Medisch tuchtrecht biedt artsen geen enkele bescherming

Het Nederlands medisch tuchtrecht is hopeloos verouderd en biedt noch voor de klager noch voor de aangeklaagde arts afdoende waarborgen voor een goede behandeling van de klacht. Inmiddels bestaat de neiging de klagers met enige egards te behandelen, maar dat gaat nogal eens ten koste van de positie van de arts. De rechtsgang is in verscheidene opzichten in strijd met fundamentele rechtsbeginselen.

Het tuchtrecht neemt een eigen plaats in naast het strafrecht en het gewone burgerlijke recht. Een arts over wie wordt geklaagd kan dus in beginsel drie procedures verwachten: een tucht-, een straf- en een civielrechtelijke procedure. In principe kunnen die ook nog allemaal in drie instanties worden gevoerd. De tuchtprocedure is wettelijk geregeld in de Medische Tuchtwet van 1928. De regeling is hopeloos verouderd, hetgeen al blijkt uit de daarin als eerste genoemde (wel zeer archaïsch aandoende) grond voor ingrijpen van de tuchtrechter: “Het ondermijnen van het vertrouwen in de stand der geneeskundigen”.

Vrijwel iedereen denkt bij het medisch tuchtrecht meteen aan medische kunstfouten. Als alleen daarover zou kunnen worden geklaagd, zou er - behoudens de volstrekt tekortschietende procedure - met het tuchtrecht zelf niet eens veel mis zijn. De praktijk is echter dat niet alleen kan worden geklaagd over medische kunstfouten maar dat de klacht betrekking kan hebben op ieder willekeurig handelen of nalaten van de arts, waarvan de klager meent dat het vertrouwen in de stand erdoor is ondermijnd. Strikt genomen hoeft dat niet eens iets te zijn dat de arts in zijn beroepsuitoefening heeft gedaan. Anders dan men zou verwachten kan een arts dus voor van alles en nog wat door de tuchtrechter ter verantwoording worden geroepen en veroordeeld als blijkt dat zijn gedrag naar het oordeel van de tuchtrechter is tekortgeschoten.

Wanneer schiet het tekort? Als het “vertrouwen in de stand erdoor wordt ondermijnd”. Wat dat concreet inhoudt weet geen mens op voorhand. Dat verhindert de tuchtrechter echter niet de arts te verwijten dat deze zich niet heeft gehouden aan de door hem - in alle rust achteraf - bedachte norm.

De klachten worden in eerste instantie beoordeeld door de Medische Tuchtcolleges. De straffen zijn: waarschuwing, berisping, geldboete (maximaal 10.000 gulden), schorsing in de uitoefening van de geneeskunst voor ten hoogste een jaar of volledige ontzegging daarvan. Tegen een waarschuwing of berisping kan men in appel bij het Centraal Medisch Tuchtcollege. In zaken waarin één van de zwaardere maatregelen is opgelegd, gaat men in beroep bij het gerechtshof.

In de medische tuchtprocedure neemt de geneeskundig inspecteur een heel bijzondere plaats in: deze wordt altijd door de tuchtrechter gehoord, ook wanneer hij de klacht niet heeft ingediend. Ook kan de inspecteur, in een zaak waarin hij helemaal geen partij was, eigenmachtig hoger beroep of cassatie instellen. Die bevoegdheid is volstrekt excessief en in strijd met het fundamentele beginsel van procesrecht dat slechts de procespartijen rechtsmiddelen tegen een uitspraak kunnen aanwenden.

In de eerste instantie wordt de arts beoordeeld door beroepsgenoten. De gedachte is dat zij bij uitstek weten wat binnen de beroepsgroep betaamt en dat zij bovendien deskundig zijn op het terrein van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Omdat artsen over het algemeen weinig besef van juridische aangelegenheden hebben, schrijft de wet voor dat het college wordt voorgezeten door een jurist (in de praktijk een rechter die dit werk als nevenfunctie doet) terwijl ook de griffier een jurist is.

Aan de rechtspraak door beroepsgenoten kleven natuurlijk bezwaren. Voor de berechte is het allerminst prettig door collega's te worden beoordeeld, temeer omdat die als vrije beroepsbeoefenaren ook nog eens concurrenten van hem (kunnen) zijn. Bovendien zullen beroepsgenoten ertoe neigen "plus royaliste que le roi' te zijn, al was het maar om zich overduidelijk te distantiëren van hun pijnlijk tekortschietende vakgenoot.

Wanneer men de gepubliceerde uitspraken ziet, blijkt onmiddellijk dat de vakbroeders als regel te streng oordelen: in vrijwel alle gevallen waarin hoger beroep wordt ingesteld bij het gerechtshof, oordeelt dit college beduidend milder dan het Medisch Tuchtcollege. Dat moet ook die colleges wel eens zijn opgevallen en kennelijk gaat men er dus vanuit gaat men het beleid niet behoeft te wijzigen, omdat er in de praktijk toch maar weinig artsen zijn die hoger beroep instellen. Onder invloed van de toenemende mondigheid van de klager, vertonen de berechtende instanties bovendien wel eens de neiging de klager nog wat méér dan het volle pond te geven.

