Duitse kat

Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen Deel 53, no.4, blz. 115-159, prijs f 32,-, ISBN 0-444-85718-4 Te bestellen bij Afd. Edita KNAW, Postbus 19121, 1000 GC Amsterdam, 020-6222902

Het inzicht dat het Nederlandse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog voor het overgrote deel niet uit helden en niet uit schurken heeft bestaan, is het afgelopen decennium geleidelijk gemeengoed geworden. Het beeld dat beklijft, is van een natie die zich zo goed en zo kwaad als het ging bij de bezetting aanpaste, en die de bezetter in tal van opzichten, vooral economisch, ter wille was - zij het volstrekt niet van harte.

De voormalige verzetsleider H.M. van Randwijk wees er in 1963 in het Algemeen Handelsblad op dat nog in 1943 de Sicherheitsdienst over de stemming in bezet gebied na de massale deportaties van joden kon rapporteren: ""Het Nederlandse volk is het er niet mee eens, maar werkte niet tegen.'' De organisatiesocioloog prof.dr. C.J. Lammers, die de jongste uitgave van de Mededelingen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen geheel mag vullen met zijn poging een sociologische verklaring voor deze lijdzame coöperatie te vinden ("Macht en gezag van de Duitse bezetter'), komt met voorbeelden van dezelfde strekking. De feiten spreken een nog duidelijker taal dan de citaten: door medewerking van alle Nederlandse instanties kon vrijwel het hele bevolkingsdeel van joodse afkomst worden weggevoerd. Nederlandse bedrijven stelden de Duitsers niet teleur; tot eind 1942 werd vierentachtig procent van de orders op tijd afgeleverd; in België en Frankrijk lagen die percentages op respectievelijk zesenzeventig en zeventig.

Deze houding van een overigens niet-genazificeerd volk, dat als geen ander gebukt gaat onder een scherp besef van het verschil tussen goed en kwaad, plaatst de naoorlogse generaties voor raadsels, ondanks de talloze studies die al aan de bezetting zijn gewijd. Lammers gaat er terecht van uit dat het te simpel is de verklaring alleen te zoeken in de angst voor de militaire overmacht van de bezetter. Die angst was uiteraard het fundament waarop de Duitse gezagsaanspraken waren gebaseerd, maar zeker in het eerste bezettingsjaar werd de "legitimiteit' van het Duitse gezag niet in brede kring in twijfel getrokken. Lammers somt daarvoor verscheidene redenen op.

De vraag of de Duitsers dienden te worden gehoorzaamd, raakte aanvankelijk veel Nederlanders niet rechtstreeks omdat zij net als vroeger verantwoording schuldig waren aan hun Nederlandse superieuren. Pas de hoogste echelons van de ambtenarij, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties werden geconfronteerd met Duitse directieven. Juist in die kringen spookte de al dan niet vage notie dat het fenomeen "bezetting' in het verkeer tussen de volkeren weliswaar een betreurenswaardige extremiteit was, maar niettemin deel uitmaakte van het spel der internationale betrekkingen. Met een bezetting en met de rechten en plichten van een bezettende macht was immers rekening gehouden in internationale conventies en in het Land Oorlogs Reglement. Met andere woorden: als een bezetter het spel nu maar volgens die regels speelde, dan "mocht' een bezetting. De instructies die de naar Londen gevluchte regering voor de ambtelijke top had achtergelaten, behelsden dan ook uitdrukkelijk de aanwijzing tot samenwerking met de bezetter mits deze zich aan de internationale regels hield.

Uiteraard rijst dan de vraag waarom men ervan uitging dat de Duitsers de spelregels zouden respecteren. Lammers legt de nadruk op de factor dat de Duitse autoriteiten zich gedurende de eerste maanden hun best deden om zich zo terughoudend en "fatsoenlijk' mogelijk op te stellen. Daarvan ging een immens geruststellend effect uit, en dat bevorderde op zijn beurt de neiging tot aanvaarding van het Duitse gezag. Bovendien namen de Duitsers soms initiatieven waarvan velen de redelijkheid inzagen, zoals het Ziekenfondsbesluit en werkverschaffingsmaatregelen. Daarmee verwierven de nieuwe heersers in de definitie van Lammers een "rationeel-pragmatisch gezag'.

Nadat de bezetter geleidelijk zijn ware gezicht was gaan tonen, verbleekten deze redenen om zich bij het Duitse gezag neer te leggen. Des te belangrijker en geraffineerder werd het al bestaande stelsel van beloningen en (dreiging met) straffen voor hen die de bezetter niet, respectievelijk wel tegenwerkten. Naarmate de krijgskansen zich verder tegen Duitsland keerden, hadden de Duitsers minder beloningen uit te delen en moesten ze, om hun zin door te drijven, terugvallen op de pure, rechtstreekse macht die uit een geweerloop komt.

Lammers' antwoord op de essentiële vraag, namelijk in hoeverre dit in zijn ogen uitgekiende spel van de Duitse kat met de Hollandse muis nu de Hollandse meegaandheid tot gevolg heeft gehad, blijft echter vaag. Het ligt voor de hand dat lokken met beloningen en dreigen met straf een zekere invloed zullen hebben gehad, maar hoeveel? Wat we zouden willen weten, is of de Duitsers het systeem dermate perfectioneerden dat ze er een hele natie mee onder de duim konden houden. Lammers beperkt zich in wezen tot het schetsen van de dilemma's en de verleidingen waarvoor de leidinggevende Nederlandse elite zich geplaatst zag, en de natuurlijke neiging het Duitse spel mee te spelen. Maar voor een beter begrip van de betrekkelijke Nederlandse passiviteit is het in elk geval nodig te onderzoeken hoe groot de invloed van de leiders op hun ondergeschikten is geweest. In dit opzicht is het artikel van Lammers slechts een aanzet, maar wel een aanzet die de nieuwsgierigheid prikkelt.