"Ik dacht: hoe gauwer ik verzorgd word, hoe beter';

Ouderdom kan aan het leven een extra dimensie geven. Een ieder heeft daarover zijn eigen verhaal. Vandaag: journaliste Jacqueline Wijchers.

Jacqueline Wijchers (1903): “Dat was mijn eerste perskaart, van 1965. Ik was 61 en toen ik acht was wist ik dat ik wilde gaan schrijven, maar ik kon toen niets anders zien dan romanschrijven. Dat er zoiets als journalistiek bestond, had niemand mij verteld, maar dat is eigenlijk het aangewezen beroep voor mij geweest. In 1930 publiceerde ik pas voor het eerst. Dat was in Verstandig Ouderschap, toen nog van de neo-Malthusiaanse Bond. En in dat blad, later Sextant, ben ik heel lang blijven schrijven. Maar ik had een kennis die schreef de muziekrecensies in het Rotterdamse huis-aan-huisblad de Havenloods; dat was in die tijd een veelgelezen krant. Hij kende me van mijn artikelen in Gezond Leven en zei: "Je schrijft beter dan ik.' En toen moest ik hem vervangen als er twee concerten op een avond waren of als hij verhinderd was. Dat was in 1958. En de beste filmrecensent van Rotterdam schreef ook in de Havenloods, maar dat kon niet meer omdat de Havenloods ging concurreren met zijn hoofdkrant, dus toen hield zijn filmrubriek op. Toen heb ik daarnaar gesolliciteerd want van film wist ik meer dan van muziek. En toen kreeg ik die rubriek en die perskaart.” Niet voor lang, want de krant had er al gauw geen geld meer voor over. “Maar in 1975 kwam er een hausse in het bioscoopbezoek en de bioscopen gingen allemaal inbouwzalen maken en toen werd het pas echt een vaste rubriek. Toen gingen ze ook mijn onkosten betalen, dus toen kon ik in Amsterdam de landelijke persvoorstellingen gaan zien. En in 1975 kwam ik ook hier te wonen.”

"Hier' is het Vegetarisch Centrum Felixoord in Oosterbeek. “Ik dacht: nou zal het wel afgelopen zijn, maar het was per slot maar een verschil van zes kilometer met de trein, al lijkt het anders: Rotterdam-Amsterdam of Amsterdam-Oosterbeek. En toen heb ik een jaar of zeven, acht ontzettend intens gewerkt daaraan. Eigenlijk het hardst van mijn hele leven. Maar toen werd de Havenloods opgeslokt door Wegener, dat grote concern in Apeldoorn. En ik moest eruit en Sextant nam me over. Je moest natuurlijk wel een beetje kijken wat geschikt was voor dat blad, en ik was ook gaan schrijven voor De Vrije Gedachte, dus ik schreef soms twee recensies over een film waarin ik twee verschillende aspecten naar voren haalde. Sextant ging toen een beetje failliet en die konden niks meer betalen, De Vrije Gedachte ook niet en dat vind ik vervelend. Ik wil als beroepsjournaliste overkomen maar als je geen honorarium kan vragen... Dat kan ik so-wie-so niet omdat ik hier natuurlijk niet het hele pensioengeld kan betalen. Dus dat moet de Sociale Dienst aanvullen en dan mag je niets verdienen. Strikt genomen mag je een derde houden; mijn laatste honorarium is van Senior, toen ik Oude vrienden in een veranderende wereld van Josine Meijer heb gerecenseerd. "Triomf van de ouderdom' heb ik het genoemd, want ze was 93 toen ze het schreef.”

Met haar kleine, opvallend mooie en goedverzorgde handen vouwt ze de laatste brief van Josine Meijer open. “Kort voordat ze stierf schreef ze me dat ze het boek over Nietzsche dat ze aan het lezen was beslist uit wilde hebben, "want ik kan het immers toch niet meenemen in mijn graf?' Zo gek ben ik ook; ik ben nu Der Zauberberg van Thomas Mann aan het lezen. Dat moest eens een keer en ik kan het toch ook niet in mijn graf eh.. mijn urntje meenemen?” Ze houdt een Boekenschrift bij. “Dat begint dus alleen maar met de titels, maar ik schrijf er hele verhalen bij. Eijgenraam noemt me in zijn boekje voorin 'de ultieme veteraan'. En aan de Taalrubriek van Heldring werk ik ook mee.” Er is nog een rubriek waar haar naam veelvuldig in voorkomt: “Ingezonden stukken? Nee, ik vind dat dikwijls meer artikelen. Kijk, er is een vaste columnist geweest, die ging beschrijven hoe hij de afwas deed. Maar als ik met een belangrijk ding kom, veel belangrijker en beslist niet slechter geschreven, - waarom zou ik me minder maken dan ik ben? - dan ben ik een Ingezonden Stukkenschrijfster en dikwijls nog een querulante ook! Daarom hecht ik er zo ontzettend aan om erkend te worden als journaliste. Want mijn fysieke toestand gaat erg achteruit, dat kan niet uitblijven. Maar mijn mentale toestand blijft eender en elke dag heb ik wel wat te schrijven. Niet altijd om iets af te kammen, maar ook wel om iets te bejubelen. Ik zou een Carmiggelt kunnen zijn; dat is gewoon aangeboren, dat is geen verdienste. Maar vroeger kon ik er de tijd niet voor vinden, ik moest altijd leren, leren, leren. En nou ja, ik moest natuurlijk ook werken en ik heb nog wel eens iets in de huishouding gedaan. Niet veel, want ik had er een vreselijke hekel aan en ik ben getrouwd geweest met een man die was geëmancipeerd avant-la-lettre en die was twee uur vroeger klaar dan ik. In 1926; ik was na ons huwelijk blijven werken en dat was toen eigenlijk niet fatsoenlijk. Dat werd niet gedaan. Maar mijn man vond het doodgewoon en het moest ook wel, voor het geld.”

