Vietnamezen vertrekken niet uit Berlijn maar laten juist hun familie overkomen; Schoppen, slaan en swingen op de Hitlerdans

De Oostberlijnse wijk Marzahn was vroeger een elite-buurt, nu is het er gevaarlijk 's avonds de bus te nemen. Althans voor “buitenlanders of mensen die er zo uitzien”, zo heeft de hoofdcommissaris van politie gewaarschuwd. Zij moeten maar binnen blijven. Tweede deel van een serie over getto's in Europa.

BERLIJN, 14 AUG. Vorige week stond de 29-jarige Mozambikaan Jamal Maçedo in een drukke Oostberlijnse straat op de bus te wachten. Plotseling kwamen er drie in het zwart geklede jongeren op hem af. Zonder iets te zeggen gooiden zij hem op de grond en begonnen met hun spijkerlaarzen op hem in te trappen. Voorbijgangers zorgden dat zij uit de buurt bleven. Toen Maçedo niet meer bewoog, verdween het drietal. Nu loopt hij met een zonnebril rond om zijn zwaarbeschadigde rechteroog niet te hoeven tonen. “Doorgaans weet ik op tijd weg te komen maar het was onvermijdelijk dat me dit een keer zou overkomen”, zegt hij.

Deze gebeurtenis staat niet op zichzelf. Herhaaldelijk worden in Oost-Berlijn levende buitenlanders het slachtoffer van racistisch geweld. Niet dat het er nog veel zijn: de meeste gastarbeiders uit de "socialistische broederlanden' zijn inmiddels ontslagen, uitgewezen, naar West-Duitsland vertrokken of het land uitgevlucht. In geheel Oost-Duitsland leven nu nog naar schatting 90.000 buitenlanders die met een Duitse partner zijn gehuwd en verder 14.000 Vietnamezen, 12.000 Sovjet-joden, 3.000 Polen, 1.250 Mozambikanen, 10.000 asielzoekers en een handvol Namibiërs en Angolezen.

Juist in de stadswijken waar de communistische SED haar basis had, rukt het geweld steeds verder op. Zo'n buurt is het Oostberlijnse Marzahn, twaalf jaar geleden gebouwd als "elite-project' van de Freie Deutsche Jugend (FDJ). Voor de buitenstaander is deze wijk een voorbeeld van absolute troosteloosheid: eindeloze rijen vrijwel gelijkvormige torenflats in een grauwe, steriele omgeving. Maar voor de 175.000 inwoners van Marzahn ligt dat anders. “Vroeger woonde ik op een donkere binnenplaats”, zegt Tamara Hentschel (36). “Ik moest iedere dag kolen sjouwen, beschikte niet over warm water en had geen eigen toilet. Daarmee vergeleken baad ik nu in weelde.”

Hentschel woont in Ahrensfelde, een deel van Marzahn dat zes jaar geleden is gebouwd en zich op zeker 20 kilometer van het stadscentrum bevindt. De meeste bewoners zijn ambtenaren die SED-lid waren en werkten voor de Stasi of voor ministeries. Ook arbeiders die op hun werk buitengewone prestaties hadden geleverd, kwamen voor een woning in Ahrensfelde in aanmerking.

Tamara Hentschel is sociaal raadsvrouw voor buitenlanders in Marzahn. Officieel doet zij hetzelfde werk als vóór de Duitse hereniging, maar de praktijk verschilt hemelsbreed. In de DDR waren gastarbeiders verplicht ondergebracht in zogenoemde Arbeiterheime. Zij bewoonden met vijf of zes personen één kamer en iedere groep van vijftig buitenlanders ressorteerde onder een groepsleider en een "vertrouwenspersoon'. Dit duo registreerde alles. Wie het tehuis betreden wilde, moest zijn identiteitspapieren tonen en zijn tas openen. Na tien uur 's avonds mochten buitenlanders geen bezoek ontvangen en evenmin was het hun toegestaan elders te slapen. Vrouwen die zwanger raakten, moesten de DDR verlaten. Hentschel, destijds vertrouwenspersoon in een tehuis voor Vietnamezen: “Mijn taak bestond voornamelijk uit bewaken en controleren. Nu kan ik pas datgene doen waarvoor ik ben opgeleid: buitenlanders bijstaan”.

