positie als directeur schade heeft berokkend. De acht sneden, drie lange horizontale en vijf korte vertikale aangebracht met een stanleymes, die het doek van Newman letterlijk aan flarden hebben gescheurd, wierpen de vraag op of restauratie nog wel mogelijk was.

Op advies van de weduwe van Newman werd de Amerikaanse restaurateur Goldreyer aangezocht, die zich al eerder boog over werk van Newman. Daniël Goldreyer zei vanochtend dat Who's Afraid “de moeilijkste restauratie is die ik ooit heb uitgevoerd. Het schilderij was nagenoeg een lijk”.

Goldreyer koos voor het intact laten van wat er over was van het doek, herstelde het weefsel van de katoenen drager en verstevigde die met rijstpapier. Prof.dr. Ernst van de Wetering, lid van het Rembrandt Research Project, was desgevraagd kritisch over de restauratiemethode. Hij vroeg zich af of het doek niet beter op een stevige achtergrond geplakt had kunnen worden. Tegelijk met het gerestaureerde schilderij is het werk Right Here naar het Stedelijk Museum gekomen, een schenking van de weduwe van Newman.

Pag.6:

"Ultieme' aanval op abstracte kunst werd schilderij fataal

ROTTERDAM, 15 AUG. Het gerestaureerde schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III van de Amerikaanse kunstenaar Barnett Newman is meer dan vijf jaar weggeweest van de ereplaats die het innam in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Op 21 maart 1986, om half vier 's middags, ging de toen 31-jarige G. van B. uit Amsterdam het schilderij te lijf met een stanley-mes. Vóór een toegesnelde bewaker hem kon stoppen, had hij het doek over vrijwel de hele lengte in repen gesneden. Geschatte restauratiekosten: 500.000 gulden.

Het doek, dat voor de vernieling een marktwaarde had van vier miljoen gulden, wordt beschouwd als een hoogtepunt in het oeuvre van Barnett Newman (1905-1970) en als een van de belangrijkste kunstwerken van deze eeuw. Newman schilderde het in 1967 en 1968. Het heeft een oppervlakte van 2 meter 45 bij 5 meter 43. De directeur van het Stedelijk Museum, Wim Beeren, schreef voor de rechtszaak een brief naar de Amsterdamse rechtbank waarin hij zei dat het schilderij weliswaar gerestaureerd zou kunnen worden, maar dat het zeker was dat het nooit meer in de oude staat teruggebracht zou kunnen worden.

De dader werd in oktober 1986 veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar gedurende welke hem verboden werd het Stedelijk Museum te bezoeken. Voor de rechtbank verklaarde Van B. "een ultieme daad' te hebben willen stellen, waarmee hij "verandering' wilde aanbrengen in "een wantoestand', namelijk een museumbeleid dat de voorkeur geeft aan abstracte boven realistische kunst. Hij zei tot zijn daad te zijn gekomen na het lezen van een polemisch essay uit 1950 van de schilder Carel Willink, waarin de abstracte kunst wordt aangevallen. De werkloze systeemanalist beschouwde zijn daad als een postume hommage aan Carel Willink.

Hij liet ook weten tegen restauratie te zijn. Hij meende dat het doek misschien in zijn gehavende toestand opgehangen zou kunnen worden, omdat het dan nog enige "didactische waarde' zou hebben. Wat hem betrof, zo verklaarde hij op de zitting, kon het "net zo goed bij de vuilnisbak gezet worden'. Het doek had volgens hem "optimaal gefunctioneerd' op het moment dat hij het beschadigde. De rechtbankpresident dacht er anders over. Volgens hem had Van B. "onherstelbare schade' toegebracht aan het schilderij, "tot woede en spijt van velen'.

In 1987 stelde de gemeente Amsterdam 500.000 gulden ter beschikking voor de restauratie. Dat werk werd uitbesteed aan de Amerikaanse restaurateur Daniël Goldreyer, die eerder beschadigde werken van Ellsworth Kelly, Ad Reinhardt en Marc Rothko onder handen had genomen. Geschat werd toen dat de restauratie drie jaar in beslag zou nemen.

Newman maakte vier versies van Who is afraid of Red, Yellow and Blue: twee verticale en twee horizontale. De laatste versie, die ook het grootst is, bevindt zich in een Berlijns Museum. Dit doek werd ook beschadigd, in 1984. De versie uit het Stedelijk Museum werd ook in brede kring bekend door de reprodukties van Openbaar Kunstbezit in de treincoupé's. Newman zocht bij het schilderij naar het meest intense rood en bracht daarom de door hemzelf samengestelde verf in ten minste zes lagen op. Zijn schilderijen, die gerekend worden tot de colourfield painting, tonen meestal eenvoudige composities van twee of meer grote kleurvlakken, doorbroken of geflankeerd door verticale banen.