Duitsland herenigd, nu de wetenschap nog; Bibliometrist Van Raan over het peil van de Oostduitse wetenschap

De invloed van de Duitse wetenschap is voor het eerst groter geworden dan die van de Britse wetenschap. Dat blijkt uit een onderzoek van het Institute for Scientific Information (ISI) in Philadelphia, dat zich hierbij baseert op het gemiddelde aantal malen dat een artikel in een van de toonaangevende vaktijdschriften in andere artikelen wordt aangehaald. Ondanks de taalbarrière blijkt de invloed van artikelen van Duitse onderzoekers in de jaren tachtig toe te nemen, terwijl die van Britse onderzoekers afneemt. Tegen het einde van dat decennium is Duitsland in de citatie-ranglijst op de tweede plaats gekomen. Op de eerste plaats staat de Verenigde Staten, waarvan het gemiddelde aantal verwijzingen per artikel overigens jaar na jaar blijft toenemen. Ook Frankrijk (op de vierde plaats) en Japan (zesde plaats) zitten in de lift, terwijl Canada (vijfde plaats) gestaag daalt. Nederland behoort met zijn tiende tot elfde plaats nog tot de "grote' landen.

De Westduitse adviesraad voor de wetenschap, de Wissenschaftsrat, heeft de handen vol met het onderzoek naar de toestand van de wetenschap in de voormalige DDR. Dit onderzoek wordt verricht onder leiding van enkele tientallen wetenschappers, industriëlen en overheidsfunctionarissen. Het heeft zowel betrekking op de (inmiddels formeel opgeheven) instituten van de Berlijnse Academie van Wetenschappen als op de universiteiten. Men heeft het onderzoekgebied verdeeld in een natuurwetenschappelijke, een medische en een sociaalwetenschappelijke sector. Het doel van het grootscheepse onderzoek is om binnen afzienbare tijd de Oostduitse onderzoeksinstellingen, indien nog levensvatbaar, met de Westduitse te kunnen integreren.

Bij het evalueren van de situatie in Oost-Duitsland is de wetenschappelijke kwaliteit niet het enige criterium dat in overweging wordt genomen. Ook van belang zijn vragen als: hoe gemakkelijk kan de integratie plaatsvinden, zijn er al Westerse instituten die dit soort onderzoek doen, hoe past het onderzoek in de "infrastructuur' van de wetenschap in het omringende gebied? Omdat men het onderzoek niet uitsluitend door Westduitsers wil laten verrichten, worden ook mensen uit andere landen aangezocht. Een van de eisen daarbij is dat zo iemand de Duitse taal machtig moet zijn: dit vanwege de persoonlijke zaken die boven tafel komen.

Een van de weinige niet-Duitsers die aan het onderzoek deelneemt is dr. A.F.J. van Raan (45), directeur van het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie-Studies (CWTS) van de Rijksuniversiteit Leiden. Hij was aangezocht voor de sociaalwetenschappelijke sector en dan vooral voor het visiteren van het Institut für Theorie, Organization und Geschichte der Wissenschaft: een instituut met meer dan honderd mensen, die zich alleen maar bezig hielden met de ontwikkeling van de wetenschap, maar dan vanuit marxistisch-leninistisch perspectief.

Van Raan: "Zo wordt je dus als buitenlander bij die hele affaire betrokken, toegespitst op één instutuut van de academie. Maar dat laat toch wel heel sterk de algemene problematiek zien en ik denk zelfs in sterkere mate dan bij een natuurwetenschappelijk laboratorium. Daar ligt alles wat duidelijker'.

Citatie-onderzoek

Het Leidse CWTS houdt zich bezig met onderzoek naar de ontwikkeling van wetenschap en technologie, mede in het kader van maatschappelijke processen. Dit gebeurt onder andere met behulp van citatie-onderzoek: het kijken naar de frequentie waarmee publicaties van onderzoekers worden aangehaald. Met behulp van dit soort onderzoek probeert men dan een inzicht te krijgen in de omvang en karakteristieken van wetenschappelijk onderzoek, in de invloed ervan en in de relaties die er tussen wetenschapsgebieden bestaan.

Bibliometrisch onderzoek kan een belangrijk hulpmiddel zijn voor het evalueren van wetenschappelijke activiteiten in universiteiten, organisaties en ondernemingen. In de academische gemeenschap bestaat er nogal wat weerstand tegen. Dat heeft emotionele redenen, maar komt gedeeltelijk ook "door schade veroorzaakt door onjuiste analyses', zoals Van Raan onlangs tijdens een voordracht toegaf. Hij stelt dat bibliometrisch onderzoek niet bedoeld is als vervanging van andere beoordelingsmethoden, maar alleen als aanvulling erop.

In april werd er in Halle een conferentie gehouden over een eerste evaluatie van de Oostduitse wetenschapsbeoefening in zijn totaliteit. Tijdens deze conferentie gaf Van Raan gevolg aan het kort daarvoor gedane verzoek om iets over het werk op zijn instituut te presenteren "dat van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek naar de wetenschapsbeoefening in de voormalige DDR'. In de twee dagen daarvoor hadden Van Raan en zijn collega's de gehele DDR "bibliometrisch uitgedraaid': zij hadden lijsten gemaakt van de in 1987 meest geciteerde Oostduitse wetenschappers, artikelen en instituten.

