Schaarste in Tirana lijkt bijna routine

TIRANA, 14 AUG. In de belangrijkste groentenwinkel aan de Straat van het Congres van Permete, die iedereen in Tirana de Durrës-straat noemt omdat het de uitvalsweg naar die havenstad is, is het aanbod beperkt tot een bak met groene tomaten, een bak met even groene perziken en wat augurken. De levensmiddelenwinkel ernaast biedt een eindeloze rij flessen met een onbestemd oranje drankje te koop aan, een even eindeloze rij blikjes sardines die elk drie lek (zestig cent) moeten kosten en twee vijfliterblikken met tomatenpuree - blijkens de opschriften oorspronkelijk bestemd voor de export. Sinds enige tijd is de export van voedingsmiddelen echter verboden en dus worden de blikken aan de eigen bevolking verkocht.

Daarmee heeft men het in de drie kilometer lange Straat van het Congres van Permete wat de voedselvoorziening betreft wel zo'n beetje gehad. Er is nog een winkel met het opschrift bukë boven de deur: een bakkerij. Er staan zo'n twintig mensen te wachten. En de winkel blijft dicht, maar de rij blijft wachten, uur na uur na uur.

Er is in de Straat van het Congres van Permete, vlakbij het punt waar ze uitkomt op het centrale Skanderbegplein, ook nog een café, waar al vroeg in de ochtend alle stoelen bezet zijn. Halverwege de ochtend komt de serveerster melden dat het water, dat traditioneel bij de Turkse koffie wordt verstrekt, op is. Kort daarna is ook de koffie op. De mededelingen worden gelaten aangehoord: men is eraan gewend. Niemand staat op, men praat gewoon verder. Het is de routine van alledag.

Aan de andere kant van het Skanderbegplein is de bazaar. Het is er een drukte van belang. Hier komen de boeren die nog iets te verkopen hebben. Maar ook hier is het aanbod beperkt: watermeloenen, wat tomaten, augurken, perziken. Boerenvrouwen, gekleed in een broek met een rok erover, een zwart jakje en een smetteloos witte hoofddoek, zitten er urenlang naast een zorgvuldig op een doek uitgestald hoopje paprika's. Verder wordt voornamelijk textiel aangeboden: T-shirts met opdruk in het Engels en kleurrijke handdoeken, opgestuurd door vluchtelingen die vorig jaar en begin dit jaar naar Italië zijn ontkomen.

Achter de bazaar staat een groot, geelgeschilderd gebouw. Er staat met grote letters "Markt - Groenten - Fruit' boven de ingang. Hier bieden staatsboerderijen en landbouwcoöperaties hun waren aan. Bij de deur een tafel met twee vrouwen. Achter hen niets: gapende leegte, vele schappen van glas, gevuld met niets. “Vermoei je niet”, zegt een van de vrouwen schamper als ik de holle leegte fotografeer.

Pag.5:

We hebben geen tijd, we zijn dood voor het beter gaat

Buiten op straat het volk: het flaneert, het slentert. Halfblote arbeiders liggen languit in de schaduw van de prachtige hoge bomen in de parken in het centrum, op de lage muurtjes langs de straten zitten lange rijen mannen schouder aan schouder om de misère te bespreken en in het gras bij het busstation naast de oude moskee op het Skanderbegplein krioelt het van de ongeschoren jongemannen die met zelf in elkaar gedraaide roulettespelen gokken om de paar lek die ze bezitten. Heel Tirana is op straat, van 's ochtends vroeg tot en met de pantoffelparade in de avonduren. Men slentert midden op de weg - in het vroeger geheel autoloze Albanië rijden nog steeds zo weinig auto's dat je het Skanderbegplein met de ogen dicht kunt oversteken -, iedereen begroet iedereen - iedereen kènt ook iedereen -, men roddelt, men kletst, men keuvelt, giechelende meisjes, rokende mannen, spelende kinderen, fietsende jeugd, midden op straat, van 's ochtends tot het donker wordt. Haast heeft niemand.

En niemand werkt: er is geen werk. Het economische leven in Albanië is als een kaartenhuis ineengestort. Een bloeiende economie was het nooit, daarvoor stond het door Enver Hoxha opgelegde isolement wel borg: Albaniës technologie dateert van decennia her. Na de breuk met China in 1978 ging de deur dicht en heeft Albanië op zijn eentje verder geploeterd, onder Oom Envers motto dat Albanezen liever gras eten dan buigen voor buitenlandse onderdrukkers.

Lang heeft de Albanees geen gras hoeven eten. De economie was primitief, maar kon zichzelf bedruipen. Albanië is een rijk land: het had een bloeiende landbouw en exporteerde op grote schaal voedsel. Het was 's werelds tweede chroomexporteur, heeft olie, kolen, nikkel en witte steenkool en het exporteerde elektriciteit naar alle buurlanden.