Er wonen nog ongeveer 2.500 Vietnamezen in Ahrensfelde, schat Hentschel. Zij hebben vrijwel allemaal hun baan verloren. Wie al langer dan acht jaar in Duitsland woont, mag blijven. De anderen moeten weg zodra hun contractperiode is verstreken. Zij voorzien doorgaans in hun levensonderhoud door de verkoop van kleding (legaal) en sigaretten (illegaal).

In het winkelcentrum van Ahrensfelde, waar zij hun straathandel bedrijven, zijn zij al diverse malen met geweld verdreven, soms door de politie maar meestal door groepen neo-nazi's en skinheads op "Fiji-jacht'. Anderen zijn op trein- en metrostations aangevallen. “Hier op het station aan het eind van de straat is een Vietnamees onlangs verschrikkelijk toegetakeld”, zegt Hentschel. “Het ergste was: tientallen passagiers keken toe en deden niets. En dat terwijl de neo-nazi's die daar aan de gang waren de mishandeling met een videocamera filmden, naar later bleek ter gelegenheid van de viering van Hitlers verjaardag.”

Ondanks alles zijn de meeste Vietnamezen niet van plan te vertrekken. Integendeel, nu alle strenge regels zijn verdwenen, laten zij en masse hun familieleden uit Vietnam overkomen. Nu zij eindelijk in gezinsverband mogen wonen, is er zelfs sprake van een ware geboortegolf.

Dung Tran (30) en zijn vrouw To Anh (21) zijn doodsbang. Al twee keer zijn de ramen van hun woning ingeslagen. “Dat de DDR goed voor ons was, zou ik niet willen zeggen”, meent Tran. “Maar waar het onze veiligheid betreft was dat wel het geval.” Nguyen Vu Huy (30) en zijn vrouw Ha An (27) zijn beiden al langer dan acht jaar in Oost-Duitsland en hoeven dus niet weg. Zij wonen met hun dochtertje in een tweekamerwoning in het Arbeiterheim. Sinds de Duitse eenwording is de huur verhoogd tot 710 mark per maand. Zij zijn werkloos, hun uitkering bedraagt 1.260 mark maar over drie maanden krijgen zij alleen nog maar bijstand en dan blijft er slechts 920 mark per maand over. Toch willen zij in Marzahn blijven wonen. “Want hier zijn we tenminste gewend.” Het echtpaar heeft zich, net als de meeste Vietnamezen, volledig in zijn woning teruggetrokken. Als Ha An alleen thuis is, doet zij de deur niet meer open. Zodra het donker is, zet geen van beiden nog een stap buiten de deur. “Of we gelukkig zijn? Ach, daar denken we allang niet meer aan, we zijn uitsluitend gericht op overleven”, zegt Ha An.

In een Arbeiterheim in het district Hellersdorf wonen achttien Mozambikanen. De meesten kennen elkaar van de "Schule der Freundschaft'. In 1982 kwamen zij als veertienjarige jongetjes naar Europa in het kader van een Oostduits-Mozambikaans vriendschapsverdrag. In de DDR kregen zij een school- en vakopleiding. “Het idee was om ze daarna in Mozambique als klassebewuste arbeiders te laten werken op uit de DDR afkomstige machines”, zegt Ginka Eichler van de Duits-Afrikaanse Vriendschapsvereniging. Daarvan is nooit veel terechtgekomen. Zodra de 900 leerlingen in hun vaderland terugkeerden, moesten zij in dienst. Werk was er niet. De helft van hen keerde weer terug naar de DDR. Nu zijn zij vrijwel allemaal werkloos.

“Ik word dagelijks op straat uitgescholden”, zegt Bartolomeo Manuel. “Ze roepen: rot op neger, wat doe je hier?” Twee weken geleden trapten neo-nazi's de deuren en ramen in en hingen nazi-vlaggen aan de gevel. Buurtbewoners bekogelden hen vanaf hun balkon met bakstenen. Toch zegt Manuel zich niet te laten wegjagen. “Ik ben geen toerist, ik woon hier”, staat er demonstratief op zijn voordeur. In West-Berlijn voelt hij zich vrijer. “De Muur is weg maar de grens is gebleven. Oostberlijners gaan niet graag naar de andere kant omdat zij zich daar tweederangs burgers voelen. Voor ons zwarten is dat precies andersom.”

Onlangs raadde een Berlijnse hoofdcommissaris van politie in een radioprogramma “buitenlanders of andere mensen die er zo uitzien” aan om in het oostelijke deel van de stad 's avonds niet meer alleen met het openbaar vervoer te reizen of zich op straat te begeven. Atif Hussein, van Duits-Soedanese afkomst: “Een regelrechte avondklok. Ik beschouw die uitspraak als een teken van totale hulpeloosheid”.

