De Albanese boer: vrij, maar op het nulpunt

Dwangarbeiders waren ze, de boeren van Albanië. Nu zijn ze van hun ketenen ontdaan: de staatscoöperaties zijn ontmanteld en de landbouwgrond wordt verdeeld. Maar de pijnlijke gevolgen van een halve eeuw Albaans stalinisme wis je niet in een half jaar uit: “We zitten nog op het niveau nul”.

Geen regime in Oost-Europa, zegt Rexhep Uka, heeft zijn boeren zo mishandeld als het Albanese regime. “Overal in Oost-Europa hebben de boeren na de collectivisatie van de landbouw een klein stukje land voor zichzelf mogen houden. In alle landen, behalve hier.”

De gevolgen merkt Albanië aan den lijve: er is niets te eten, en dat ligt, zegt Uka, vooral aan dat ene kleine feit: “De Albanese boeren zijn volledig gedeprofessionaliseerd. Ze zijn geen boeren meer. Van de factoren werk, grond en kapitaal werd na de gedwongen collectivisatie alleen werk verlangd, en dan nog uitsluitend fysiek werk: kapitaal had de boer niet meer, zijn grond was hij kwijt, en beslissingen werden niet van hem verwacht, die werden door Tirana genomen.” De Albanese boer, zegt Uka, heeft bijna een halve eeuw niet geweten wat eigenlijk zijn bijdrage aan de economie was, waar zijn plaats was: hij was dwangarbeider. “En dat lot overkwam zeventig procent van de bevolking,” zegt Uka. “Het blokkeerde zeventig procent van de bevolking.”

Nu, nu de landbouwcoöperaties zijn ontbonden en al die Albanese boeren een stukje eigen land krijgen, wreekt zich dat: de boeren weten niet wat ze moeten verbouwen, waar vraag naar is, welke prijs ze moeten vragen, hoe ze het transport moeten regelen.

Het is maar één probleem van de Albanese landbouw. Een ander is de overbevolking. Tijdens het socialisme heeft zich een bevolkingsexplosie voorgedaan: Enver Hoxha, Albanië's eigen Stalin, vond dat er te weinig Albanezen waren en wilde een groter volk. Hij vergrootte weliswaar ook het landbouwareaal door moerassen droog te leggen, de irrigatie te verbeteren en zijn volk de bergen in te sturen om op moeilijk toegankelijke hellingen de landbouw te bedrijven, maar de bevolking nam veel sneller toe dan het aantal beschikbare hectaren en per hoofd van de bevolking heeft Albanië nog maar 0,2 hectare landbouwland. Het werk dat door zeventig procent van de bevolking wordt verricht, zegt Uka, kan door twintig procent worden gedaan. Met andere woorden: de helft van de 3,5 miljoen Albanezen moet nieuw werk vinden, in de industrie, in de steden.

Het platteland, zegt Uka, is het platteland van de angst, angst voor de toekomst, voor nieuwe verantwoordelijkheden en taken, angst voor de vernieuwing. Het was die angst - èn het gebrek aan politieke cultuur, èn manipulatie door de communisten - die eind maart een groot deel van de boeren er nog toe bracht op de communisten te stemmen. “Daar zijn ze nu wel van genezen,” zegt Uka, “maar de angst voor de toekomst blijft.”

In het nieuwe, democratische Albanië is maandenlang gepraat en geruzied over de toekomst van de landbouwgrond. Maandenlang hebben de communisten, die zich nu socialisten noemen, zich met hand en tand verzet tegen de privatisering van de grond. Maar na al dat touwtrekken is men het uiteindelijk toch eens geworden, zegt Uka, hoogleraar aan de landbouwhogeschool en de belangrijkste landbouwspecialist van de oppositionele Democratische Partij (“Ik ben de grootste vijand van de minister van landbouw, een oude communist die als laatste in dit land Enver Hoxha van de muur heeft gehaald”): er is een landbouwwet getekend die voorziet in de verdeling van de coöperatieve grond. Over de staatsboerderijen, een kwart van het totaal, en de schadeloosstelling aan de eigenaars die in de jaren vijftig hun grond kwijtraakten moet nog een beslissing worden genomen. Vast staat alleen dat zeven rijke families, die samen 50.000 hectaren bezaten, wegens hun collaboratie met de Italiaanse en Duitse bezetters niets terugkrijgen.