Nu, nog geen jaar na de val van het van Hoxha geërfde steenkoolsocialisme met al zijn trotse onzin, komt het spookbeeld van het gras eten angstwekkend nabij. Van de economie is niets meer over. In januari en februari stortte de landbouw in: de landbouwcoöperaties werden ontmanteld. Een deel van het land werd verdeeld onder de boeren, de rest wordt - op grond van een landverdelingswet waarover maandenlang in het nieuwe parlement is geruzied - komende maand verdeeld. Sinds januari hebben de nieuwe privéboeren zich derhalve alleen bekommerd om het stuk land dat hun was toegewezen: de rest is braak blijven liggen. Toen eind maart de communisten (die zich nu socialisten noemen) de verkiezingen wonnen, begonnen geruchten de ronde te doen dat de nieuwe regering de coöperaties in ere zou herstellen. In paniek slachtten de boeren hun vee of verkochten het over de grens, aan Grieken en Joegoslaven. Even was er meer dan genoeg vlees. Nu is vlees schaars: de veestapel is in luttele maanden geslonken van 170.000 tot 10.000 stuks.

Het resultaat was een kettingreactie: de landbouwproduktie zakte in, de overvloed aan groenten en fruit veranderde in schaarsten en tekorten, de uitvoer van voedsel daalde en is uiteindelijk stopgezet. Dat leidde tot een daling van de valuta-inkomsten en een overeenkomstige daling van de import van grondstoffen, machines en onderdelen voor de industrie. Een voor een vielen de machines in de fabrieken stil, en uiteindelijk kwam ook de produktie op de enorme - fatsoenlijk gemechaniseerde - staatsboerderijen tot stilstand bij gebrek aan machine-onderdelen, kunstmest, pesticiden, chemicaliën en uiteindelijk ook benzine. Binnen luttele maanden is aldus de hele economische machine tot stilstand gekomen.

Gramoz Pashko is minister van economie, vice-premier, een van de leiders van de in december opgerichte oppositie en een van 's lands beste economen. Hij is ook, zo lijkt het wel, de laatste Albanees die nog aan het werk is. “Mijn minister werkt altijd”, zegt een man die zich zijn lijfwacht noemt en ons op een onmogelijk laat uur in het weekeinde door de eindeloze lege gangen van het ministerie leidt. De minister zit in een reusachtig kantoor aan het eind van vele lege gangen, een ernstige, bebrilde academicus, een man van weinig woorden. Achter zich, op de plaats waar vroeger het portret van Enver Hoxha hing, hangt nu een kruisbeeld. Op zijn bureau een computer, ernaast foto's die Pashko tonen met Václav Havel en Ismail Kadare, de naar Frankrijk uitgewezen schrijver.

De economie, zegt hij, vertoont al langer een dalende lijn. De communisten hebben het vroeger nooit toegegeven, maar de laatste vijf jaar is de structurele terugloop 1,6 procent per jaar geweest: de rek was eruit. Dit jaar kwam de vrije val: een produktiedaling met 28 procent, een werkloosheid van 35 procent, een inflatie van 30 procent. De export bedraagt minder dan de helft van het verwachte niveau, de valutavoorraad is geslonken tot minder dan tien miljoen dollar, de buitenlandse schuld is opgelopen tot een half miljard dollar en het begrotingstekort bedraagt twintig procent.

Er is inmiddels, zegt Pashko, een economisch plan uitgewerkt om de economie uit het slop - of beter: weer aan de gang - te krijgen. Hij presenteert het deze week in het parlement, een combinatie van een herstelprogramma, een bestuurshervorming en een institutionele hervorming met een drieledig doel: het scheppen van een macro-economisch evenwicht, de bestrijding van de inflatie voordat kan worden overgegaan tot het vrijlaten van de prijzen en een hervorming van de eigendomsverhoudingen, dus privatisering. In september en oktober worden de prijzen vrijgelaten en wordt de buitenlandse handel geliberaliseerd. Eerder nog komen een anti-monopoliewet, een wet op buitenlandse investeringen, een salariswet en een arbeidswet. Nog dit jaar moeten alle kleine en middelgrote bedrijven worden geprivatiseerd, vanaf volgend jaar de grote.

Albanië heeft haast: het balanceert op de rand van de honger. “We volgen in wezen het Poolse model: we verkeren in dezelfde situatie. Zij moesten diverse zaken tegelijk aanpakken: ze moesten de crisis bestrijden, de recessie bestrijden en tegelijkertijd hervormen”, aldus Pashko. Maar Albanië is Polen niet. De sociale problemen in Polen zijn nijpend, maar ze zijn kinderspel vergeleken bij die van Albanië. In Albanië werkt zeventig procent van de bevolking in de landbouw, terwijl het werk in die sector door twintig procent van de bevolking kan worden gedaan. Dat betekent dat de helft van de totale beroepsbevolking overbodig is en op langere termijn een baan elders moet vinden. Dat feit alleen al maakt Pashko's problemen bijna niet te overzien, zeker met het begrotingstekort dat er nu al is.

