Van Weert (73) volmaakt gelukkig in hok van Willem II; "Sjef, we zijn blij dat jij er bent'

Zijn koninkrijk meet maar vier bij vijf meter. En het ruikt er naar leer. Zelfs 's zomers komt er geen zonnestraal naar binnen. Dit is het materiaalhok waar Sjef van Weert volmaakt gelukkig is.

Vriendelijk maar beslist had Sjef van Weert geweigerd om een afspraak te maken op de dag van de wedstrijd. Weliswaar ging het maar om een vriendschappelijke wedstrijd ter voorbereiding op het nieuwe seizoen. Maar hij wilde toch “de concentratie van de spelers niet verstoren”. Want als ze dan zouden komen om nieuwe veters en hij zat te praten? “Dan loopt alles fout.”

Sjef van Weert is al vijftien jaar materiaalverzorger van de Tilburgse eredivisieclub Willem II. Daarvoor heeft hij de reclameborden verzorgd en de seizoenkaarten bijgehouden. Hij is ook nog suppoost en beheerder van het spelershome geweest. Want Sjef van Weert is boven alles “clubman”. Dat betekent “dat je klaar moet staan voor je club”.

Als zevenjarig jongetje kwam hij via een oom voor het eerst in aanraking met Willem II. Sindsdien is hij de vereniging altijd trouw gebleven. Eerst als voetballer, later als vrijwilliger in de avonduren. Toen hij vervroegd met pensioen ging als timmerman bij de gemeentelijke onderhoudsdienst kon hij zich volledig aan de club gaan wijden. Zo werd hij materiaalverzorger: Sjef van Weert, inmiddels 73 jaar.

Sjef van Weert is alle dagen van de week in zijn materiaalhok te vinden. Ook 's woensdag als de spelers meestal vrij hebben “want er is altijd wat te doen”. Ook 's zondags na de wedstrijddag “want je moet de zaken toch weer aan kant zien te krijgen”. “Dat is het fijne als je bij een club zit”, zegt de materiaalverzorger. “Dat je bij de grote hoop hoort. Je hebt je dagelijkse loop.”

Van Weert krijgt geen vergoeding voor zijn werk. Die wil hij ook niet hebben. “Daar ben ik teveel clubman voor. Geld is alleen belangrijk als je jong bent. Ik heb mijn AOW. Ik kan me prima redden. Voor mij telt alleen dat ik bezig kan blijven. Dat ik elke morgen dat ik wakker word, weet wat ik doen moet. En dat ik gewaardeerd word. Dat spelers en mensen in het bestuur me af en toe zeggen: Sjef, we zijn blij dat jij er bent.”

Lang voordat de eerste training begint is Sjef van Weert al bezig met de voorbereiding. Hij legt voor elke speler een set trainingskleren klaar. Zorgt voor hesjes en pionnen. Prepareert ook de schoenen. Korte noppen, lange noppen? De spelers hebben het maar voor het zeggen. Reparaties doet hij zelf “want dan gebeurt het met meer zorg”.

Na de training zet hij warme thee klaar. Ook maakt hij “een lekker badje voor de spieren”. Niet te koud en niet te warm, dat luistert nauw. Daarna verzamelt hij de trainingskleren, keert ze binnenste buiten, voordat ze naar de wasserette gaan.

Wedstrijdkleren krijgen een aparte behandeling. Die vergen “speciale aandacht”. Die worden “in het stadion zelf gewassen door echte clubmensen, mensen die niet zeuren over geld”. Eerst worden shirtjes, broeken en sokken geweekt in de voorwas. “In een wasserette krijg je ze nooit zo schoon.”

Een dag voor de wedstrijd concentreert Sjef van Weert zich al op de wedstrijdkleding. “Je mag geen fouten maken”, verdedigt hij zijn minitieuze voorbereiding. “Je moet weten in welk shirt de club moet spelen. In uitwedstrijden tegen Sparta, Feyenoord, PSV en MVV moeten we onze kleding aanpassen aan de tegenstanders. Dan mogen we niet in de clubkleuren spelen. Daar kun je niet mee klooien, hoor.”

De dag voor de wedstrijd poetst Sjef van Weert ook alle schoenen. Hij vindt dat de spelers dat niet zelf hoeven doen. Hij denkt dat er dan ook weinig van terecht zou komen. “Zolang zij hun best doen met voetballen, wil ik wel poetsen. Daar heb ik geen problemen mee.”

De Tilburgse materiaalverzorger wenst met nadruk te verklaren dat hij bij het poetsen geen onderscheid maakt. De schoenen van de spits krijgen eenzelfde behandeling als de kicks van de reserve. “Je moet voor iedereen klaar staan. Ze zijn me allemaal even na.”

Het mooiste van “het vak” vindt Sjef van Weert om bij de wedstrijd op de bank te zitten. Geen overbodige luxe, meent hijzelf. “Want als er in het veld iets gebeurt, moet je toch direct in actie kunnen komen. Als er iemand een schroefdop kwijt is. Als er een broekje gescheurd is. “Dan moet je niet eerst uit je materiaalhok worden gehaald.”

Vóór de wedstrijd heeft hij natuurlijk eerst de wedstrijdbal “op fatsoenlijke spanning” gebracht. De scheidsrechter heeft die bal vervolgens gekeurd. Van Weert weet precies wat de eis is: bij het stuiten dient de bal tot borsthoogte te komen. “Ik heb nog nooit een bal hoeven terugnemen”, zegt Van Weert met trots.

Alleen sommige topspelers willen midden in een wedstrijd nog wel eens klagen dat de bal te slap is. “Geintjes om de tegenstander uit zijn concentratie te halen”, weet Van Weert. Alsof de materiaalverzorger van Willem II niet zou weten hoe hard een wedstrijdbal behoort te zijn. Dan gaat Van Weert gedienstig met de wedstrijdbal naar binnen, wacht tien seconden en komt weer met dezelfde bal naar buiten. Zonder dat die er zelfs maar een zuchtje lucht heeft bijgekregen. “Dat zijn leuke dingen”, vindt Van Weert.

Bijna net zo leuk als een trainingskamp in Afrika of Frankrijk of Den Helder. “Zo kom je nog eens ergens.” Sjef van Weert krijgt dan van “mijn trainer de opdracht” om de spelers te wekken. “Want ze weten dat ze van mij op aan kunnen. De ene komt eruit bij het eerste tikje, bij de andere moet je twee keer kloppen, de derde wil worden wakkergeschud.”

Eens hebben ze hem tijdens een trainingskamp zomaar in het zwembad gegooid. Terwijl hij niet kan zwemmen. Maar ze sprongen hem wel direct met vier man achterna. Van Weert zegt het met een gelukzalige glimlach: “Ze kunnen die ouwe nog niet missen, hè.”

Dat ondervond hij ook drie jaar geleden toen Sjef van Weert - “nooit ziek geweest, nooit medicijnen gebruikt” - plotseling door een hartinfarct getroffen werd. “Een kwestie van stress”, meent de materiaalverzorger. Want Willem II stond destijds aan de rand van de afgrond. “Dat trek je je aan als je een clubman bent.” De eerste mensen die aan zijn bed stonden, waren zijn Tilburgse voetbalvrienden. “Ze waren blij dat ik er nog was”, herinnert Sjef van Weert zich met genoegen. “Omdat ze weten dat ik leef voor de club.”