De koppeling in Europa

Er klinkt gemor in Europa en het is gericht tegen de arrogantie van de Duitse centrale bank, de Bundesbank.

Op de eerste na-zomerse bijeenkomst van de Bundesbank zal de opvolger van Karl-Otto Pohl, Helmut Schlesinger, ongetwijfeld zijn visitekaartje als harde monetarist willen afgeven. De Duitse economie draait in het westelijke deel van de Bondsrepublek op volle toeren, de cao's van zeven procent en meer vormen een bron van looninflatie en mede als gevolg van lastenverzwaringen ter financiering van de kosten van de Duitse eenwording bedroeg de inflatie in Duitsland in juli 4,5 procent op jaarbasis.

Alle redenen dus voor verhoging van de officiele rentetarieven door de Bundesbank, die daarmee de binnenlandse geldmarktontwikkelingen in Duitsland volgt.

Aangezien de D-mark de spil is van het Europese Monetaire Stelsel (EMS) dwingt de Bundesbank de overige EMS-landen om de renteverhoging te volgen. Want als Nederland, Frankrijk of een ander EMS-land bij een Duitse renteverhoging achter blijven, worden beleggingen in guldens, Franse francs of andere Europese munten minder aantrekkelijk. De koersen van deze munten kunnen daardoor dalen ten opzichte van de D-mark en op de bodem van het EMS terecht komen. Volgens de regels van het EMS mogen de koersen niet meer dan 2,25 procent naar boven of beneden afwijken van hun spilkoers.

Duitsland dicteert dus een renteverhoging aan Europa en daar zitten lang niet alle EMS-landen op te wachten. In Groot-Brittannie vraagt de hardnekkige recessie juist om een rentedaling en ook in Frankrijk wil men de stagnerende economie niet graag smoren in hogere rente die investeringen en bestedingen afremt.

Voor Nederland geldt het specifieke probleem dat een hogere rente zich direct vertaalt in nog grotere financieringslasten voor de overheid. Meer dan andere EG-landen is Nederland als gevolg van zijn grote overheidsschuld gevoelig voor rente-ontwikkelingen. Ieder procentpunt rentestijging kost de schatkist op jaarbasis ongeveer 400 miljoen gulden extra.

Aan de koppeling van de Europse munten in het EMS zit dus een pijnlijke kant. Alle EMS-landen betalen op die manier indirect mee aan de kosten van de Duitse eenwording. Zoals de Verenigde Staten in de jaren zestig de kosten van de Vietnam-oorlog dank zij de vaste koers van de dollar gedeeltelijk op hun bondgenoten konden verhalen, zo kan Duitsland dank zij het EMS de lasten van de Duitse eenwording op zijn Europese partners afwentelen.

Hier staat tegenover dat de EG-landen sterk profiteren van de vergroting van de Duitse markt en de explosieve vraagstijging in het verenigde Duitsland. Niet alleen Nederland, maar ook Frankrijk heeft zijn export naar zijn oosterbuur zeer sterk zien toenemen sinds de val van de Muur.

De monetaire disciplinering in het EMS is nog maar een voorproefje van wat de EG-landen te wachten staat in de Economische en Monetaire Unie, de EMU van de toekomst. Dan is de mogelijkheid van devaluatie en van onderling afwijkend rentebeleid zelfs theoretisch verdwenen omdat de EMU-landen een centrale bank, een munt en een monetair beleid zullen hebben.

De monetaire gevolgen van de Duitse eenwording voor de overige EMS-landen hebben er dan ook toe geleid dat landen die tot voor kort enthousiast voor een snelle monetaire unie waren, bij nader inzien meer aarzelingen tonen. Op de tweede plaatst bekrachtigt het de noodzaak om in de EMU sluitende afspraken te maken over de omvang van financieringstekorten in afzonderlijke landen. Wat nu in Duitsland gebeurt als gevolg van de eenwording, zal zich in de EMU niet mogen herhalen. Binnen een monetaire unie zal geen land zijn begrotingstekort ongestraft in twee jaar van nul tot vijf procent van het bruto nationale produkt mogen laten oplopen.

In het perspectief van de EMU heeft de Duitse eenwording net op tijd plaats gehad en is het een sprekend voorbeeld van de moeilijkheden die ontstaan als landen met met uiteenlopende omstandigheden tot monetaire en economische eenwording besluiten.