Kunsthistorici schrijven rijk gellustreerd boek over Amsterdamse grachten; "Wij kozen voor 't pikante en smeuïge'

AMSTERDAM, 15 AUG. Nauwelijks hebben we plaats genomen in de kleine ontvangstruimte van het bureau D'Arts, in het voorhuis van Herengracht 59, of directeur Paul Spies vertelt over de geschiedenis van de Nederlandse suikerbietenteelt. Die werd, zij het aanvankelijk met weinig succes, opgezet door Charles François Lebrun, gouverneur-generaal van Napoleon te Amsterdam. En die woonde in het pand Herengracht nummer 40, een imposante residentie waarvan de voorgevel ruimte biedt aan maar liefst vierentwintig kolossale ramen. Volgens de wet van de concentrische cirkel ligt nummer 40 pal tegenover nummer 59. Daarom komt het huis onmiddellijk ter sprake en wellicht daarom ook is het in het zojuist verschenen Het Grachtenboek, samengesteld onder redactie van Spies, het eerste gebouw dat in het lijvige hoofdstuk over de Herengracht besproken wordt.

Het Grachtenboek, 320blz. Paul Spies e.a. Uitg. SDU, ƒ 245,-.

Het Grachtenboek, waarvan binnenkort ook een Engelstalige versie verschijnt, is een initiatief van uitgever Roland van Tulder van de SDU, die in 1976, voor Spectrum, de handzame Grachtengids samenstelde. Blijkens zijn voorwoord sterkte een in 1988 verschenen boekwerk over Venetië Van Tulder in zijn voornemen een soortgelijk boek over de Amsterdamse grachten tot stand te brengen. Bestaande uitgaven zoals het befaamde Grachtenboek van Caspar Philips uit 1771 en het wetenschappelijke Vier Eeuwen Herengracht rechtvaardigden naar zijn mening een actuelere, breder opgezette en toegankelijker publikatie. Omdat het onderzoeksmateriaal even omvangrijk als divers bleek, werd al snel duidelijk dat het boek door meerdere auteurs moest worden samengesteld. Daarom werd het bureau D'Arts, gespecialiseerd in projecten die de kunst betreffen - van tentoonstellinginrichting tot het schrijven van monografieën - in de arm genomen.

Uiteindelijk werd het ruim driehonderd pagina's tellende boek geschreven door vier auteurs, onder wie Spies, en werden er van de hand van vijf deskundigen algemene inleidingen over stadsuitleg, architectuur, interieurs en sociale geschiedenis opgenomen. Spies: “Uitgangspunt nummer één was: het boek mag niet te dik worden! Het moest in alle opzichten - stilistisch, thematisch en financieel - toegankelijk zijn, anders zouden wij ons doel alsnog voorbijschieten. Daarom hebben we meteen al besloten om ons te beperken tot de vier hoofdgrachten en de vier bijbehorende zijgrachten én om niet volledig te zijn, althans tekstueel, want fotografisch geeft het boek wel een uitputtend overzicht. Een boek over de andere grachten, de burgwallen, willen we volgend jaar uitgeven. Onze beslissing te selecteren werd ook ingegeven door de vrees voor eindeloze en onleesbare reeksen namen en jaartallen zoals die - gezien de wetenschappelijke aard van het boek overigens terecht - voorkomen in Vier Eeuwen Herengracht. Bovendien zagen we geen brood in herhalingen, want wat gemeld kan worden over het ene grachtepand, geldt vaak ook voor veel andere. We wilden een pittig, tot de verbeelding sprekend en vooral goed geschreven boek maken over een onderwerp dat over de hele wereld de aandacht trekt.”

Spies noemt de werkmethode van het uit kunsthistorici bestaande schrijverscollectief "bijna journalistiek'. Op wekelijkse redactievergaderingen werden soms op pijnlijke wijze knopen doorgehakt. Langdurig speurwerk van een redactielid werd regelmatig beloond met ondankbaarheid: gezamenlijk koos men dan toch liever voor een uiteenzetting van de bewoningsgeschiedenis en verdween de analyse over de architectuur van het tuinhuis in de prullenbak. Volgens Spies is uiteindelijk de helft van de geproduceerde kopij weggegooid. Spies: “We kozen steeds voor het pikante, het smeuige en het exemplarische. Je hebt de neiging om almaar over architectuur te beginnen, maar dat kun je beter in algemenere beschouwingen - bijvoorbeweld over het belang van het trappenhuis - doen, dan per pand. Want daarvan zijn er in totaal drieduizend en er is in principe vijfentwintig kilometer gracht te bespreken. De monotonie ligt dan op de loer.”

Spies houdt het zeer wel voor mogelijk, dat ook in dit nieuwe boek belangrijke omissies voorkomen. “Het is onmogelijk precies te weten wat zich achter iedere gevel bevindt. Als wij de bewoner van Keizersgracht 584 niet toevallig hadden gekend, hadden wij niet geweten, dat deze in 1988 achter een lambrizering een authentiek "poeyerkabinet' had ontdekt. Zo'n pruikenkamertje, waarin de allonge- en later de staartpruik bewaard en bepoederd werd, is natuurlijk een leuk fenomeen. Om tot dergelijke juweeltjes door te dringen, moet je diplomatiek te werk gaan. Eigenaren en bewoners zijn weliswaar trots op hun bezit en willen graag meewerken, maar zij zijn vaak ook wantrouwig. We hebben dan ook meestal voor introducties gezorgd.”

De rijkelijk geïllustreerde tekst in Het Grachtenboek wordt aan boven- en onderzijde van de bladspiegel begrensd door fotostrips van gedeelten van de grachtbebouwing. De zwart-witte strips zijn volgens Spies "een huzarenstukje' van fotografe Annemieke van Oord-de Pee. Gedurende de winter van 1990 reisde deze van haar woonplaats Utrecht precies 135 keer naar Amsterdam in de hoop daar het juiste lichtgrijze weer aan te treffen. Vaak vergeefs: het weer bleek dan te mooi. De foto's van steeds vier tot zes panden werden gemaakt met een technische camera, die de verticale lijnen waarheidsgetrouw corrigeert. Zo af en toe dwong een te dikke boom de fotografe tot een ander standpunt. Wederom wijst Spies op de foto van Herengracht 40; vóór de gevel zweven takken, waarvan de bijbehorende boom verdwenen is. Spies: “De foto is rakelings langs de boom genomen. We hadden in de montage de takken kunnen wegretoucheren, maar we moesten, vonden we, eerlijk blijven. En dit is eigenlijk wel zo curieus.”