Jarige PKK in opmars in Turks Koerdistan; Bevolking lijkt PKK te verkiezen boven het Turkse leger

ISTANBUL, 15 AUG. In het zuidoosten van Turkije en ook in de grote steden van het land heerst hoogspanning op deze vijftiende augustus, de zevende verjaardag van de PKK, de Koerdische Arbeiderspartij. De PKK begon op 15 augustus 1984 haar guerrillastrijd, die intussen drieduizend doden heeft gekost, met twee gelijktijdige, spectaculaire aanslagen op Turkse gendarmeriestations, ver van elkaar verwijderd. Zij pleegt elk jaar rondom deze datum haar activiteiten nog te intensiveren.

Het is echter ook mogelijk dat de PKK het dit jaar over een andere boeg gooit en de verjaardag "viert' met de vrijlating van de zeven Turkse krijgsgevangenen die zij heeft gemaakt tijdens de urenlange veldslag begin vorige week vlakbij de Iraakse grens, waarbij negen Turkse militairen en een "dorpswachter' omkwamen. Het was deze veldslag die de Turken bracht tot hun grote uitkammingsoperatie aan de Iraakse kant van de grens waarbij, naar gisteren vanuit de Verenigde Naties werd bevestigd, ook ten minste negen burgers werden gedood. Het protest hiertegen van de Duitse minister van buitenlandse zaken, Genscher, heeft in Ankara tot anti-Duitse explosies geleid.

Afgezien van het militaire aspect, kan de PKK terugzien op een groot propagandistisch succes, groter dan alle voorgaande uit de zeven jaar, waarin de Turkse bestrijders van de PKK zowat alle fouten hebben gemaakt die er te maken waren. De PKK beschikt nu ontegenzeggelijk over een benijdenswaardige machtspositie.

In 1984 en de twee volgende jaren tekende zo'n ontwikkeling zich nog geenszins af. De marxistische basis van de beweging leverde haar bij de bevolking bepaald geen sympathie op, evenmin als de nietsontziende wijze waarop zij optrad tegen "collaborateurs' die soms met hun hele familie werden uitgemoord.

Men dacht hiermee aan te knopen bij de traditie van bloedwraak in deze contreien - men diende "de taal te spreken die de Koerden verstonden', aldus de partij-ideologie. Wat men ermee bereikte was het scheppen van een klimaat van angst. Angst meer dan woede. Maar al gauw werd de angst voor het Turkse veiligheidsapparaat dat jacht maakte op de PKK even groot, en de woede daartegen nog groter. En op het ogenblijk lijkt het zo te zijn dat brede lagen van de bevolking van Zuidoost-Turkije de PKK als "machtsfactor' prefereren boven het militaire apparaat van de Republiek Turkije.

Van het begin af hebben de Turkse autoriteiten twee dingen verkondigd waaraan absoluut niet mocht worden getornd: de PKK werd van buiten de grenzen, vanuit Syrië en Irak, overeind gehouden, en zij stond totaal geïsoleerd temidden van de Turkse (Koerdische) bevolking. Zij was geen guerrillabeweging, want zij kon niet leven in de bevolking "zoals een vis in het water' (Che Guevarra).

Dit werd elke keer opnieuw uitgebazuind door Hayri Kozakcioglu, de "superprefect' van het hele Koerdische gebied, die nu eindelijk is "weggepromoveerd' naar Istanbul. Hij voegde er steevast aan toe dat de beweging op haar laatste benen liep, mede door interne tegenstellingen, en dat de "laatste slag' was gegeven of op het punt stond gegeven te worden.

Dat Irak alsmede Syrië en de Beka'avallei - waar PKK-leider Abdullah Öcalan is gestationeerd - een "voedende' rol spelen voor de PKK, staat buiten kijf. Maar al jaren blijkt dat deze beweging evenzeer actief is in provincies die honderden kilometers van de grens zijn verwijderd. Als om dit te bevestigen kwam deze maand, ongeveer gelijktijdig met de grote veldslag bij de Iraakse grens, de ontvoering van tien Duitse toeristen bij het Nimrod-gebergte, waarin het Turkse veiligheidsapparaat ook weer machteloos stond. Voor het eerst is dit verschijnsel nu op grote schaal in de gaten gelopen: zowel de rechtse oppositieleider Demirel als het Engelstalige dagblad Turkish Daily News keerden zich op sarcastische toon tegen de visie dat al het terroristisch kwaad van de andere kant van de grenzen kwam.

Dat de PKK geen geïsoleerde organisatie is, wordt de laatste jaren steeds duidelijker. Ze weet opstandige bewegingen te verwekken die aan de Palestijnse "intifadah' doen denken en waarbij brede schakeringen van de bevolking haar - als machtsfactor? - toejuichen. De Turkse operatie in het Iraakse grensgebied leidde inmiddels ook tot een grote protestbeweging in het zuidoosten, waarbij winkels van de ene na de andere Zuidturkse stad tot sluiting overgingen.

Dat de stemming in Zuidoost-Turkije pro-PKK is geworden, heeft het Turkse veiligheidsapparaat vooral te danken aan zijn eigen optreden, dat van het begin af in strijd was met de stelling dat de PKK een geïsoleerde groep was. Bij elke opsporingsactie werd er van uit gegaan dat een dorpsbevolking collectief verdacht was en dus collectief bij pressie en intimidatie kon worden betrokken.

De PKK gold als het absolute kwaad en haar naam werd als zodanig veelvuldig rondgebazuind. De allerlaatste dagen echter is daarin verandering gekomen. Nu die drie letters in een waas van succes zijn komen te staan, mogen zij in Turkse communiqués en legerberichten opeens niet meer worden vermeld. De strijd gaat nu tegen “bandieten” en “rebellen” zonder meer. De vijand lijkt anoniem te zijn geworden.

Er is hier ongetwijfeld sprake van een struisvogelachtige wanhoopsreactie. Is er nog een uitweg uit de impasse? In kringen van intellectuelen wordt hier en daar, nog aarzelend, gepleit voor een “brede dialoog”. Een dialoog waarin ook verraderlijke en bloeddorstige schurken worden betrokken, roepen de scherpslijpers in Ankara. Men heeft daar minder ervaring met dit soort diplomatieke contacten dan bijvoorbeeld indertijd in Londen, waar men besprekingen met anti-koloniale verzetsbewegingen niet uit de weg ging (Nkrumah, Kenyatta en Makarios).

Alleen president Özal heeft op dit gebied al enkele spectaculaire stappen gezet. Toen hij eerder dit jaar het spreken van het Koerdisch toestond en contact opnam met Iraakse Koerdenleiders als Jalal Talabani, kreeg hij van tegenstanders te horen: op die manier kun je ook gaan praten met Öcalan.

Sommige Turkse journalisten doen dit overigens allang, en bij de nadering van de vrijlating van "de zeven' kon men gisteren op de frontpagina's van de twee grootste kranten ook weer foto's zien van verslaggevers, in vriendelijk gesprek gewikkeld met Öcalans jongere broer Osman, die de gevechtsacties van de laatste weken heeft geleid.