De Science Citation Index (van het Institute for Scientific Information in Philadelphia) is beschikbaar op CD. Er was software ontwikkeld waarmee alle artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die de DDR als land-adres hadden geselecteerd konden worden. Deze CD-versie werd gecombineerd met een versie die on-line beschikbaar is in een grote computer in Keulen, waarin de gegevens van de meest recente tijdschriften zijn opgeslagen

Van Raan: "Met behulp van de lijst van meest aangehaalde wetenschappers zie je direct dat die DDR-mensen die samenwerkten met westerse instituten bovenaan komen te staan. Dat zegt natuurlijk niets over de kwaliteit van de mensen die dat niet konden. Maar toch vindt je met zo'n lijst toch wel de crème-de-la-crème terug van het vakgebied'. En je ziet daaruit de samenwerkingsverbanden.

Dezelfde routine bood de mogelijkheid om het vakgebied van de meest geciteerde tijdschriften te achterhalen. Dat bleken chemie, farmacie en diergeneeskunde te zijn, op de voet gevolgd door vaste-stoffysica en fysische chemie. Deze ranking blijkt de werkelijkheid goed weer te geven. Het is bekend dat de DDR-industrie vooral chemisch was, dat de diergeneeskunde er vanwege de enorme veestapel erg belangrijk was en dat ook aan volksgezondheid veel aandacht werd besteed. Van Raan: "Er wordt algemeen gezegd dat de Charité, het academisch ziekenhuis van Oost-Berlijn, veel beter is dan welk ziekenhuis in West-Berlijn dan ook'.

Drie muren

Kijkt men naar de instituten waar de artikelen vandaan komen, dan blijkt dat de Academie van Wetenschappen met zijn instituten in Berlijn qua aantal publicaties bovenaan staat, maar toch vrij snel gevolgd wordt door de universiteit van Leipzig, de Humboldt-universiteit (Berlijn) en de universiteiten van Halle en Jena. Volgens Van Raan is het dus beslist niet zo dat de wetenschapsbeoefening in de DDR eenvoudigweg verplaatst was van de universiteiten naar de Academie-instituten, zoals vaak wordt gezegd.

Van Raan: "De universiteiten in de DDR waren in wetenschappelijk opzicht zeer actief en dat geldt ook voor hun invloed. Veel wetenschapsbeoefening was inderdaad naar de academie verplaatst, maar zeker niet zo'n 90 procent'.

Bij zo'n volgorde op grond van citatie-aantallen worden natuurlijk wel die gebieden naar voren gehaald, waarin steeds flink naar andere artikelen wordt verwezen. Een beter beeld van de werkelijkheid wordt verkregen wanneer het onderzoek wordt opgesplitst naar vakgebied. Van Raan: "Maar een wiskundige zal altijd veel lager uitkomen, omdat er in de wiskunde nu eenmaal veel minder verwijzigingen uitgedeeld worden dan bijvoorbeeld in de biotechnologie. Daar moet je dus rekening mee houden'.

Onderzoekers in de voormalige DDR hadden in feite te maken met drie muren. De eerste liep rond de DDR en Berlijn en daar kwamen de meesten dus niet door. De tweede liep rond de afzonderlijke instituten, want dat waren in feite weer eilandjes binnen de DDR zelf. En dan liep er binnen de instituten ook nog een muur dwars door alle geledingen heen. Daar had je enerzijds de mensen die aan de touwtjes trokken en aan de "verkeerde' kant zaten, of die niet duidelijk pro-partij of Stasi waren maar heel goed konden manoeuvreren, en anderzijds de mensen die het systeem niet accepteerden en daardoor altijd in de problemen zaten.

Die verschillen waren volgens Van Raan zo groot, dat het nu bij de vorming van nieuwe onderzoekgroepen een probleem is om mensen van verschillende pluimages bij elkaar te brengen. Van Raan: "Sterker nog, dat lukt gewoon niet. Bij de samenstelling van nieuwe groepen gaat het steeds om een combinatie van politieke en wetenschappelijke aspiraties. De grote zorg van iedereen is dat er op die manier toch waardevol talent verloren zal gaan'.

Empirisch materiaal

Een andere belemmering voor gezond wetenschappelijk onderzoek was het verbod om met bepaalde soorten empirisch materiaal naar buiten te komen. Van Raan: "Onderzoekers konden onderzoeken wat ze wilden en daar konden ze binnen de muren van de academie over praten en dat ook in interne rapporten op de boekenplank neerleggen. Maar ze mochten er niet mee naar buiten komen en er zelfs niet over publiceren in Oostduits tijdschriften'.

De achterliggende reden was dat in bepaalde wetenschappen het empirische materiaal steeds op het mislukken van het systeem wees. Zo nam het aantal zieke kinderen ondanks de goede gezondheidszorg hand over hand toe door de enorme luchtverontreiniging. Maar dat verband mocht natuurlijk niet gelegd worden en zo werd men er wel toe gedwongen om de waarnemingen dan maar in overeenstemming te brengen met de theorie.