Omdat ze zo'n hekel aan huishouden had, kwam ze op betrekkelijk jeugdige leeftijd al in Felixoord. “Ik dacht: hoe gauwer ik verzorgd word, hoe beter. En het ging toen ook heel makkelijk. Want zo'n jaar of dertig geleden kwamen de bejaardentehuizen als paddestoelen uit de grond gerezen. Heel ongelukkige dingen: kleine kamers, geen douche, dikwijls geen toilet, een wastafel maar gewoon in de kamer. Maar in '74 - ik weet het zo goed omdat er toen in Rotterdam een film kwam over de nieuwbouw van bejaardentehuizen - toen kwamen er allemaal nieuwe regels. We moesten twee kamers hebben - grote kamers! - en een koelkast en een afzuigapparaat en veel bergruimte en allerlei voorzieningen, ik weet niet wat allemaal. Waardoor er huizen zijn die meer dan ƒ 4000,- per maand kostten. En dat kon natuurlijk niemand betalen, dus dat moest allemaal gesubsidieerd worden. En toen heeft de minister, dat was Brinkman, de slogan uitgevonden: Het is zo heerlijk thuis te blijven. Want hij dacht dat dat goedkoper was. Maar dat is het niet, want de mensen worden steeds ouder en er is veel meer hulp nodig voor mensen die alleen wonen. Maar dat heeft hij dus gezegd: "Het is veel fijner om zelfstandig te blijven'. En dat zijn ze allemaal na gaan blaten, zelfs in de bejaardenbladen wordt dat nageblaat. En daar schrijf ik tegenin; dat is een stokpaardje van me. Een van mijn vele stokpaardjes. En nu heb ik het geluk dat er een promovendus in Nijmegen geschreven heeft: "Bejaarden bloeien op in het verzorgingstehuis!' En dat is waar. Dat ligt ook voor de hand. Als je aan het tobben bent: hoe moet ik de dag zien door te komen. Of: Ja, ik zou eigenlijk wel een kopje thee lusten maar dan moet ik weer opstaan. Als je daar af bent, als je alles thuisgebracht krijgt en je hebt maar op een belletje te drukken als je je beroerd voelt: wat een verschil! En dan dat: "in je eigen omgeving blijven'. Dit is mijn eigen omgeving: deze kamer is precies net als die in Rotterdam. Ik heb hier alles wat ik nodig heb, alles wat ik hebben wil, ik kan doen wat ik wil. Dus waar ik kan, schrijf ik erover: "We zijn niet meer in de tijd van het diakonessenhuismannetje.'

Jacqueline Wijchers beheert in Felixoord de bibliotheek en het Huisorgaan. “En ik voel me echt een beetje medeverantwoordelijk omdat er zoveel nieuwe bewoners komen die je eigenlijk niet veel meer kan toevertrouwen. Want omdat ze zich wijs hebben laten maken dat het zo fijn is om thuis te blijven wonen, komen ze hier als ze al te ver heen zijn.” Geestelijk te ver heen, bedoelt ze, “Want iedereen mag zo lang mogelijk blijven. Het is natuurlijk wel zo dat als je in een echt dementenhuis bent, de mensen veel meer bij elkaar in een dagverblijf zitten en beziggehouden worden, waar men hier niet zo op ingesteld is. We hebben nu pas een ergotherapeute gekregen die de mensen een beetje laat kleuren en knutselen en dergelijke, maar dat zijn zo maar eens enkele uurtjes. Verder zijn die mensen aan zichzelf overgelaten en als ze dan door het huis gaan zwerven of zich vervelen, dan zijn ze op een keer niet meer te handhaven. Maar zolang ze zich niet al te ongelukkig voelen mogen ze blijven. En als je ernstig ziek wordt, word je tot de dood toe verpleegd. Op je eigen kamer!”

Dat is iets waar ze erg tegenop ziet: “Dat ik ziek ben en nog niet dood. Ik ben een vurig voorstander van euthanasie en ik heb een afspraak met mijn dokter, maar ja, je weet niet hoe dat per slot geïnterpreteerd zal worden. Er wordt overigens erg weinig over de dood gepraat, hier in huis. Eigenlijk net als in Der Zauberberg. We staan allemaal met de dood voor ogen maar we praten er niet over. En voor mij gaat het dichtbij komen: ik kan het niet langer van me af blijven schuiven. Ik ben hier nu zestien jaar en er zijn er niet veel meer over van het begin.” Toch weigert ze het bejaardentehuis als een eindstation te zien. “Dat is ook het thema van die promovendus: het is geen sterfhuis want je gaat opnieuw leven. Vooral als je er een beetje jong in kan komen is het gewoon een lekker rustige voortzetting van je leven.”