De economie van Schier

Een zaterdagochtend in juli. Jan Pelleboer voorspelt voor het weekeinde temperaturen van 30 graden in het binnenland, in het Waddengebied tot 26 graden. De Brakzand, de veerboot die Lauwersoog verbindt met Schiermonnikoog, is die ochtend afgeladen. Tussen de haven van het eiland en het dorp is het een komen en gaan van bussen en taxi's. Aan de kassa's van de supermarkt vormen zich lange rijen. En in de schuren van de rijwielverhuurders zijn de fietsenrekken leeg. Hoogseizoen. Toch is het aan de 150 tot 300 meter brede stranden niet drukker dan in Scheveningen op een grauwe dinsdagmorgen.

Met ruim 2000 dagjesmensen en ongeveer 4.500 overnachtende toeristen zit het eiland aan de grens van zijn capaciteit. Op zo'n topdag wordt Schiermonnikoog bevolkt door circa 7.500 personen, inclusief de 925 eilanders. Jaarlijks wordt het eiland bezocht door 130.000 à 260.000 toeristen. Het grootste deel van de Schierse beroepsbevolking werkt dan ook in de toeristenindustrie. Zo'n 75 procent van het totaal aantal banen heeft direct met het toerisme te maken.

Die afhankelijkheid van het toerisme zorgt voor sterke seizoenschommelingen in de werkgelegenheid. Buiten het seizoen, januari is de rustigste maand, is er werk voor rond de 300 eilanders. Dan zit bijna 20 procent van de beroepsbevolking achter de geraniums of op de Canarische Eilanden. Maar in het hoogseizoen moet zelfs versterking van de wal worden gehaald. De werkgelegenheid loopt dan op tot ruim 450 personen. Het werkloosheidscijfer op het eiland daalt in die periode tot 4 à 5 procent. In de afgelopen tien jaar is er overigens duidelijk sprake van seizoensverlenging. Dit tot tevredenheid van degenen die van het toerisme moeten leven. Maar sommige eilanders beginnen terug te verlangen naar de tijd dat het eiland in de wintermaanden alleen van hen was.

De toeristische belangstelling voor Schiermonnikoog overtreft in het hoogseizoen het aanbod. Zomerhuisjes worden vaak al een jaar vooruit besproken, de hotels zijn rond mei bijna volgeboekt. En het ziet er niet naar uit dat in die situatie binnen afzienbare termijn verandering komt. De meeste eilanders vinden dat de toeristische druk niet verder moet worden vergroot. De gemeente Schiermonnikoog verbiedt dan ook elke vergroting van de hotelcapaciteit en uitgifte van nieuwe kavels voor zomerhuisjes. Het zal niemand verbazen dat het gemeentebestuur daarbij organisaties als de Waddenvereniging aan haar zijde vindt.

Maar zelfs ondernemend Schier, dat op het eerste gezicht toch alle belang zou hebben bij een ruimhartiger overheidsbeleid, is het in grote trekken eens met de bestaande beperkingen. Voor een deel is die houding te verklaren uit een goed begrepen eigenbelang. De ondernemers beseffen heel goed dat het voornaamste motief om Schiermonnikoog te bezoeken bestaat uit de daar aanwezige rust en de unieke natuur. Uitbreiding van toeristische voorzieningen zou afbreuk doen aan "het produkt Schiermonnikoog'.

Schiermonnikoog is veel meer dan een toeristische trekpleister. Het is ook, en vooral, een van de laatste restjes ongerepte natuur van Nederland. Sinds 1989 heeft een groot deel van Schiermonnikoog - 5400 hectare - de status van Nationaal Park. Het beheer van het natuurgebied is daarmee in handen van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. In het begin bestond bij de eilandbevolking nogal wat weerstand tegen de plannen. De eilanders, die zich sterk betrokken voelen bij het wel en wee van Schier, waren bang dat het verre Den Haag voortaan zou beslissen over hun eiland. Door plaatselijke vertegenwoordigers op te nemen in het overlegorgaan dat het dagelijks bestuur vormt van het Nationaal Park zijn die bezwaren voor het grootste deel weggenomen.

Men begint ook de voordelen te zien. In de eerste plaats kan nu een start worden gemaakt met een samenhangend beheersbeleid, waarin de verschillende maatregelen beter op elkaar kunnen worden afgestemd. In de tweede plaats krijgt het eiland de beschikking over een extra subsidiestroom van jaarlijks 400.000 gulden bestemd voor milieuvoorlichting en natuurbeheer. Met dit geld wordt onder meer onderzoek gedaan naar de negatieve gevolgen van de drinkwateronttrekking. Door het dalen van het grondwaterpeil dreigen gedeelten van het eiland te verdrogen. En dit heeft vanzelfsprekend weer invloed op de vegetatie. Ook bestaan er plannen om de ontwikkeling van het toerisme en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor het natuurgebied in kaart te brengen.

Maar op de grootste bedreigingen van het eiland en het omringende Wad heeft het Nationaal Park geen greep. Die komen van buiten. Een paar voorbeelden. De open riolen die onder namen als Rijn, Eems en Elbe de Waddenzee vervuilen. De militaire oefeningen in het Lauwersmeergebied die voor flinke geluidsoverlast zorgen. De mossel- en kokkelvisserij in het Waddengebied waarbij grote gedeelten van het Wad letterlijk worden omgeploegd met zware sleepnetten. Proefboringen naar aardgas waardoor het zeewater vergiftigd dreigt te raken met milieuschadelijk boorgruis. Sommige van die problemen, zoals lucht- en watervervuiling, eisen een Europese of zelfs mondiale aanpak. Aan andere kan Nederland zelf het nodige doen. Als het de Rijksoverheid werkelijk ernst is met het behoud van de Wadden, dan is de instelling van een Nationaal Park niet voldoende.

ILLUSTRATIE ISABEL LURVINK