Van Raan vindt het opvallend dat de DDR ondanks al deze belemmeringen wat het aantal wetenschappelijke publicaties betreft zelfs nog iets boven een land als België uitkomt. Van Raan: "Er kan echt niet worden gezegd dat de wetenschappelijke produktie van de DDR, internationaal gemeten via de Science Citation Index, non-existent was. Nederland staat altijd op de tiende of elfde plaats, bij de echt grote landen, en de DDR komt op de negentiende plaats en dat is niet slecht. De DDR staat qua wetenschappelijke output veel hoger dan de armere EG-landen, zoals Portugal, Griekenland en Spanje'.

In feite is het wetenschappelijk potentieel van Oost-Duitsland erg hoog. Dat blijkt ook nu de "goede' onderzoeksgroepen in Berlijn en Leipzig gaan samenwerken met groepen in West-Duitsland. "Deze Oostduitse groepen hebben niet de minste moeite om bij te tanken, om op hoog niveau door te gaan. Je ziet dat ze hun achterstand op het gebied van de apparatuur compenseren door een betere technische kennis. Ook hun literatuurkennis is, volgens mij, wat beter'.

Tijdens zijn presentatie in Halle heeft Van Raan het voorstel gedaan om zijn instituut een uitgebreid bibliometrisch onderzoek te laten verrichten voor zowel Oost- als West-Duitsland. Een Westduitse onderzoeksgroep had namelijk gevonden dat (ook) bij vele Westduitse universiteiten de wetenschappelijke resultaten middelmatig of zelfs nihil zijn. Zo bleek de helft van de Westduitse hoogleraren in wetenschappelijk opzicht niet veel te presteren. Van Raan: "Zo'n situatie heerst wellicht bij alle organisaties, maar hier ligt het probleem natuurlijk gevoeliger. Als je er vele collega's bij krijgt die scherp in de gaten worden gehouden, is het de vraag of je dat wel kunt doen zonder ook de hand in eigen boezem te steken'.

Niet zo goed als wij

Het Leidse CWTS is voor zo'n onderzoek goed toegerust. Voor NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) wordt nu een groot project uitgevoerd, bedoeld om een beeld te verkrijgen van de wetenschap in ons land. Van Raan: "Dat loopt hier aardig, er is veel discussie over, maar in Duitsland begint dat soort onderzoek pas op gang te komen. Er zijn een paar Duitse groepen die verwant werk doen, maar niet zo goed als wij, moet ik eerlijk zeggen, omdat ze er de middelen niet voor hebben en ook niet de routines die er voor nodig zijn in hun vingers hebben'.

De Wissenschaftsrat is echter zeer huiverig voor het toepassen van bibliometrische technieken, "omdat die de gevestigde wetenschappelijke orde recht in het hart zouden treffen'. In Duitsland zijn de "oude jongens'-netwerken (de circuits van de persoonlijke contacten) nog erg belangrijk, iets wat in mindere mate in bijvoorbeeld ook de Verenigde Staten het geval is. Maar volgens Van Raan zitten er in de Wissenschaftsrat óók mensen die een echt voorstander van bibliometrische onderzoektechnieken zijn. Van Raan: "Een van de topmensen van de Deutsche Forschungsgemeinschaft, zeg maar de Duitse NWO, zou niets liever willen dat wij daar morgen aan de slag gaan, want die oude jongens-netwerken zitten hem tot hier'.

Van meet af aan stond vast dat de Oostduitse wetenschappers in een westers circuit moeten gaan meedraaien. Maar velen blijken er niet veel zin in te hebben om helemaal te verwestersen. Men heeft nu ook nadelen in het westerse systeem gezien: collega's die nauwelijks tijd hebben om met elkaar te praten, die als gekken moeten werken om proposals te schrijven voor het binnenhalen van geld. De Oostduitsers zeggen ook: er wordt wel veel gedaan, maar het is ook veel van hetzelfde en wie zegt dat dat allemaal zo doorwrocht werk is? Van Raan: "Nu zal dat in de natuurwetenschappen wel minder zijn, want daar wordt de ene bouwsteen op de andere gelegd, maar toch...'

En dan is er nog het probleem van de kansen van vrouwen op een loopbaan in de wetenschap. In West-Duitsland lijkt men een vrouwelijke wetenschapper niet zo serieus te nemen. Christiane Nüsslein-Volhard, directeur van het Max-Planck-Instituut voor ontwikkelingsbiologie, deed eind vorig jaar eenberoep op de wetenschappers van de Max-Planck-Gesellschaft "om hun instelling tegenover vrouwen ernstig te herzien, niet de fouten van de eerste vrouwelijke medewerkster aan alle volgende ten laste te leggen, maar vrouwen volgens zuiver zakelijke gezichtspunten te beoordelen en hun werk door een houding van positieve verwachting te stimuleren'. Vrouwelijke Oostduitse onderzoekers zullen het dus dubbel zo moeilijk krijgen in het toch al overbelaste Westduitse circuit.