Eén van de belangrijkste verdragen ter bescherming van fundamentele mensenrechten is het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), tot welk verdrag ook Nederland is toegetreden. De Nederlandse overheid zal bij de ondertekening zeker hebben gedacht dat de eigen wetgeving ruimschoots aan alle eisen zou voldoen en dat het verdrag zich zou richten op minder "beschaafde' landen. Dat is toch wel wat anders uitgekomen: de uitspraken van het speciale Europese Hof dat waakt over de toepassing van het verdrag hebben al geleid tot ingrijpende aanpassingen van complete procedures hier te lande zoals het Administratieve Beroep op de Kroon en het Militair Strafrecht. Wij zijn van mening dat toetsing van het Nederlandse medische tuchtrecht aan de verdragsbepalingen eveneens tot dramatische gevolgen voor die procedure zou leiden.

De beklaagde in het tuchtrecht heeft wezenlijk dezelfde positie als die van een verdachte in het strafrecht. Die laatste heeft echter nog een acceptabele bescherming en dat heeft de arts niet. Zo kan voor een handeling die niet voorafgaand wettelijk strafbaar is gesteld, niemand worden veroordeeld (het zogenaamde nulla poena-beginsel) en begint een strafrechtelijke vervolging met met een tenlastelegging waarin nauwkeurig en feitelijk is omschreven wat de verdachte wordt verweten. Dat stuk vormt een keurslijf voor het geding: zowel de vervolgende als de berechtende instantie is eraan gebonden.

In de tuchtprocedure is dat alles niet aan de orde: een arts staat niet alleen terecht voor hetgeen de klager hem verwijt, maar ook voor al hetgeen tijdens de procedure, in eerste instantie of zelfs nog in hoger beroep, door de tuchtrechter zal worden aangetroffen en door hem klachtwaardig zal worden geoordeeld: de wet zegt uitdrukkelijk dat de tuchtrechter niet is gebonden aan de inhoud van de klacht. Helemaal eng is dit nu er geen enkele vastlegging is van "strafbare feiten', terwijl er evenmin enige indicatie is op welk handelen welke straf dient te worden toegepast. Dit betekent dat de rechter vrij spel heeft en het spiegelbeeld daarvan is dus dat de arts zich niet afdoende kan verweren. In de praktijk kan het zo zijn dat zijn hele doopceel wordt gelicht, zelfs tot in het verst denkbare detail van zijn privéleven en dat hij achteraf in de uitspraak van de rechter voor het eerst leest wat deze daar voor verwerpelijks aan heeft gevonden.

Een kras voorbeeld leverde een zaak die tot aan de Hoge Raad is uitgeprocedeerd en die als volgt verliep: Tegen een arts werden twee klachten ingediend bij het Medisch Tuchtcollege. Het College achtte de eerste klacht ongegrond. De tweede klacht werd wel gegrond verklaard en er werd een maatregel opgelegd. De arts ging in hoger beroep bij het gerechtshof. Het hof kwam tot een tegengestelde slotsom: het achtte de klacht waarvoor het college de maatregel had opgelegd niet gegrond. De andere klacht die het Medisch Tuchtcollege dus ongegrond had verklaard, achtte het hof wel degelijk gegrond en men legde daarvoor een maatregel op. Die maatregel viel bovendien erg zwaar uit waarbij het Hof motiveerde dat daartoe was overgegaan omdat de arts er op de zitting van het hof op geen enkele manier blijk van had gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien. De arts tekende cassatie aan. Zijn advocaat voerde bij de Hoge Raad aan dat het hof op onhoudbare gronden een extra zware straf had opgelegd: hoe kon men zijn cliënt verwijten dat deze het foutieve van zijn handelen niet had ingezien, nu nota bene het gehele Medisch Tuchtcollege dat ook niet had gedaan? Kan men van de arts verlangen dat deze het beter weet dan het tuchtcollege? Dat lijkt toch wel erg veel gevraagd. De Hoge Raad heeft evenwel het bezwaar verworpen en dit onrechtvaardige arrest in stand gelaten.

Het Medische Tuchtrecht is zowel inhoudelijk als procedureel dringend aan grondige herziening toe. In de eerste plaats dienen er gedragsregels te worden geformuleerd waaraan ook rechtskracht wordt toegekend, zodat klager en beklaagde (en tuchtrechter) in voorkomende gevallen weten waar zij aan toe zijn. Voor de procedureregels dient het Wetboek van Strafvordering model te staan. Herziening van het tuchtrecht is al geruime tijd voorzien in het ontwerp van de wet BIG. Nog daargelaten dat volgens welingelichte Haagse kringen nog maar zeer de vraag is of dit wetsontwerp ooit de eindstreep zal halen, moeten wij echter vaststellen dat daarin ook nog op geen enkele manier aan de bovenvermelde bezwaren tegemoet is gekomen.