Meteorieten

Aan het slot van zijn betoog over de meteorieteninslag aan het einde van het Krijt, speculeert J. Smit over het belang ervan voor het leven op Aarde: zonder inslagen geen uitsterven van de dinosauriërs, zonder uitsterven geen zoogdieren, zonder zoogdieren geen mensen (W&O van 27 juni).

Een dergelijke voorstelling doet geen recht aan hetgeen wij weten van de geschiedenis van het leven, waar grote groepen van organismen, zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk, elkaar voortdurend afwisselen.

Het enige door Smit vermelde argument tegen het geleidelijk verdwijnen van de dinosauriërs, heeft betrekking op de telling van skeletfragmenten (2500, niet 16000, zie Science, 11 januari 1991), verzameld uit gesteenten van de laatste drie miljoen jaar voor de inslag. Dit argument is niet veel waard: het interval is te kort, en de telling heeft slechts betrekking op een enkele formatie in een zeer beperkt gebied. Al sedert een halve eeuw zijn er veel betere technieken ontwikkeld, o.a. door G.G. Simpson (Tempo and mode in evolution, 1943), om opkomst en neergang van grote groepen van organismen kwantitatief te benaderen.

Als groep waren de dinosauriërs in het Krijt niet zichbaar aan hun einde toe. Uitsterven was weliswaar een normaal verschijnsel, maar de verdwenen soorten werden door andere vervangen. Nieuwe ontwikkelingen deden zich echter niet voor. De vaart was uit hun evolutie.

Hoe anders is de situatie bij de zoogdieren. Hier zien wij juist in het Krijt het begin van hun grote ontplooiing. Naast de primitieve zoogdieren, die al zo'n 150 miljoen jaar aanwezig waren, verschenen de Placentalia, zoogdieren met een placenta, waartoe vrijwel alle ons omringende zoogdieren behoren. Met allerlei nieuwe fysiologische en anatomische verworvenheden, is hun stormachtige ontwikkeling stellig door de klap die de alleen al door afmetingen kwetsbare dinosauriërs werd toegebracht, mogelijk gemaakt.

Maar wie zich wil overgeven aan op zichzelf niet al te vruchtbare speculaties, kan even goed verdedigen dat de zoogdieren, ook zonder inslag tien of twintig miljoen jaar later de dinosauriërs van hun dominerende positie zouden hebben verdrongen, zoals de reptielen eerder de amfibieën hadden verdrongen.