Racisme in de ex-DDR heeft alles te maken met het verleden. “Misschien is racisme zelfs niet eens een juiste omschrijving voor de stemming in veel Oostduitse steden”, meent Hartmut Reichow, hoofd van het Bureau van de regeringscommissaris voor buitenlanders in Berlijn. “Het geweld keert zich immers ook steeds meer tegen vrouwen, homoseksuelen en andersdenkenden. Ik beschouw het als openlijke agressie die voortkomt uit een algehele desoriëntatie en gebrek aan perspectieven.”

Volgens Reichow moeten de oorzaken van de gewelddadigheden dan ook niet worden toegeschreven aan de aanwezigheid van buitenlanders op zichzelf. Hij wijst op een enquête die eind vorig jaar is gehouden en waarin Oostduitsers werd gevraagd aan te geven welke buitenlanders zij het meest onsympathiek vinden. “Met grote overmacht kwamen de Turken als nummer één uit de bus. We hebben nagegaan hoeveel Turken er op dat moment in Oost-Duitsland leefden. Het waren er precies vijftien”, aldus Reichow.

Hans-Ludwig Zachert, hoofd van de Duitse recherche (BKA), schatte tien dagen geleden het aantal neo-nazi's in Oost-Duitsland op twee- à drieduizend. Reichow houdt het daarentegen op “zeker twintigduizend”. Hoeveel het er ook mogen zijn, wie door Marzahn loopt, kan constateren dat de nazi-outfit in ieder geval populair is. Ongeveer een op de drie jongeren heeft al dan niet geblondeerd, asblond, gemillimeterd haar met een "germaanse haarlok' en draagt laarzen of met lood verzwaarde gymschoenen.

Juist in deze buurt, met haar zware SED-verleden, lijkt elk gezag verdwenen. “Ik heb een vriend die politieman is. Die laat zich echt niet voor 600 mark per maand op zijn bek slaan”, zegt de 33-jarige gevelreiniger Michael Berck vanachter zijn glas bier in een café in Ahrensfelde. Hij vindt dat je het optreden van de neo-nazi's moet relativeren. “Het valt allemaal wel mee”, zegt hij. “Eigenlijk zijn het allemaal lafaards.” Toch waagt hij zich zelf ook niet graag alleen na acht uur 's avonds op straat. “Zeker, het geweld neemt toe. Wat verwacht je anders van jongeren van wie de ouders voor de Stasi werkten?”

Sociaal werkster Tamara Hentschel, vroeger SED-lid, “vanuit het hart en niet omdat het moest”, heeft niet alleen door haar werk met de problemen in de wijk te maken. Ten eerste omdat haar huidige partner een Vietnamees is en ten tweede wegens het gedrag van haar veertienjarige zoon Kai. “Ik moet hem voortdurend ontwapenen”, zegt zij wijzend op de tafelrand, “het grootste mes was precies zó breed.” Kai is niet tegen buitenlanders. “Ik ga alleen naar centrale jeugdcentra”, zegt hij. De meeste van de tien jeugdcentra die er voor de 53.000 Marzahner jongeren zijn, noemt hij "rechts' tot "extreem-rechts'. Het populairste swingnummer is er momenteel de op cassette verkrijgbare "Dans de Hitler'.

Volgens jongerenwerker Holger Balcke trekken "zijn' jongeren zich steeds meer terug. “Die komen niet in West-Berlijn. Daar voelen zij zich bang en onzeker. Hier zijn zij de baas.” De tien jongerencentra zijn gevestigd in gebouwen die "Volkseigentum' waren en nu derhalve in hun bestaan worden bedreigd. “De helft van deze jongeren is werkloos. Als deze jeugdclubs verdwijnen, breekt de hel hier los”, aldus Balcke.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat in ieder flatgebouw in Marzahn een voor de Stasi werkzame "Hausgemeinschaftsleiter' woonde die onder meer bijhield hoe goed iemand zijn balkon schoon hield of de planten in de groenstrook verzorgde. Wie extra goed zijn best deed, kwam in aanmerking voor een gouden huisnummer. In ieder flatgebouw in Marzahn is er nog wel eentje te vinden. Maar er zullen geen nieuwe meer bijkomen.