Volgens de wet zal de grond van elke coöperatie worden verdeeld onder de boeren die er in januari lid van waren. Dat betekent dat niet elke Albanese boer evenveel land krijgt: hoeveel hij krijgt, hangt af van het aantal leden van de coöperatie. Volgens Uka zal de gemiddelde Albanese boerderij twee hectaren groot worden, met een minimum van 0,4 en een maximum van vier hectaren.

Pag.10:

"Wij Albanezen zijn een beetje bang voor elkaar'; "We zijn de smaak van vlees vergeten'

Een land van keuterboertjes? Uka: “Ja, maar op dit moment zijn de kleine stukjes land die de boeren zich na januari hebben toegeëigend, al genoeg voor hun eigen onderhoud. Ze krijgen er straks nog zeker evenveel bij.” De nieuwe wet voorziet in een verbod op de verkoop van landbouwgrond voor onbepaalde tijd - om speculatie te voorkomen en om de boeren eerst de kans te geven zich vertrouwd te maken met de prijzen - en in een verbod om op landbouwgrond woningen te bouwen. Uka: “We hebben maar weinig landbouwgrond. Albanië is een land van bergen, en we willen geen hectaren verloren laten gaan.”

De boeren hebben de nieuwe landbouwwet, die vorige maand is getekend en die in september leidt tot de verdeling van de grond, niet afgewacht: in januari en februari zijn de coöperaties spontaan ontmanteld - op een manier die de haat van de Albanese boer tegen die socialistische eigendomsvorm onderstreepte. Uka: “Het platteland is sinds januari het toneel geweest van anarchie. De ontmanteling van de coöperaties was een signaal voor plundering en wanorde. Boeren maakten zich meester van de grond, van het vee, ze namen wat ze vonden dat hun na zoveel jaar dwangarbeid toekwam, ze stalen de machines, het zaaigoed, ze plunderden de coöperatiewinkels en vernielden op grote schaal coöperatief bezit. Het land werd onderling verdeeld - niet alles, maar een groot deel. Om de grond die niet werd verdeeld, bekommerden de boeren zich niet meer, ze stortten zich massaal op hun nieuwe eigen stukjes grond. Het is een van de redenen waarom er nu in de traditionele voedselexporteur Albanië geen eten meer te krijgen is en waarom in een land dat tot de grootste tabakproducenten en -exporteurs van Europa behoort, geen sigaretten meer te vinden zijn behalve op de zwarte markt, en zelfs daar maar zelden.”

Uka is optimistisch over de toekomst van de Albanese landbouw. “De boer kàn efficiënt zijn. Natuurlijk, hij weet niets, hij is bang en hij heeft geen machines: Albanië heeft één tractor per zeventig hectaren, en een Albanese tractor heeft meer weg van een tank dan van een landbouwwerktuig. Maar als hij zijn eigen belang ontdekt, kan hij een goed zakenman zijn.” Albanië, zegt Uka, is ook op dit gebied geen arm land: de grond is niet slecht, er is water genoeg, want het regent twee keer zoveel als in Griekenland en Albanië heeft onder de grond veel water dat nooit is aangesproken.

De overheid, zegt Uka, krijgt een heel belangrijke taak: er is zaaigoed nodig, kunstmest, pesticiden, een klein krediet om de boeren op weg te helpen. “De regering mag op dit moment niet de indruk wekken dat ze de boeren in de steek laat. Dat zou een catastrofe betekenen.” Het begin wordt het moeilijkst, zegt Uka: er zijn op zo kort mogelijke termijn tweeduizend tractoren nodig, op veel plaatsen moet de irrigatie worden verbeterd, de boer heeft geen transportmiddelen: “We zitten op het niveau nul”. Aan de andere kant, zegt hij, hebben we ook geen milieuproblemen, van hormonen en chemische toevoegingen heeft de Albanese boer nooit gehoord, en als de beginproblemen worden opgelost, zegt Uka, is de Albanese landbouw er binnen vijf jaar bovenop. Belangrijk is vooral dat er investeringen komen: zonder investeringen is er geen begin, geen hoop.