Bovendien: het overgrote deel van de Albanese industrie komt niet in aanmerking voor privatisering maar uitsluitend voor sloop. De paradepaardjes van de Albanese industrie zijn de koperdraadfabriek van Shkodër, die al vijf jaar geleden haar produkten vrijwel alleen nog in de Derde wereld kwijt kon, en het staalcomplex van Elbasan, waar tienduizend arbeiders met Chinese machines uit het jaar nul produkten maken waar niemand op zit te wachten, en passant van Elbasan, ooit de bloemenstad van Albanië, een ecologisch kankergezwel makend. In Elbasan, zo weet men inmiddels, gaat twintig tot dertig procent van alle nikkel en kobalt die worden verwerkt, letterlijk in rook op. Nog wordt het complex draaiende gehouden, maar eigenlijk alleen omdat sluiting zou leiden tot de sluiting van driehonderd toeleveringsbedrijven.

Niettemin praat Pashko over een werkloosheid die nog even zal oplopen, maar “al gauw” zal dalen als de lichte industrie, het toerisme en de dienstensector banen opleveren. Waar de investeringen in die sector vandaan moeten komen is echter ook hem niet duidelijk. Uit het buitenland?

In het centrum van Tirana ligt een groot, ommuurd terrein. Hier, zo heette het begin vorig jaar, zou een eersteklas hotel komen, zo'n luxe hotel van het type en de klasse die in Albanië ontbreken. Het hotel zou er binnen anderhalf jaar worden neergezet door een Albanese zakenman uit Kosovo, die, zelf woonachtig in Zwitserland, geloofwaardige bewijzen kon overleggen van uitgebreide zakelijke banden met Egypte en een paar emiraten. Dus bouwde men haastig een muur en wachtte in spanning op de komst van hijskranen en heimachines.

En kwam niets. Er kwam nattigheid: de zakenman bleek minder betrouwbaar dan aanvankelijk leek en de hoop op een Sheraton Tirana is voorlopig vervlogen. Hoewel, de zakenman heeft wel iéts gedaan: hij heeft een holding opgericht, Illyria Holding, waarvan de activiteiten echter onduidelijk zijn en waarvan wordt vermoed dat Enver Hoxha's zoon Illir erachter steekt. En hij heeft een winkel geopend waar Westerse consumptiegoederen worden verkocht maar waar maar weinig Albanezen naar binnen gaan: men staat er op elk uur van de dag met de neus tegen de ruit en windt zich, klakkend van de tong van verontwaardiging, op over de on-Albanese prijzen die er worden gevraagd voor het tuinmeubilair en de jurken in de etalage. Vlak naast de winkel hangt een groot bord: Albamerica - American Express. Eronder een lege etalage met aanplakbiljetten op de muren waarop de Albanezen wordt uitgelegd van welke mooie diensten van American Express ze straks gebruik kunnen maken. Het bord en de aanplakbiljetten hangen er al vele maanden. Al die maanden is er niets gebeurd en het woord “straks” heeft voor de inwoners van Tirana een heel speciale betekenis gekregen.

Het buitenland laat het voorlopig afweten. De twee internationale hotels van Tirana zitten vol zakenlieden, maar er opereren slechts 26 joint ventures en pas zondag is de eerste joint venture in de landbouw een feit geworden, na een dagen durende partij vrij worstelen tussen Italiaanse en Albanese juristen.

Albanië blijft een land met bodemschatten en goed landbouwland. De werkkrachten zijn goedkoop - een arbeider verdient per maand omgerekend dertig dollar - en goed opgeleid: een op de vijftien Albanezen heeft een universitaire opleiding, een op de drie arbeiders en een op de vier boeren heeft middelbare school, vrijwel iedereen spreekt Italiaans, en velen spreken ook Frans en Engels.

Maar het niveau waarop Albanië economisch aan een nieuw tijdperk begint is schrikwekkend laag en men weet het, en dat stemt meer dan somber. Een journalist: “Men wacht al maanden en er verandert niets. De situatie verslechtert alleen maar: het is elke dag moeilijker om aan eten te komen en de mensen hebben de hoop opgegeven. Kijk eens een paar maanden rond en zie hoe de ene winkel na de andere zijn deuren sluit, dan weet je hoe de mensen zich voelen. Het grootste warenhuis van de stad is gesloten: er is niets meer te verkopen. Restaurants zijn dicht, groentenwinkels gaan dicht, apothekers gaan dicht, ziekenhuizen hebben geen medicamenten meer, de boekwinkels gaan niet meer open. Het heeft er veel weg van dat heel Albanië dicht gaat”.

Er is angst. “Vroeger waren de Albanezen bang voor de partij, nu zijn ze bang voor de toekomst,” zegt hij. “Ze weten dat we bij nul moeten beginnen, en ze weten dat alles anders moet. Maar wanneer merken ze er iets van? Dat gaat jaren duren. Zoveel tijd hebben we niet: we zijn dood voor het beter gaat. Kijk eens rond, onze bussen vallen uit elkaar, onze treinen vallen uit elkaar, niets functioneert, niemand werkt. Dit is een land in verval: het beweegt, maar er gebeurt niets. Een geplunderd land.”