DE MOGELIJKHEDEN VAN GEMÊLEERDE KATOENEN KEPERSTOF; Voor rafelbroeken en halterjurken

Op de tentoonstelling "Spijker-goed! De kracht van denim' moeten gesloten vitrines de oude denim-stalenboeken tegen vettige vingers van het publiek beschermen.

Met een loep aan een touwtje bestudeert een enkeling de sierlijke krulletters van vroegere stofbestellers. Een weeffanaat toont belangstelling voor de technische details van katoenen gemêleerde keperbinding. Maar het gros van de bezoekers in het Tilburgs Textielmuseum snelt naar de kern van de tentoonstelling: de veranderde betekenis van de spijkerbroek in de naoorlogse jaren. Uit een originele Seeburg-jukebox schallen hits uit de jaren vijftig. "Blue Jeans Bop' van Gene Vincent voert langs filmaffiches met helden uit die tijd. Foto's van James Dean, Marilyn Monroe en Marlon Brando in spijkerpak ademen dezelfde tegendraadse sfeer uit als de huidige Levi's reclames. Elvis Presley draait wulps met zijn heupen in een strak aftekenende spijkerbroek.

Nadat de spijkerbroek eeuwenlang alleen gediend had als werkkleding, ontdekte de rebellerende jeugd in de jaren vijftig de broek als symbool van verzet tegen de gevestigde orde. Toch duurde het enkele jaren voordat de blue jeans (genoemd naar Genua, de plaats waar de stof oorspronkelijk vandaan kwam) echt doorbrak en geliefd werd bij het grote publiek. Maar toen aan het begin van de jaren zestig de eerste sportieve versies van de spijkerbroek op de markt kwamen, werd spijkerstof het symbool voor élke heersende trend. Hippies verschenen in jeansbroeken met wijde pijpen en borduursels, provo's met de eerste witte spijkerpakken en punkers met gerafelde broeken, bijeengehouden door veiligheidsspelden. De discoganger wurmde zich in een show- of stonewashed spijkerbroek, zó strak dat hij op de rug liggend moest worden aangetrokken. Hardrockers bedachten de applicatie met doodshoofden, en de vrijetijds-yup kleedde zijn spijkerbroek af met een jasje van Italiaanse snit.

Het volledig met lovertjes bezette spijkerjasje van Yves Saint Laurent in het begin van de jaren zeventig markeert de entree van denim in de haute couture. Saint Laurents uitspraak, “De spijkerbroek is een classic en ik geloof, dat hij zal blijven”, spoorde andere couturiers aan tot het gebruik van denim. Karl Lagerfeld kwam in 1982 met een denim pak voor het conservatieve Chanel en het jaar daarna ontwierp de Nederlandse Fong Leng een complete denim collectie voor Levi's. Sinds de couture niet langer overheerst werd door crêpe de chine, mousseline en satijn, was de inburgering van denim in het modebeeld een feit. Nu, in 1991, voert zelfs Armani een jeanslijn en heeft Katharine Hamnett het provo-wit uit de jaren zestig opnieuw geïntroduceerd.

In het Tilburgs textielmuseum is ook plaats gemaakt voor het vernieuwende Nederlandse denim-ontwerp. In meer dan manshoge ruwhouten kisten zijn de visies op spijkermode van drie Nederlandse ontwerpers te zien. Marianne Jongkind gebruikt de stof voor haar collectie Hoofddeksels. De stugheid van het denim in combinatie met stro levert bizarre baretten en hoedjes op.

Peter George d'Angelino Tap toont enkele stukken uit zijn collectie "Sartorial Concepts'. Taps "kleermakersontwerpen' suggereren een zekere eenvoud, waarachter de argeloze toeschouwer zeker geen doorwrochte New Age-gedachte waant. Maar Tap heeft pretenties: de boerse, vormeloze kledingstukken uit de serie Sartorial Desire nr I blijken “zijn persoonlijke vertaling van de Balkandracht naar westerse waarden” te zijn. Op meters afstand is zijn ecologische benadering van mode te ruiken. Bakken met rottende uien en rode kolen symboliseren zijn (mislukte) poging om milieu-onvriendelijke verfstoffen te vervangen door natuurlijke kleurstoffen.

Ontwerper Jos van Heel benadert de jeansmode minder filosofisch. Hij gaat juist uit van de eenvoud van denim en benut de specifieke eigenschappen van de stof - stoer en robuust - voortreffelijk in zijn modellen. De snit van de stevige schorten, rokken en halterjurken met zware metalen ritsen en grove stiksels heeft een krachtig profiel. Het contrast tussen het oranje, groen en wit, en de onbuigzaamheid van het ongewassen denim benadrukken de vormen. Het resultaat hiervan is, dat Van Heels kleding niet alleen "zit', maar ook "staat'.