In Markies van Linares' paleis spookt het; Beeldentuin vol feniksen getuigt van industriëel élan; Bouwwerken zijn voortdurend objecten van speculatie

De duurste straten ter wereld in het Monopoly-spel zijn dat in werkelijkheid niet altijd. Onze verkenningstocht langs peperdure winkelpromenades, -pleinen en -boulevards voert vandaag door de Paseo del Prado in Madrid, waar alles wat Spanje uitzonderlijk maakt, samenkomt.

MADRID, 15 AUG. Ruim acht kilometer lang is de verkeersader die Madrid van noord naar zuid doorsnijdt. In het zuiden begint hij tamelijk rustig als Paseo del Prado en is hij door lover beschaduwd en hier en daar nog met blauwgrijze keitjes bedekt. Op zijn meest noordelijke punt heet hij al lang Paseo de la Castellana en is tot een vierbaans piste met een dubbele ventweg uitgegroeid.

De sluwe supermonopolist die in het bezit raakt van de twee blauwe kaartjes die het eigendom van deze straten garanderen, heeft een onroerend goed-portefeuille gecreëerd waarin ongeveer alles wat Spanje uitzonderlijk maakt vertegenwoordigd is: de kunst, de geschiedenis, het uitgaansleven, het leger, de sport, de economische "boom' en zelfs een flintertje natuur, want ook de Hortus Botanicus ligt aan zijn weg. Maar onvermijdelijk krijgt hij er de Madrilenen bij cadeau. Hun onbedwingbare behoefte aan gezelligheid en lafenis heeft voor terrassen, kleine winkels en café's gezorgd. Wat monumentaal bedoeld is en bij de eerste aanblik ook wel degelijk zo werkt, heeft van nabij toch vaak een menselijk gezicht. Zo is het karakter van Madrid.

Paseo del Prado en Paseo de la Castellana hebben hun bloei te danken aan de met zekere regelmaat in Spanje opflakkerende behoefte om deel te hebben aan de moderne tijd. Tijdens de negentiende eeuw beleefde het land een bescheiden economische bloei en kreeg het verkeer in de smalle straten van de oude stad een omvang die nauwelijks meer te verwerken was. In de jaren tachtig werd daarom de Gran Via geconstrueerd, een brede straat waarvan de gevels nog vandaag de dag een hele beeldentuin vol atlassen en feniksen torsen die getuigt van vergaand industriëel élan.

Eén straat was echter niet voldoende om onderdak te bieden aan alle ambitieuze ondernemers en ambtenaren. De stad breidde zich gestaag naar het westen uit en dus moest ook de rustige landweg die langs het centrum naar het noorden voerde er aan geloven. Langs deze weg lagen de stadspaleizen van voorname edellieden, ruime woningen met een tuin en een koetshuis. Tot aan de Burgeroorlog waren de meeste nog bewoond, daarna zijn er tientallen afgebroken om plaats te maken voor kantoorgebouwen. Maar nog altijd kan men er een aantal tussen de moderne bebouwing zien staan, compleet met theekoepel en poort voor de rijtuigen. In de meeste gevallen zijn deze paleizen nu het domicilie van een bank of een verzekeringsmaatschappij.

Een goed voorbeeld is het voormalige huis van de markies van Salamanca, dat aan een stukje Paseo staat dat naar een ten behoeve van de stadsuitbreiding afgebroken klooster "Recoletos' is genoemd. De markies was een schilderachtige self made man, een zigeuner uit Andalusië die een immens zakenrijk opbouwde en het tot minister van financiën bracht. Zijn vriend Alexandre Dumas zei ooit het te betreuren dat hij hem pas had ontmoet toen De graaf van Monte Christo al geschreven was. De markies bracht de buurt achter zijn huis in ontwikkeling door er de eerste appartementen met gas en watercloset te bouwen en ging aan die onderneming uiteindelijk bijna failliet. De wijk wordt nog steeds als de sjiekste van de stad beschouwd en is naar hem "Salamanca' genoemd. Zijn paleis met de royale tuin en de beroemde kunstverzameling is echter in handen van de Banco Hipotecario overgegaan.

Banken zijn beslissend geweest voor de ontwikkeling van de Paseo del Prado en de Paseo de la Castellana. In 1884 legde koning Alfonso XII de eerste steen voor de Centrale Bank van Spanje, op de plek waar de Calle Alcala en de Gran Via op de Paseo del Prado uitkomen. Een klok aan de kant van het grote verkeersplein dat op dit kruispunt van belangrijke wegen is ontstaan, vertelt de Madrilenen sindsdien precies hoe laat het is.

De Banco de España is een echt paleis voor het geld, zoals het op de andere hoek van de Paseo del Prado gelegen hoofdpostkantoor een kathedraal van de communicatie is. "Palacio de Comunicaciones' had het bouwwerk moeten heten, maar op de een of andere manier ziet het er met zijn vele torens en de galerij vol glimmend-koperen brievenbussen eerder als een laat-middeleeuws blijk van godsvrucht dan als een postkantoor uit. De volksmond doopte het dan ook tot "Onze Lieve Vrouwe der Communicatie' om. In 1919 werd het door het koninklijk paar geïnaugureerd. In 1931 was het het eerste overheidsgebouw dat de vlag van de Republiek liet wapperen, nadat Alfonso XIII in ballingschap was gegaan.

