Op de goudstranden worden de fastbowlers geboren

ROTTERDAM, 14 AUG. De populaire goudstranden op tropische eilanden als Barbados, Trinidad en Antigua worden overdag slechts uitgeleend aan de zonnende toeristen uit Europa en Amerika. Tegen de avond krijgt het zand weer haar oorspronkelijke functie als opleidingscentrum voor cricketers. Daar worden de beste fastbowlers van de wereld geboren. Daar trainen ze hun harde aangooien, die later in de wedstrijden snelheden bereiken van soms 150 kilometer per uur en die gevaar voor lijf en leden van iedere tegenstander betekenen.

Op het strand, zeggen ze in het Caribische gebied, leer je beter dan waar ook cricketen. Ze spelen bij voorkeur aan de rand van de zee. Daar stuit de bal, meestal een doornatte en kaal geplukte tennisbal, het beste. En dan proberen ze elkaar bij wijze van spreken te onthoofden met hun bouncers. De Calypso-cricketers zijn niet geïnteresseerd in zachte aangooien met effect. Die passen, vinden ze, niet in de show. Wat de Brazilianen voor het voetbal betekenen zijn de Caribbians voor het cricket. Hun spel swingt, is spectaculair om te zien. En ze zijn in tegenstelling tot de afgezakte Braziliaanse voetballers de besten van de wereld. Onder de verzamelnaam West-Indies zijn de cricketers uit Barbados en de andere voormalige Britse koloniën in de omgeving de regerende wereldkampioenen.

De Westindiërs zijn morgen en vrijdag hoog bezoek in Nederland. Ze hebben zich zowaar bereid verklaard twee wedstrijden tegen Oranje, een verdienstelijk B-land, te spelen. En dat zorgt voor nogal wat opwinding in de kleine Nederlandse cricketwereld. Velen willen de koningen van deze tak van sport bij Rood en Wit in Haarlem (beide dagen aanvang 11.00 uur) aanschouwen, maar ook velen maken zich zorgen over de dappere Hollanders die tegenover de exotische koppensnellers komen te staan. Helmen en arm-, borst- en beenstukken zijn besteld om de thuisspelers tegen de afgevuurde kogels uit West-Indië te beschermen.

Er zijn nóg een paar geruststellende feiten voor de meest bezorgden binnen de nationale cricketfamilie. De Westindiërs zullen vermoeid zijn na een langdurig verblijf in Engeland, de bakermat van het cricket, waar ze een altijd beladen testserie speelden en bovendien zijn de meeste Nederlandse internationals inmiddels ook al wat gewend. Meer in ieder geval dan in 1957, toen de Westindiërs voor het laatst hier waren en hun captain Goddard zijn beste fastbowlers aan de kant hield uit angst voor verwondingen bij de tegenpartij.

De verre gasten verloren deze week de laatste wedstrijd van de testserie tegen Engeland en dat betekende een eindstand van 2-2, het beste resultaat van de Engelsen tegen West-Indië sinds de 1-1 van '74. Meteen werd door de Britten de vraag gesteld of deze hoopgevende uitslag kan worden toegeschreven aan een revival van hun eigen ploeg of aan een verzwakking van de bezoekers. Over dat laatste maakt Vivian Richards, captain van West-Indië, zich absoluut geen zorgen. Hij zei na afloop van de test, de laatste in zijn fantastische loopbaan, tevreden te zijn. “Voetballers zijn ook blij met een 2-2 uitslag in een uitwedstrijd.”

En, weet Richards ook, het bulkt aan de stranden en op de scholen op de tropische eilanden in de Caribische Zee van het crickettalent. Duizenden hopen op een profcontract in Engeland. Het is vaak hun enige kans om een armoedige toekomst te ontlopen, de toegang tot een rijkere wereld. Bijna iedereen speelt dan ook cricket op Barbados en omstreken, eerst met zelfgemaakte bats en ballen op de stranden en later in de competities tussen de plantages.