Aan Haxhi Ulliri zal het niet liggen. Hij boert, voor zichzelf, sinds kort, een magere man van 62 met vrolijke ogen en een rode neus die een beetje scheef staat. Hij omklemt je hand bij de kennismaking alsof hij hem niet meer los wil laten. Hij woont met zijn vrouw Haxhire en hun vijf zoons, hun twee dochters en hùn mannen en vrouwen in Nikël, een modderdorp op vijftien kilometer van Tirana. Langs de zandweg klatert het water in het slecht afgedamde irrigatiekanaal, in enorme plassen op de weg zwemmen eenden. Het mais staat manshoog. Vrouwen met witte hoofddoeken sjokken langs, op karren achter magere paarden zitten mannen met verweerde gezichten, de gezichten van de vluchtelingen, de gezichten van het Albanese platteland.

We zijn met ons vijftienen hier, zegt Haxhi Ulliri in zijn huiskamer, een kale kamer met een aftandse sofa, een houten tafeltje en in de hoek een televisietoestel, met de zilveren tabaksdoos van zijn overgrootvader zijn enige luxe. Quindici, zegt hij: hij is trots op de paar woorden Italiaans die hij nog kent uit de tijd van de bezetting, toen hij in een baksteenfabriek werkte. Elders op de boerderij wonen nog twee gezinnen, samen 45 mensen, genoeg, zegt hij, om in onderlinge samenwerking aan de slag te gaan. Hij biedt raki aan, zelfgestookt, maar we houden het op water uit de eigen pomp, het beste water van Albanië, zegt Ulliri.

Tot januari werkte iedereen op de coöperatie, die negen dorpen als Nikël omvatte en 7500 werknemers telde. Maar de coöperatie is verleden tijd, zegt Ulliri. Vijfhonderd hectaren hebben de boeren onder elkaar verdeeld: vierduizend vierkante meter per gezin. De rest, negenhonderd hectaren, wordt in september verdeeld. “Heel eerlijk,” verzekert Ulliri. “We hebben geen ruzie gehad, over wie welk stuk zou krijgen. Ik weet dat de boeren elders onderling slaags zijn geraakt, maar hier niet.”

Tot het begin van de zomer hebben de boeren het nog niet verdeelde land nog bewerkt, maar sinds er geoogst is, ligt het braak, in afwachting van de definitieve verdeling. Ze hebben zich wel met hun eigen nieuwe land beziggehouden, en Ulliri is heel tevreden. Kijk, zegt hij, en hij wijst op stuk grond naast het huis, in de schaduw van druivenplanten, daar staan mijn witte bonen, dat is al mijn tweede oogst dit jaar, en er volgt nog een derde. “Op de coöperatie ging dat anders. Er is zelden meer dan één oogst geweest, en nooit drie.”

De goede resultaten op dat lapje eigen grond, die 0,4 hectare, dempen een beetje zijn scepsis en zijn angst voor de toekomst, zegt hij. Hij vertrouwt de beloften van de regering nog niet helemaal: “We hebben al zoveel beloften gehoord, we zijn afgebrand van het luisteren”. Maar er is ook wel vertrouwen: het begin is er en, zegt hij, zoals we hier zeggen: de lente komt niet met één bloem.

Het is klein beginnen. Land krijgt hij nog, zeker nog zoveel als hij nu heeft. Op meer hoeft hij van de kant van de coöperatie niet te rekenen. “We hebben per gezin ook nog een koe gekregen. De rest van de veestapel is gestolen, de een nam een schaap, de andere een tweede koe en in juni was alles op.” Met de machines verwacht hij echter geen problemen: de tractoren en andere machines behoorden niet toe aan de coöperatie, maar aan het technisch station, dat ze aan de coöperatie verhuurde. Dat systeem blijft bestaan, de boeren moeten nu wel de huur van de tractor en de ploeg betalen, het is geen ideaal systeem, en duur is het ook - een hectare ploegen kost 46 lek, bijna een tientje - maar er is geen keus, zegt Ulliri, want we hebben zelf geen van allen geld voor een ploeg of tractor: “Dit is een land van lege zakken.”