Schuin tegenover het postkantoor ligt op een kleine heuvel het paleis Buenavista. Ooit was het het jachtslot van Filips II, toen de stad nog ver weg was, en daarna heeft het niet alleen vorsten maar ook de vorstelijke schilderijencollectie tot onderdak gediend, was het hoofdkwartier van de dictator Prim en ministerie van oorlog tijdens de Tweede Republiek. Van hieruit werd de verdediging van Madrid geleid. Franco gaf het aan de generale staf van het leger en die is er nog steeds gehuisvest, zoals aan de solide bewaking is te zien.

Op de vierde hoek van het plein staat een groot gebouw dat geheel in kleurige lappen is verpakt en versierd met de vlaggen van alle landen van Latijns-Amerika. Het is het paleis van de markies van Linares, ook al een zakenman die in de tweede helft van de negentiende eeuw grote welstand verwierf. Tot in de jaren twintig waren zijn salons het toneel van de deftigste feesten van Madrid, maar zijn erfgenamen wisten na de oorlog niets aan te vangen met het paleis en verkochten het aan een spaarbank, die er ook niets mee kon doen omdat het interieur op de monumentenlijst was geplaatst. Drieëntwintig jaar stond het leeg. Natuurlijk spookt het er. Vorig jaar begonnen de gemeente Madrid en de centrale overheid met een restauratie die 2,2 miljard peseta gaat kosten en in 1992 klaar moet zijn, wanneer de vijfhonderdste verjaardag van de ontdekking van Amerika wordt gevierd. Vanaf dat moment moet het paleis als "Casa de America' gaan fungeren, als cultureel centrum van waaruit de contacten met de voormalige koloniën worden onderhouden. Het is een project dat past in de droom van de huidige minister-president, de socialist Felipe Gonzalez, om Spanje opnieuw een leidende rol op het wereldtoneel te geven maar voorlopig meer zorgen dan vreugde heeft gebaard.

Bij zoveel met historie en symboliek beladen gebouwen op alle hoeken, kan het niet anders of het beeld met de fonteinen dat in het midden van het verkeersplein staat heeft ook een bijzondere betekenis gekregen. De godin Cybele, voortgetrokken in een kar door twee leeuwen, heeft zich naast de traditionele beer uit het stadswapen ontwikkeld tot het beeldmerk van Madrid. De fonteinen doen al lang geen dienst meer als bron van drinkwater voor de buurt, maar zorgen voor de koude douche na een verhitte verkiezingsbijeenkomst en dienen als zwembad na iedere grote overwinning van Real Madrid.

Vanaf de Plaza de Cibeles strekt de Paseo del Prado zich uit tot aan het station Atocha, waar de treinen naar het zuiden vertrekken en dat volgend jaar geheel gerenoveerd als thuishaven gaat dienen voor de TGV richting Sevilla. Onderweg is er weinig aantrekkelijks te vinden voor de belegger. Alle belangrijke gebouwen zijn staatsbezit: het ministerie van gezondheidszorg, het kunstcentrum Reina Sofia, het marine-museum, de (oude) beurs van Madrid, het momument voor de gevallenen in de opstand tegen Napoleon, de Hortus, het nog in doeken gewikkelde museum-in-aanbouw waar de Thyssen-collectie binnenkort wordt gehuisvest en natuurlijk het Prado, dat achter een gevel uit 1785 de rijkste collectie oude kunst ter wereld herbergt. Allemaal niet te koop.

De enige objecten die interessant zouden kunnen zijn voor makelaars die in het groot denken zijn twee geronommeerde hotels: het Ritz, dat er zich nog steeds op beroemd ooit Marilyn Monroe te hebben geweigerd omdat men nu eenmaal alleen beschaafd publiek wilde herbergen, en het Palace, dat uitkijkt op het Prado maar zijn ingang aan de andere kant heeft. Tussen de Paseo en laatstgenoemde hotel is sinds kort een winkelcentrum geopend van het meest luxueuze soort. Wie zeshonderd gulden voor een waaier wil betalen, duizend gulden voor een sjaaltje of het dubbele voor een aardige jurk kan uitstekend terecht in deze sfeervolle uitstalkast van nieuw Spaans design, die alleen door oude Spaanse rijkdom te betalen is. Je kunt er ook een krant kopen en een taartje eten.

