Ongewoon snelle schaker Anand spreekt enorm tot de verbeelding

BRUSSEL, 15 AUG. Viswanathan Anand mag dan volgens de insiders bij de Brusselse kandidatenmatches niet tot de uitgesproken favorieten behoren, één van de grote publiekstrekkers is het Indiase schaakfenomeen zeker wel. Zijn ongewoon snelle manier van spelen spreekt maar al te zeer tot de verbeelding. Daarnaast onderstreept de negende plaats die de 21-jarige Anand momenteel inneemt op de wereldranglijst dat zijn kwikzilver-achtige spel niet alleen op snelheid is gebaseerd. Hij speelde tot nu toe drie maal remise tegen Anatoli Karpov.

Vanaf het moment dat de loting voor de kwartfinales bekend was, werd er in de schaakwereld druk gespeculeerd over de te verwachten uitslagen. De algemene teneur was dat het in drie van de vier matches kon vriezen of dooien, maar één resultaat stond al vast. Anand had natuurlijk geen enkele kans tegen Karpov. Het meest vriendelijke commentaar dat uit de mond van een van zijn collega's kon worden opgetekend was: “Ik vind het wel sneu dat niemand Vishy een kans geeft”. De enige grootmeester die het publiekelijk opnam voor Anand was de Amerikaan Seirawan, maar zijn voorspelling leek vooral ingegeven door de wens een afwijkende mening te laten horen.

Anand zelf zit er niet mee dat hij zo overduidelijk de underdog is. “Zo raar is dat niet. Ik speel pas sinds kort op topniveau en moet het opnemen tegen een voormalige wereldkampioen tegen wie zelfs Kasparov altijd de grootst mogelijke moeite heeft. Een speler die nog steeds fantastische resultaten behaalt en wiens Elo-rating tachtig punten hoger is dan die van mij. Op papier lijkt het me duidelijk waar ze het over hebben. Maar mij stoort dat niet. In eerste instantie maakte ik me ook zorgen en dacht ik aan Karpovs enorme match-ervaring, maar nadat ik er een nachtje over geslapen had was ik heel tevreden met de loting. Je vraagt je toch altijd af hoe jij het er vanaf zou brengen in een match tegen een van die zogenaamde grote spelers en het lijkt me interessant om dat nu van dichtbij mee te maken. Niemand is een God in het schaken. Ze maken allemaal blunders en fouten, en ik zou niet weten waarom ik geen kans zou hebben.”

Dat klinkt bijna al te nuchter, maar Anands zelfvertrouwen is geen teken van jeugdige overmoed. De eerste en enige partij die hij een half jaar geleden in Linares tegen Karpov speelde, won hij en toen al werd duidelijk dat zijn tegenstander de nodige moeite had met zijn razendsnelle spel. Karpov kwam met enig voordeel uit de opening, raakte in tijdnood en liet zich vervolgens overspelen. Anand: “Ik had me niet speciaal op die partij voorbereid en nam het niet zo serieus, maar de wetenschap dat je van hem kunt winnen kan zeker van nut zijn tijdens de match.”

Een ander sterk punt dat hem van nut zal zijn is zijn gigantische theoretische kennis. Anand betwijfelt of zijn fotografische geheugen het gevolg is van het feit dat hij niet rookt, niet drinkt en vegetariër is, maar het blijft een vermakelijk schouwspel wanneer hij bij de analyse weer eens een variant van twintig zetten oplepelt “die hij ooit eens ergens gelezen heeft”. Of wanneer de praatgrage Indiër zijn tegenstander vertelt waar, wanneer en hoe die deze opening al eens eerder gespeeld heeft. Salov merkte een keer na een kwartiertje analyseren op: “Ik ben bang dat je mijn partijen veel beter kent dan ikzelf.”

Het verwijt dat Anand regelmatig te horen krijgt is dat hij door zijn snelle spel naar oppervlakkigheid neigt. “Ik weet het niet. Soms is een stelling heel interessant en is het nuttig om na te denken, maar op andere momenten is het veel beter om je intuïtie te volgen. Wat heeft het voor zin om dertig zetten lang perfect te spelen en dan in tijdnood met tien blunders je stelling om zeep te helpen? Natuurlijk, je moet een tussenweg vinden en daar werk ik nog steeds aan.”

Anand ontwikkelde zijn snelle speelstijl uit noodzaak toen hij als jongetje de schaakclub in zijn woonplaats Madras begon te bezoeken. “Voor tien spelers hadden we maar één klok. Er werd gesnelschaakt met de regel dat degene die won bleef zitten. Dus moest ik wel.” Dat hij het pure snelschaken nog steeds behoorlijk in de vingers heeft, bewees hij onlangs na afloop van het grootmeestertoernooi in München, toen hij met een score van veertien uit vijftien de concurrentie ver achter zich liet.

Nadat hij had leren snelschaken verliep de loopbaan van Anand langs rechtgebaande paden. In 1987 werd hij jeugdwereldkampioen, een jaar later grootmeester. Vervolgens rukte hij gestaag op naar de wereldtop. In januari van dit jaar won hij met speels gemak zijn eerste kandidatenmatch van de Rus Drejev. Voor zijn match tegen Karpov bereidde hij zich grondiger voor dan ooit. Ook de keus van zijn secondant wijst erop dat hij niets aan het toeval wil overlaten. Op zoek naar iemand die Karpov door en door kent, kwam hij uit bij Mikhail Goerevitsj, een van de naaste medewerkers van Kasparov. Goerevitsj zal hem niet alleen van technische informatie hebben voorzien, maar hem ook hebben gewezen op de spanningen die zich kunnen voordoen.

Anand, die bekend staat als een altijd correcte en vriendelijke jongeman, maakt zich geen zorgen over mogelijke fricties. “Op de een of andere manier slagen de Sovjets erin om bij dit soort matches een ongelooflijke spanning op te roepen, maar als je je op je gemak voelt en je op de partijen concentreert is er niet veel aan de hand. Tijdens mijn match tegen Drejev stonden op een gegeven moment ook de kranten vol over de parapsycholoog die hij bij zich had. Nou ja, hopelijk heeft hij zich goed geamuseerd, want ik heb verder niet op hem gelet. Als zo iemand in het publiek zit en je gaat erop letten dan hoeft hij helemaal geen parapsycholoog te zijn om je uit je concentratie te halen. Ik weet het niet, sommige spelers proberen dit soort spanningen op te roepen en anderen hebben er geen boodschap aan. Voor mij hoeft het niet en ik heb het ook niet nodig. Ik hoef mijn tegenstanders niet te haten. Het is prettig om een goede schaakprestatie te leveren, maar het is ook belangrijk om je goed te gedragen. Je hoeft niet met je tegenstander te gaan eten na afloop van de partij, maar je hoeft ook geen bommen in zijn post te doen.”

Hoe koel Anand onder moeilijke omstandigheden kan zijn, bewees hij toen hij met zwart in Linares voor het eerst tegen Kasparov moest spelen. Deze deed er alles aan om een psychologisch overwicht te krijgen en speelde met schijnbare nonchalance de opening nog sneller dan zijn tegenstander. Na zo'n vijftien zetten had hij daadwerkelijk een voorsprong van vijf minuten op de klok. De handen onder zijn neus gevouwen volgde Anand de bekkentrekkerij van Kasparov met stoïcijnse blik en deed zijn zetten in zijn eigen tempo. Toen de wereldkampioen uiteindelijk in remise moest berusten wees zijn klok één uur en veertig minuten aan. Anand had op dat moment veertig minuten verbruikt.