Richards' eerste bat was een tak van een kokosboom. Ex-topspeler en aanvoerder Gary Sobers werd als tiener bij het orkest van de politie neergezet om zodoende voor het korps in de competitie te kunnen cricketen. Het probleem was echter dat hij geen noot kon lezen, de maat niet kon houden en niet kon dansen. Uiteindelijk kreeg hij een hoorn in zijn handen geduwd. Sobers leerde het instrument nooit goed bespelen. Maar op het veld groeide hij, naar het oordeel van velen, uit tot de grootste cricketallrounder aller tijden. Hij werd in 1975 door koningin Elisabeth tot ridder geslagen en gaat sindsdien als Sir Garfield door het leven. Hij is op Barbados een beroemd man met een mooi huis en een mooie auto.

De topcricketers zijn razend populair op de Westindische eilanden. Hun afbeelding staat zelfs op bankbiljetten en postzegels. Er is ook niets anders dan cricket waarmee de Westindiërs de wereld kunnen veroveren. Maar dat doen ze dan ook vol overtuiging en bezieling. Slechts op één manier zijn ze af te stoppen, zeggen ze zelf. En dat is aan de bestuurstafel. Er zijn en worden door de hoge heren van de International Cricket Council zo nu en dan pogingen gedaan om het geweld van de fastbowlers in te dammen. Dat was voor Richards aanleiding om in zijn laatste boek op te merken dat in de cricketwereld vele “hypocrieten en racisten” rondlopen. “Ze willen ons mooie team ruïneren en dit bijzondere ras van West-Indië onderdrukken”, schreef hij.

Isaac Vivian Alexander Richards, Viv voor zijn fans, is in alle opzichten een vedette. Hij is af en toe zeer nukkig en arrogant. Daarom droeg hij in zijn carrière als batsman nooit een helm. Die past, vindt hij, niet bij hem. Richards is een trotse man, trots op zijn huidskleur en land. Hij zegt “in love” te zijn met Antigua. Het is één van de kleinste eilanden van het Britse conglomeraat, maar blijkt momenteel wel de belangrijkste leverancier van de Westindische ploeg met naast Richards ook toppers Curtly Ambrose en Richie Richardson als vertegenwoordigers. Richards is een held op Antigua. De aankondiging dat hij politicus wil worden en dan corruptie en onderdrukking te lijf wil gaan werd dan ook met gejuich ontvangen. Er is in de hoofdstad van Antigua, St. John's, al een straat naar Richards genoemd. Zijn ouders, die hem streng en godsdienstig opvoedden, wonen er.

Deze week werd de 39-jarige Richards bij zijn afscheid van het testcricket ook door zijn tegenstanders toegejuicht. Die eer is alleen voor de allergrootsten in de sport weggelegd. Thanks Viv, we will miss you stond er op een spandoek dat uit een raam van een huis naast cricketstadion The Oval in Londen hing. Een ovatie van de Engelse spelers en de duizenden toeschouwers begeleidde Richards bij zijn laatste gang van het veld naar de kleedkamer nadat hij met een totaal van zestig runs was uitgevangen. Die prestatie zorgde ervoor dat Richards in zijn 121 testwedstrijden tot het grandioze battinggemiddelde van 50,23 runs is gekomen. Daarmee staat hij derde op de eeuwige ranglijst. De bekende Engelse cricketschrijver John Woodcock schreef gisteren in The Times dat het nooit saai is geweest Richards te zien batten. De Westindiër heeft, oordeelde hij, alles wat een batsman kan wensen, het oog van een havik, enorme kracht, persoonlijkheid, een knap voorkomen en alle slagen uit het boek in zijn repertoire. Richards zelf zegt God dankbaar te zijn dat hij “zulke geweldige ogen” heeft gekregen. “Ik kan tijdens een wedstrijd zonder problemen een bekende tussen het publiek opsporen. Ik test mezelf vaak op die manier. En zo lang ik dat nog kan zit het goed.”

Richards stopt ook zeker niet helemaal met cricket. Hij verdedigt volgend jaar met de Westindiërs nog de wereldtitel en hij zal in elk geval de komende twee seizoenen voor de Engelse countyploeg Glamorgan uitkomen. Thank God, he will be back, besloot een BCC-verslaggever gisteren de uitzending over de testserie.