Vanaf Cibeles naar het noorden ontwikkelt zich een heel ander verhaal. Eerst passeert men nog de nationale bibliotheek, met daarnaast de twee monumenten voor Columbus. Eén is oud (1886) en één nieuw en allebei zijn ze wegens grote lelijkheid mislukt, maar onder het plein dat in de jaren zestig ten koste van het paleis van de hertog van Medinaceli werd aangelegd gaat zowel een busstation als een aardige expositieruimte van de gemeente schuil, die aan de voorkant is afgedekt door een fraai watergordijn. Tegenover dit Columbus-plein staat de eerste kantoortoren van de Castellana, de Torre Colon. Het gebouw is, zoals alle bouwwerken langs deze boulevard, voortdurend object van speculatie en op dit moment eigendom van de Britse bank NatWest, hoewel op de begane grond collega Barclay's is gehuisvest.

Niet bekend

Honderden banken (uit Spanje, uit de rest van Europa en uit Zuid-Amerika), verzekeraars, luxe hotels zoals Villa Magna en het Intercontinental domineren de Castellana, die haar rijkdom nu eens protserig etaleert en dan weer probeert te verbergen achter heesterrijke tuinen en gevels van spiegelend glas. Af en toe is er ook een huizenblok dat zijn oorspronkelijke karakter heeft behouden en eenvoudige winkels en restaurants bevat, met woningen erboven. In zo'n blok bevindt zich de Nederlandse ambassade. In de jaren vijftig beschikte Hare Majesteit's vertegenwoordiging nog over een negentiende-eeuws paleisje, net als de ambassades van andere Europese mogendheden. Daarna bedacht een Haagse rekenmeester echter dat je ook heel voordelig twee flats naast elkaar kon aanschaffen om vervolgens de tussenmuur te slopen. Nu wordt het voorzitterschap van de EG bekwaam vertegenwoordigd vanuit een reeks vertrekken boven een prijsbrekend modemagazijn. Pogingen om naar de Torre Picasso, een prestigieus gebouw aan de overkant, te verhuizen, zijn afgeketst op het Europese prijspeil van Madrid.

In de buurt van de Nederlandse ambassade trekken twee publieke bouwwerken de bijzondere aandacht van de voorbijganger. Aan de westkant van de Castellana is het een complex dat al veertig jaar als "Nuevos Ministerios', de nieuwe ministeries, bekend staat. Met zijn bijna vijfhonderd meter lange zuilengalerij die los staat van de eigenlijke kantoren lijkt het een perfect voorbeeld van fascistische imponeer-architectuur, maar het ontwerp dateert al van voor de Burgeroorlog. Tegenwoordig zijn er de departementen van Publieke Werken, Toerisme en Sociale Zekerheid ondergebracht. Het ministerie van defensie, nog iets meer naar het noorden, is pas echt griezelig met zijn wachttorens en schietgaten. Aan de oostkant van de Castellana ligt het Bernabeu-stadion, thuisbasis van Real Madrid, dat in 1947 in gebruik werd genomen en nu wacht op het begin van werkzaamheden die er een niet alleen een uitbreiding van het aantal zitplaatsen maar ook een parkeergarage en een reeks winkles en kantoren aan moet toevoegen.

Voor de Madrilenen eindigt de Paseo de Castellana op de Plaza de Castilla, de laatste rotonde van deze lange straat. In werkelijkheid telt de Castellana nog een flink aantal huisnummers door alvorens zich definitief in de weg naar Burgos en Frankrijk te veranderen. KIO, de investeringsmaatschappij van Koeweit, is aan de noordkant van deze rotonde begonnen met de bouw van twee kantoortorens die niet anders gezien kunnen worden dan als de nieuwe poorten van Madrid. Ze zijn ieder zevenentwintig verdiepingen hoog, gemaakt van roze graniet en buigen zich in een hoek van vijftien graden over de weg naar elkaar toe. De Amerikaanse architect John Burgee denkt dat hij met deze "poort naar Europa' het equivalent van de Eiffeltoren schenkt aan Madrid. De publieke opinie is hem voorlopig niet erg welgezind.

Waar blijft bij al dit architectonisch geweld het menselijk gezicht van de Castellana? Voorlopig ligt het in de middenberm. "Paseo' heeft oorspronkelijk niets met snelverkeer en zakenleven te maken maar duidt op een plek waar gewandeld en uitgerust kan worden. De Madrilenen houden hardnekkig aan die functie vast. Al aan het begin van deze eeuw werd de Paseo de Recoletos "het strand van Madrid' genoemd, al was de zee dan vijfhonderd kilometer ver. Een twintigtal uitspanningen op de trottoirs van Recoletos en Castellana houdt ook deze zomer die illusie in stand. Terwijl het verkeer voorbijraast, bieden de uitbaters van het aloude artiestencafé Gijon, de splinternieuwe uitspanning "Espejo' en een hele reeks andere bars en café's muziek en ontspanning in de open lucht aan diegenen onder de vier miljoen stadsbewoners die daar niet buiten kunnen. Hier is een vleugelpiano naar buiten gebracht, elders is de bodem met zand bedekt en gaan de serveersters in Zuidzee-kostuum gekleed. Een sluitingsuur is er niet, het is de hele nacht feest. Buitenlandse investeerders mogen het onroerend goed van Madrid in bezit nemen, het hart van de stad is niet te koop.