Een deel van zijn land heeft hij bestemd voor mais en luzerne, voor de koe. Op de rest gaat hij graan verbouwen, voor brood, en groenten, voor de verkoop op de markt in Tirana. Het zal moeilijk worden, zegt Ulliri: “Ik geloof in mezelf, maar ik ben ook een beetje bang. Vooral het transport is een probleem, we gebruiken paarden en ezels, maar de weg naar Tirana is vol dieven.” Als we een goede oogst hebben, zegt hij, kunnen we misschien een auto huren.

Er is overal vrees, zegt hij. “We hebben nooit op eigen benen gestaan. We zijn vooral bang voor de belastingen, we weten niet hoe die eruit gaan zien en ze zijn nu al...” Hij maakt de zin niet af maar haalt de vinger langs de keel. Nee, hij gelooft niet erg in samenwerking met andere buren dan die twee families op zijn boederij. “We zijn Albanezen, en Albanezen vertrouwen elkaar niet, ze zijn een beetje bang voor elkaar. Ik ben 62, en ik weet dat die samenwerking niet lukt. Als er sprake is van bezit, kunnen Albanezen niet samenwerken.”

Hij hoopt op hulp van de staat, misschien komt er een mogelijkheid om krediet te krijgen, en de staat zal hem in staat moeten stellen kunstmest en pesticiden te kopen. Het is niet mijn schuld, zegt hij, als men in de stad honger heeft: “Als ze mij kunstmest laten kopen, koop ik het. Als ze mij het land geven, bewerk ik het, en dan heeft de stad geen honger meer. De boeren hier hebben dit jaar alleen voor zichzelf verbouwd, graan en groenten. Maar ze konden niet anders.”

Hij weet van het lage niveau van de landbouw. “Griekenland is een paradijs, vergeleken met hier.” Maar, zegt hij, kom over tien jaar eens terug, en corrigeert zich: nee, vijf jaar, kom over vijf jaar terug. “De politiek heeft veel tijd verloren. De politici doen hun best niet, ze bevechten elkaar om hun stoelen, ze kletsen drie maanden voor ze iets besluiten. Maar verander het systeem en we werken. We werken harder dan vroeger, omdat we weten waarvoor.” De boeren, zegt hij, zijn hier altijd bang geweest voor het broodprobleem. “In 1914 waren hier de Oostenrijkers de baas, drie jaar lang is er geen brood geweest, de boeren hier aten zelfs wortels en stro, mijn grootvader wist toen niet eens wat graan was.” Maar het is goed land, zegt hij, toen de Oostenrijkers waren vertrokken was er brood genoeg, toen aten de mensen er zoveel van dat ze dáárvan doodgingen. Hij lacht. “Misschien komen die tijden terug. Het is goed land. Als je maar hard werkt.”

Een ding is zeker, zegt Haxhi Ulliri, zeker is dat we nooit meer teruggaan naar de coöperatie. “De coöperatie, die wil ik zelfs in mijn ergste nachtmerrie niet meer tegenkomen. Het was een systeem van dieven. Zeven lek per dag kregen we (1,40 gulden), voor een hele dag hard werken. Nu is het land nog niet eens verdeeld en krijg ik al van de groenten die ik verkoop vijf keer zoveel en kan ik zelfs een agronoom betalen,” zegt Haxhi Ulliri. “Vlees? In de tijd van de coöperatie zijn we zelfs de smaak van vlees vergeten. De coöperatie heeft mijn bezit gestolen. De coöperatie heeft mijn zweet en het werk van mijn handen gestolen,” zegt Haxhi Ulliri. “Een systeem van dieven.”